🆕 Democratie, maar voor nette mensen: reflecties op cancel culture
🖋 Thijs Kleinpaste


De Harper’s Letter on Justice and Open Debate heeft zowel in de VS als in Europa het nodige losgemaakt. Het is geen toeval dat de opstellers van de brief zich beklagen over ideologische zuiverheidstests en het schervengericht van Twitter op precies het moment dat de antiracismebeweging doorschakelt van ontzetting en protest naar langeretermijndoelen. Sociale media zijn een openbaar tribunaal geworden, en de ondertekenaars zien een illiberale tendens die niet meer alleen van rechts komt, maar nu ook van links. Thijs Kleinpaste overziet vanuit Washington D.C. het slagveld en ziet achter het geweeklaag over cancel culture vooral elitisme, onbegrip over de veranderende publieke sfeer en achterstallig institutioneel onderhoud.


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


1.

Het eerste probleem van cancel culture is dat er geen geschikt instrumentarium lijkt te zijn om grip te krijgen op wat het is. In de woorden van Sarah Jeong: ‘Wat gaande is, kan niet toereikend beschreven worden in de taal van het oude paradigma – en daarom klinken we allemaal als totale sukkels in onze poging er iets over te zeggen.’

De noodzaak er iets over te zeggen werd in het leven geroepen door een open brief in Harper’s. In die brief, ondertekend door honderdvijftig schrijvers en intellectuelen van uiteenlopende politieke en ideologische gezindte, werd de zorg uitgesproken over cancel culture (al viel die term zelf niet). De brief sprak van een groeiend ‘illiberalisme’ en van censuur; van een cultuur van ‘onverdraagzaamheid tegenover tegengestelde standpunten’ en ‘een modieuze neiging tot openbare schandpaalstellingen en uitstoting, en de aanvechting om complexe vraagstukken te doen oplossen in een verblindende morele stelligheid’.

De vraag is niet of er iets op het spel staat, maar waarom dat spel als oneigenlijk wordt ervaren.
De ondertekenaars maken zich zorgen om de online campagnes die ‘zware vergelding’ eisen in reactie op ‘vermeende transgressie in woord en gedachte’. Nog verontrustender is het feit dat de leiders van gezaghebbende instituties ‘in een sfeer van paniekerige damage control, haastige en disproportionele straffen uitdelen in plaats van hervormingen doorvoeren’. De brief presenteerde daarbij een lijst voorbeelden die moest aantonen dat cancel culture zowel een groot als een erg urgent fenomeen is. De brief werd vrijwel meteen mikpunt van kritiek en hoon, zowel om de uitslaande, paniekerige toon, als om het feit dat de aangehaalde voorbeelden van de meeste relevante context ontdaan waren, zodat ze gepresenteerd konden worden als illustratie bij de stelling. Voor bijna alle casussen gold dat de details ervan wezen op vooral heel rommelige dilemma’s en conflicten, die de rechtlijnigheid van de brief tegenspraken.

Toch is de gedachte (los van die retorische listigheden) dat er een probleem is niet onterecht, en dat de in de brief beschreven cultuur zich maar moeizaam verhoudt met de liberale democratie ook niet. Het punt is alleen dat cancel culture ook een fenomeen is van de democratie, en alleen daar kan worden opgelost.

2.

Dus: wat is cancel culture? We kunnen voor een definitie niet te rade gaan bij degenen die klagen haar slachtoffer te zijn, omdat al hun definities erop neerkomen dat ze hun eigen zaak dienen. Al zouden we ook, ergens, kunnen zeggen dat het precies die dienstigheid aan het eigen belang is wat de meeste klachten over cancel culture tot een coherent geheel maakt – er staat iets op het spel, in de meeste gevallen posities die vergezeld gaan van een zekere status, invloed en macht – al is die regel niet keihard. Het kan iedereen overkomen ‘gecancelled’ te worden, en er zijn voorbeelden van woeste campagnes tegen willekeurige nobodies (al worden die juist ook vaak aangezwengeld door mensen met status en positie die hun fans het signaal geven dat er iemand voor de bus gegooid dient te worden). Over het algemeen neemt men pas de moeite om met scherp te schieten als daarmee een doel gediend is dat meer dan de bevrediging van vergelding dient: er moet iets op het spel staan.

