De betekenis van Mark Rutte
Jouke Huijzer


Kritiek op zijn beleid heeft zelden repercussies voor de positie van Mark Rutte zelf. Dat blijkt andermaal na het geregisseerde aftreden van Rutte III, nu de demissionair premier met overweldigende dominantie in de peilingen alweer in de startblokken staat voor Rutte IV, schrijft Jouke Huijzer. Of zal de aanzwellende kritiek op de Rutte-doctrine van bestuurlijke verhulling, in belangrijke mate verantwoordelijk voor het voortduren en de escalatie van de toeslagenaffaire, zijn achilleshiel blijken?


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Richard Seymour, The Meaning of David Cameron (Zero Books 2010), 107 blz.
Alain Badiou, The Meaning of Sarkozy (vert. David Fernbach, Verso 2010), 128 blz.

Dit essay verscheen in dNBg 2021#1

Toen Mark Rutte eind 2010 aantrad als minister-president, trad hij ook toe tot een gezelschap van rechts-conservatieve mannelijke regeringsleiders die op dat moment een gezicht gaven aan de Europese politiek. In het Verenigd Koninkrijk was de coalitie van de Tories en Liberal Democrats net van start gegaan onder leiding van David Cameron, in Frankrijk was Nicolas Sarkozy net over de helft van zijn eerste (en enige) termijn, en in Italië kwam de vierde en laatste) termijn van Silvio Berlusconi een jaar later vroegtijdig ten einde.

Bij veel politiek commentatoren leidde deze dominantie van rechtse regeringsleiders in een tijd van groeiende economische misère destijds tot enige verwarring. Had de crisis niet juist links de wind in de zeilen moeten blazen? In het buitenland leidde dat tot discussie over wat deze rechtse golf vertelde over de tijd en wat de leiders symboliseerden. In het VK zocht Richard Seymour bijvoorbeeld in zijn The Meaning of David Cameron een antwoord op de vraag hoe het Cameron als leider van de Tories gelukt was om toch de verkiezingen in te gaan als (ogenschijnlijk) progressieve kandidaat. Het boek was mede geïnspireerd op het eerder verschenen The Meaning of Sarkozy (oorspronkelijk De quoi Sarkozy est-il le nom?) van de Franse filosoof Alain Badiou, waarin hij diens ideologische project onderzocht.

Van Ruttes tijdgenoten hebben alleen Angela Merkel en Viktor Orbán een langere staat van dienst.
Over Rutte zijn inmiddels de nodige boeken geschreven, maar er zijn nauwelijks titels waarin verklaringen worden gezocht voor zijn succes, en waarin onderzocht wordt wat het succes van Rutte ‘betekent’ en zegt over deze tijd. En dat terwijl Rutte, in tegenstelling tot bovengenoemde leiders, onlangs nog zijn tweede lustrum kon vieren en nog altijd de langstzittende Europese regeringsleider in decennia kan worden. Van Ruttes tijdgenoten hebben alleen Angela Merkel en Viktor Orbán een langere staat van dienst. In het geval van Orbán is dat succes te danken aan zijn snelle ontmanteling van de liberale democratie in zijn land, terwijl Merkels succes vooral wordt toegeschreven aan haar morele standvastigheid en staatsvrouwschap. Maar aangezien die eigenschappen bij Rutte ver zijn te zoeken, blijft het vooralsnog gissen naar ‘de betekenis van Mark Rutte’; hetzij omdat Rutte niet in één betekenis te vatten is, hetzij omdat het niet meer dan een middellang essay als dit vergt om een schets te geven van het beetje betekenis dat Rutte in zich draagt.

Rutte als kameleon

Sheila Sitalsing, Mark: portret van een premier (Prometheus 2016), 166 blz.

De politieke nalatenschap van Rutte lijkt op het eerste gezicht in elk geval verre van eenduidig te zullen worden. Sheila Sitalsing laat in Mark: portret van een premier zien hoe Rutte zowel in aanloop naar, als tijdens zijn premierschap vaak van kleur veranderde. In de jaren negentig stond hij nog recht tegenover Frits Bolkestein en bepleitte hij een kabinet met de PvdA. In de jaren nul probeerde hij zelfs furore te maken met ‘Groen Rechts’. Datzelfde decennium wist hij maar nipt de VVD-lijsttrekkersverkiezingen van Rita Verdonk te winnen, om haar vervolgens uit de partij te zetten. Toen hij in 2010 echter aantrad als premier, deed hij dat met een kabinet ‘waar rechts Nederland zijn vingers bij af zou likken’. Al snel kwam hij bekend te staan als de ‘weglachpremier’, maar men moet niet vergeten dat hij bij zijn eerste optreden in de Kamer alom werd geprezen om het feit dat hij, in tegenstelling tot zijn voorganger Jan Peter Balkenende, wel klare taal sprak en heldere antwoorden gaf.

Al snel kwam hij bekend te staan als de ‘weglachpremier’, maar men moet niet vergeten dat hij in tegenstelling tot zijn voorganger Jan Peter Balkenende, wel klare taal sprak en heldere antwoorden gaf.
Die