Dat er iets op het spel staat maakt echter nog niet het begin van een definitie, niet in de laatste plaats omdat het een open deur is. De vraag is niet of er iets op het spel staat, maar waarom dat spel als oneigenlijk wordt ervaren.

Sociale media hebben, for better or worse, de altijd toch al poreuze scheiding tussen publiek en privé verder opgeblazen, en zo de ruimte die openstaat voor sociale en politieke strijd verder verbreed.
Cancel culture is een afdruk van het feit dat de publieke sfeer groter is geworden, en de toegang ertoe eenvoudiger. Het is een fenomeen dat zich manifesteert binnen die opgerekte publieke sfeer, en daarmee te maken heeft met cultuur, en politieke cultuur in het bijzonder. Het politieke is gelegen in het feit dat cancel culture zich doorgaans richt tegen instituties, posities, normen en heersende opvattingen, en gaat over ideeën en hun vertegenwoordigers, over de richting die een cultuur of samenleving op moet bewegen, welke stemmen daaraan leiding moeten geven, en wat de taak is van instituties die dat proces accommoderen. Het is sociale strijd en politiek conflict, en conflict bovendien dat de opvatting over wat publiek en politiek ‘gemaakt’ kan worden oprekt tot ver buiten de comfortzone van een traditioneler liberalisme. Sociale media hebben, for better or worse, de altijd toch al poreuze scheiding tussen publiek en privé verder opgeblazen, en zo de ruimte die openstaat voor sociale en politieke strijd verder verbreed.

Ben Burgis, columnist voor Jacobin, suggereerde de volgende definitie: ‘‘Cancel culture’ refereert aan een samenhangend cluster van trends richting wederzijds argwanend toezicht en hypergevoelige afgestelde verketteringsreflexen, de methode van de schandpaal, met variabele niveaus van impact in verschillende politieke (en andere) subculturen binnen de cultuur in zijn geheel.’

Voor Burgis hangt die neiging, voor Amerikaans links althans, samen met een decennialang trauma te zijn buitengesloten van de formele structuren van politieke en maatschappelijke macht. Omdat de bolwerken gesloten bleven, restte slechts een politieke stijl van op personen gerichte campagnes, waarbij – omdat de instituten niet toegankelijk waren, en het voor links onmogelijk was om langs die weg macht uit te oefenen – het hoogst haalbare was om zo nu en dan een net wat meer dan alledaags-akelig individu het veld te doen ruimen.

Die woede is niet nieuw, en de poging om mensen consequenties te laten ondervinden van wat in de ogen van een groep mensen met voldoende kritische massa grove misstappen zijn ook niet. Nieuw is slechts dat de middelen daartoe radicaal zijn gedecentraliseerd – en gedemocratiseerd. Ooit hoorden ze toe aan actiegroepen, mediaredacties, besturen van organisaties met een groot ledental, of aan invloedrijke publieke figuren die over de middelen konden beschikken om een campagne op te zetten. Nu bezit iedereen met een internetverbinding, althans in theorie, dezelfde basisuitrusting – iedereen kan, met wat vaardigheid en gevoel voor het juiste moment, een schervengericht aanroepen. Cancel culture is (opnieuw for better or worse) de herschikking van een oud fenomeen in een nieuwe context – een langzaam tot stand komend amalgaam van opvattingen over het gebruik van de chaotische en amorfe macht van de online menigte. Het is macht, principe, strategie en praxis: een manier van doen en denken over hoe en wanneer het geëigend is om mensen te mobiliseren buiten de gebaande paden en instituties, om zo verandering te forceren. Cancel culture is een zaak van coalities die even snel samenkomen als weer uiteenvallen. Individueel stemmen met de portemonnee valt er niet onder. Zelf besluiten om geen Woody Allen-films te kijken is geen cancel culture; distributeurs vragen om zijn films niet meer te verspreiden wel. Een abonnement opzeggen is geen cancel culture, de krant vragen iemand aan de dijk te zetten wel.

De kritiek van Burgis is dat die houding een serieuzere omgang met die (oudere) instituties wegdrukt. Wie de hele tijd bezig is met personen en de ad-hocmobilisatie van de woede van de dag, en hoopt dat met het verdwijnen van de verkeerde personen van posities van macht en invloed ook een groter politiek project is gediend, vergeet dat instituties als geheel een veel fundamentelere invloed op ons uitoefenen dan een enkeling. Natuurlijk verandert er iets, maar het is een verandering die niet overdreven moet worden. Cancel culture mag door de auteurs van Harper’s gecontrasteerd worden met liberalisme, het rust zelf deels op een individualistische, in sommige opzichten liberale opvatting over politiek en het individu – namelijk op de gedachte dat een individu meestal het verschil maakt, en de sturende en vormende kracht van instituties zelf van secundair belang is. In zekere zin lijkt het op de vraag of de Verenigde Staten, indien Donald Trump in november de verkiezingen verliest, een restauratie van de ‘normaliteit’ zullen doormaken. Dat hangt af van de vraag of je gelooft in de ‘one bad man theory’ als verklaring voor de crisis van de Amerikaanse politieke cultuur. Wie denkt van niet, kan ook niet tevreden zijn met de in feite heel beperkte materiële vermogens van cancel culture.

Cancel culture is een eigenaardige samenkomst van kracht en zwakte – een reflectie van de potentie van de menigte, en van het onvermogen van diezelfde menigte om op een duurzame manier tot die institutionele macht door te dringen.

3.

Naast de institutionele verklaring die Burgis geeft voor cancel culture, is het tweede element dat beklijft dat van toezicht, verkettering en de schandpaal. De vraag is of die twee dingen eigen zijn aan cancel culture, of meer een fenomeen zijn van het internet an sich. Iedereen die heel erg online is weet dat je brein ervan wegrot. De grootste leugen waarin we onszelf hebben doen geloven is dat sociale media een enorme publieke ruimte zijn waar discussie en debat mogelijk zijn. IJdelheid. Het is een publieke ruimte waar we kliekjes vormen, joelen, en uitdelen.

Iedereen die heel erg online is weet dat je brein ervan wegrot. De grootste leugen waarin we onszelf hebben doen geloven is dat sociale media een enorme publieke ruimte zijn waar discussie en debat mogelijk zijn. IJdelheid. Het is een publieke ruimte waar we kliekjes vormen, joelen, en uitdelen.

Sociale media zijn niet toegerust op ‘debat’ of ‘discussie’, omdat de infrastructuur daarvoor ontbreekt. Er is geen vastomlijnd publiek voor wat er gecreëerd wordt, en omdat dat publiek er niet is, kan er ook niet zoiets bestaan als een gedeelde grond met gedeelde uitgangspunten en principes, hoe minimaal ook. Wat overblijft is nihilisme, al ligt daarin niet per se een waardeoordeel besloten. Het is slechts een erkenning van het feit dat online geen grond bestaat die niet tegelijkertijd permanent afbrokkelt. Er is geen bodem. Zoals Lili Loofbourow schreef: ‘Kwade trouw is de conditie van het moderne internet, en shitposting is de lingua franca van de online wereld.’

Natuurlijk, er kan bezwaar worden aangetekend. Sociale media mogen een apart geval zijn, maar het internet heeft ons fenomenale essays, kritiek en cultuur gebracht, duizendmaal beter dan wat de versleten babbelaars die ruimtes van oude media vulden klaarspeelden. Sociale media hebben die buitenstaanders, die voorheen niet gehoord werden, in staat gesteld om gelezen en gedeeld te worden, geholpen om de stoffige kamertjes van de oude bolwerken open te gooien, en stemmen binnengebracht die in hun eentje meer helderheid bezaten dan de stamelende hoofden binnen bij elkaar. Het internet is het allemaal, de parels en de poep. Het punt is meer dat er geen standaard is. Voor zover sociale media een apart instituut vormen, lijkt de opmerking van Loofbourow daar terecht. Het is een ruimte die drijft op wantrouwen, argwaan en trolling. Dat is echter geen teken van nakend illiberalisme in de samenleving als geheel – dat is nu eenmaal Twitter.

Het internet is het allemaal, de parels en de poep. Het punt is meer dat er geen standaard is.
Is cancel culture dan slechts de klacht van mensen die niet begrijpen wat sociale media zijn en doen? Dat lijkt toch te reductief. Cancel culture is er weliswaar niet zonder sociale media, maar ook niet zonder deelnemers. En online heeft bovendien de neiging offline naar zijn evenbeeld te vormen. Is het dan toch een bedreiging van de liberale cultuur?


Lees ook ‘Morrelen aan de macht: een recht tegen onrecht‘ van Persis Bekkering. Toen Ian Buruma door een ‘trial by twitter’ moest opstappen bij The New York Review of Books betoogde Persis Bekkering in de Nederlandse Boekengids dat onze beschaving niet zozeer gebaat zou zijn bij iets meer kalmte en vertrouwen in evoluerende instituties, maar eerder bij het erkennen van het structurele falen van die instituties in de bestrijding en berechting van intimidatie en machtsmisbruik. Ze opperde ook een verrassende uitweg.


4.

(Hoe vaak is de klacht over cancel culture slechts de aloude kinnesinne van een culturele elite, die er altijd geweest is en er altijd zal blijven, waarbij de rest van ons nu slechts live kan meekijken, kan meejoelen en partij kiezen – en hoe vaak is de klacht over cancel culture dus gewoon een poging om de schuld van die hatelijkheid in de schoenen te schuiven van passanten, om de schijn te kunnen ophouden dat die elite zelf een bastion van beschaving is?)

5.

Er is een zin van John Stuart Mill die in me rondzoemt sinds ik hem een tijdje geleden opnieuw las. ‘We hebben het recht,’ schrijft Mill in On Liberty (in het hoofdstuk over de stugge dilemma’s van vrijheid en het spook van de sociale tyrannie) om mensen wier gezelschap ons tegenstaat uit de weg te gaan,

om ons onwelgevallig oordeel over wie dan ook in handeling om te zetten, niet ter ondermijning van diens individualiteit, maar omwille van de uitoefening van die van ons. We zijn er niet toe verplicht, bijvoorbeeld, om hun gezelschap op te zoeken; we hebben recht het te vermijden (maar niet om met de vermijding te paraderen), omdat we recht hebben het gezelschap te kiezen dat ons het meest aanstaat.

De korte terzijde tussen haakjes lijkt me typisch voor de ongemakkelijke liberale balans die Mill zocht met de nieuwe democratische cultuur waarin hij schreef en dacht. Want hoewel de context waarin Mill die handeling plaatst in On Liberty zelf niet bijzonder duidelijk omschreven is, is het een boek dat thuishoort in een eeuw die zich kenmerkt door oprukkende democratie – en die om die reden het soort verstandelijk zeer wereldse, maar sociaal wat benauwde denkers als Mill voor nerveuze dilemma’s plaatste. Het ongemak dat tastbaar is bij Mill is een persoonlijk doorleefde variant van het ongemak dat zich meester maakt van een samenleving als geheel in tijden van grote sociale herschikking. Mills zinnen ontnemen door hun wat abstracte vorm het zicht op de context die erachter schuilt. In de passage voorafgaand aan de terzijde over het ‘paraderen met de vermijding’ spreekt Mill zich uit over de stijve vormelijkheid van Victoriaans Engeland, en dat die verstikkend is voor het vermogen open kaart te spelen met elkaar – om mensen aan te spreken op wat ze doen, en waarom dat weerstand oproept.

Het zou toch beslist goed zijn als het goede gebruik (om mensen openhartig van repliek te dienen, TK) met meer vrijheid zou worden toegepast dan de gewone noties over beleefdheid nu toelaten, en als men een ander gewoonweg zou kunnen zeggen waarom hij ze in gebreke vindt, zonder dat hij ongemanierd of aanmatigend overkomt.

Het is noodzakelijk voor het wereldbeeld van liberalen zoals Mill om hun eigen goede manieren te contrasteren met de kennelijk onoverkoombare lompheid van de massa.
Maar hoewel Mill de openhartigheid aanmoedigt, moet diezelfde openhartigheid ook een enigszins discrete zaak blijven, die niet tot spektakel van afrekening wordt gemaakt. Derden mogen niet worden uitgenodigd om te komen joelen en wijzen. Dit is Mill ten voeten uit, op het smalle randje tussen de democratie en de massa, tussen het emancipatoire herverdelen van macht die in democratie tot wasdom komt, en het soort discipline die hij nodig heeft om dat project niet in de handen te leggen van diegenen die hij gewoon te lomp vindt om te vertrouwen. Hij moedigt het egalitaire gebruik om elkaar tot de orde te roepen aan, maar probeert het schrikbeeld van de massa (die nooit het individualisme en de veronderstelling van geestelijke zindelijkheid gegund wordt die hij voor zichzelf opeist) met hooivorken af te wenden met een beroep op beschaafde wellevendheid. Mill zit gevangen tussen het verlangen naar vooruitgang en omwenteling aan de ene kant, en de hoop dat het sturen van die vooruitgang niet uit handen hoeft te worden gegeven. Het is noodzakelijk voor het wereldbeeld van liberalen zoals Mill om hun eigen goede manieren te contrasteren met de kennelijk onoverkoombare lompheid van de massa – de vormelijkheid van Victoriaans Engeland die hij deels afwijst leeft deels in hem voort. Democratie, maar voor nette mensen.

6.

Mill zou er waarschijnlijk geen enkele moeite mee hebben om cancel culture eenvoudig toe te schrijven aan de barbaarse neigingen van de massa – aan het verlangen naar wreed spektakel – en daarmee als bewijs van de noodzaak om de democratie in een korset te hijsen. Tegelijkertijd zou een verklaring langs die lijnen tekortschieten. Mill heeft gelijk dat er iets akeligs schuilt in het paraderen met de vermijding, omdat de suggestie wordt gewekt dat de kritiek enkel dient ter afrekening. Het is zo dat online de veroordeling veelal aan het feitenrelaas vooraf gaat. Ook als het oordeel achteraf terecht blijkt te zijn is dat een hachelijke zaak. En soms lijkt het spektakel een doel op zich – de pogingen van diegenen die in de maalstroom van een controverse terecht zijn gekomen om de verdrinking af te weren (door publieke schuldbelijdenissen of door te klagen over de manier waarop ze behandeld worden) zijn zelf onderdeel van het ritueel. Dit is Mills nachtmerrie. Het punt van vrijheid, stelde hij, was immers dat het de groei en ontwikkeling van individu en samenleving wederkerig versterkt. Een digitale perp walk dient nergens toe.

Critici van de paniek over cancel culture stellen echter dat de term een voetzoeker is, dat er een vorm van slachtofferschap wordt gecultiveerd die vals en leugenachtig is, en de aandacht afleidt van waar het om zou moeten gaan. Door cancel culture af te schilderen als Jacobinisme, als iets barbaars en buitenproportioneels, hult men zich in de mantel van martelaarschap. Het werk dat de term doet in de wereld, het doel dat gediend wordt door het aan te roepen, is het optrekken van een mistgordijn waarachter de inhoud van de kritiek verdwijnt, en de controverse vervolgens kan worden voorgesteld als iets anders – een principezaak over de vrijheid van meningsuiting. Of de kritiek terecht is of onterecht, dat doet er niet meer toe zodra de term in stelling is gebracht. Het gaat niet meer over de inhoud, maar over de vorm.

Bovendien, stellen critici, is die afrekencultuur er domweg niet, althans niet op een wrede, disproportionele of onterechte manier. Verruil het woord cancel voor criticism, en zie waar het echt om gaat. Wie klaagt over cancel culture kan er eenvoudigweg niet mee omgaan dat mensen nu de mogelijkheid hebben om terug te praten, om hun kritiek met de macht van het getal uit te rusten, en zo tegenstand te mobiliseren waar sommigen eigenlijk al lang aan hadden moeten blootstaan. Dat die kritiek een einde kan maken aan de posities die mensen innemen, omdat de instituties die ze van die positie voorzagen voorheen zelf in gebreke bleven, is niets om over te jammeren; hier is een publieke dienst bewezen.

Op de vraag of cancel culture uiting is van Jacobinisme of van een te lang uitgestelde mogelijkheid om terug te praten, is het antwoord dat er geen betekenisvolle tegenstelling is. Cancel culture is twee in een: het is het Forum en het Colosseum.
Toch lijkt dat op een vergelijkbaar soort zelfvleierij die Milliaanse liberalen zich aanmeten als ze het verschil tussen hun eigen verfijning en de lompheid van de massa aanvoeren als argument ter rechtvaardiging van hun positie. Beiden matigen zich de gedachte aan dat hun rol bij voorbaat van rechtvaardiging is voorzien; dat de rechtvaardiging als vanzelf met hen is.

Het is die patstelling die denken over cancel culture zo vermoeiend maakt – al hoeft het niet zo te zijn. Op de vraag of cancel culture uiting is van Jacobinisme of van een te lang uitgestelde mogelijkheid om terug te praten, is het antwoord dat er geen betekenisvolle tegenstelling is. Cancel culture is twee in een: het is het Forum en het Colosseum.

7.

Liberalen weten zelden goed of ze het protest van mensen die ze als minder gedistingeerd dan zichzelf zien als gerechtvaardigd moeten beschouwen, of vrezen als aankondiging van politiek onheil. Dit is de kern van hun ongemak met de democratie: het volk uit hun theorie vervult de noodzakelijke taak om de democratie en haar instituties van legitimiteit te voorzien. Maar als het volk haar macht niet langer aan die instituties in bruikleen geeft maar zich opricht en mobiliseert, dan vormt het een bedreiging. Dit was het blijvende ongemak van de Revolutie, waar een compromis mee gesloten moest worden. Het volk werd soeverein, maar zou passief zou blijven, en zich ermee tevreden stellen dat het in burgerlijke kalmte een aantal rechten en voorrechten genoot, terwijl een verlichte klasse zich verder zou ontfermen over haar welbegrepen belangen, en het bestuur van de polis.

Zoals politici in een liberale democratie de voorkeur geven aan een volk van bedaagde consumenten, hopen de hoeders en functionarissen van haar publieke sfeer op een publiek van fans, abonnees en meeklappers. Het is dat model van de publieke sfeer dat in de anarchistische, chaotische democratie online geen stand kan houden. Sarah Jeong stelde dat cancel culture niet de zwanenzang is van het vrije debat, maar van een specifieke vorm van poortwachterschap: de poortwachter die binnen de publieke sfeer een bevoorrechte rol innam. De fenomenen die vaak worden toegeschreven aan het internet, van deplatforming tot cancel culture, bestonden altijd al, maar het arsenaal was exclusief toegankelijk voor een kleine groep. Die schaarste komt echter steeds meer ten einde, en het meest in het oog springende verschil is eigenlijk alleen dat we niet zozeer allemaal poortwachters zijn geworden, maar uitsmijters.

8.

Wie met dat perspectief kijkt naar cancel culture ziet een vraag over macht en instituties, en over een vorm van poortwachterschap (of uitsmijterschap) die radicaal gedemocratiseerd is. De macht om die taak uit te oefenen wordt uit bruikleen teruggevorderd. Maar die macht is wel eerst door iedereen als legitiem erkend.

Wie probeert een positie te verwerven in die moderne, online publieke sfeer, en het publiek een actieve rol gunt als breekijzer, moet toch ook begrijpen dat hetzelfde publiek haar gezag net zo goed met tomaten kan laten gelden.
Oorzaak en gevolg moeten uit elkaar gehouden worden. Cancel culture is het spiegelbeeld van een beweging binnen de publieke sfeer om online op een meer directe manier legitimiteit te verwerven. Het is geen uitvinding van het internet – het is een consequentie van de macht die op enig moment aan het internet is toegekomen. Het begint met de uitbreiding van de publieke sfeer naar online, met blogs en krakkemikkige websites, met de eerste sociale media, en van de andere kant met media, radio- en televisieomroepen, ‘sterjournalisten’, en publieke figuren in allerlei gedaanten die uit de bastions braken om de wereld online te integreren – soms uit eigenbelang, soms vanuit een passief verlangen om gewoon met de tijd mee te gaan. Reputaties zijn gemaakt, sterren zijn gerezen. Diverse nieuwe columnisten, die zich bij uitstek ophouden tussen de wereld online en de wereld van papier, hebben de rol van broodschrijver en trol weten te combineren tot een verdienmodel. Het lawaai dat ze genereren online bestendigt hun status in de binnenwereld, en hun deelname aan de binnenwereld is wat ze de credenties geeft om online een plaats te claimen. Maar wie probeert een positie te verwerven in die moderne, online publieke sfeer, en het publiek een actieve rol gunt als breekijzer, moet toch ook begrijpen dat hetzelfde publiek haar gezag net zo goed met tomaten kan laten gelden.

De meest bittere controverses in cancel culture, inclusief de schermutselingen aan universiteiten, gaan over vragen die in afwezigheid van een krachtig besef van identiteit konden opborrelen: wat is The New York Times, voor wie is NRC Handelsblad, waartoe dient de universiteit?
Cancel culture is daarmee een bevestiging van het feit dat de gevestigde instituties van de publieke sfeer in verwarring zijn over zichzelf, hun roeping, en hun identiteit (en ook soms domweg niet meer weten hoe nog economisch te overleven). Soms probeerde men die verwarring op te lossen met uit stuurloosheid geboren schijnpluralisme (‘We zijn een platform’), of met de herrie en het getal, en hoopte men de ophefmachine te kunnen gebruiken voor eigen gewin (‘Er is veel ophef, we zullen wel iets goeds doen’). Het resultaat van die houding was dat de instituties vrijwillig hun poortwachterfunctie opgaven, waardoor een leger uitsmijters zich door een kier naar binnen begon te wurmen. Sommige van de meest bittere controverses die onder cancel culture geschaard kunnen worden, inclusief de schermutselingen aan universiteiten, gaan over vragen die in afwezigheid van een krachtig besef van identiteit konden opborrelen: wat is The New York Times, voor wie is NRC Handelsblad, waartoe dient de universiteit?

Proberen te spreken over cancel culture in de taal van twintigste-eeuwse trauma’s doet te weinig recht aan de complexe werkelijkheid van eenentwintigste-eeuwse nieuwigheden.
Maar al deze vragen betekenen niet meteen dat de vrijheid op het punt van verdwijnen staat. Ook hebben ze weinig te maken met de vraag of bijvoorbeeld de staat, rijkaards die rechtszaken tegen journalisten aanspannen, of bedrijven die zich verschuilen achter een leger voorlichters de vrije nieuwsgaring en gedachtevorming onmogelijk maken. Waar die vragen meer mee te maken hebben is eigenaarschap, publiek, vertegenwoordiging en het gebruik van platforms. Proberen te spreken over cancel culture in de taal van twintigste-eeuwse trauma’s doet te weinig recht aan de complexe werkelijkheid van eenentwintigste-eeuwse nieuwigheden.

9.

Macht moet geïnstitutionaliseerd worden, of willekeurig, onbeheersbaar en grenzeloos blijven. Dat is een onaantrekkelijk, in sommige opzichten ook akelig vooruitzicht. Een klacht over cancel culture snijdt hout: het feit dat de chaotische, niet-geïnstitutionaliseerde vorm van macht die eraan ten grondslag ligt ongebonden en ongericht is – en slechts kan worden gemobiliseerd om dingen in een grote uitbarsting van energie omver te stoten, terwijl de executeurs bovendien het recht opeisen te beoordelen of hun eigen dadendrang geëigend is. Door het oprekken van de vraag wat ‘politiek gemaakt’ kan worden is dat probleem bovendien opgezwollen, en haast alomtegenwoordig geworden. Niets doen is een overgave aan willekeur en razernij. Dat is onhoudbaar.

Cancel culture is Forum en Colosseum. De taak is nu om de twee niet te verwarren, en onderscheid te maken tussen wat woest is, en wat onmisbare kritiek en politieke strijd.
De beste reactie op cancel culture is niet een onthutste vingerwijzing vanaf de bladzijden van Harper’s, maar engagement. De anarchistische publieke sfeer van het internet gaat niet weg, en haar macht ook niet, deels omdat die nu eenmaal te groot en verleidelijk is gebleken om niet aan te roepen. Cancel culture is Forum en Colosseum. De taak is nu om de twee niet te verwarren, en onderscheid te maken tussen wat woest is, en wat onmisbare kritiek en politieke strijd.

Het zou wellicht een goed idee zijn om het oude idee van pluralisme en de vrijheid van vereniging een renaissance te laten doormaken. Zoals Osita Nwanevu schreef in The New Republic: in elke liberaal-democratische samenleving heeft de vrijheid van meningsuiting altijd op gelijke voet gestaan met de vrijheid van vereniging, en het is geen tegenstrijdigheid om instituties te handhaven die zijn georganiseerd op basis van enkele ononderhandelbare waarden. Cancel culture vraagt om de herwaardering van een zelfbewust, robuust pluralisme in institutionele vorm, en de integratie van de online wereld in die instituties – of zelfs om de creatie van nieuwe instituties. Dat zal moeilijk zijn, maar het is een weg vooruit. Cancel culture is geen signaal om de luiken te sluiten. Het is een uitdaging om, zoals een oud politicus eens zei, een revolutie te maken voor die uitbreekt; om kanalen te graven voor burgers en hun frustraties naar de centra van de macht.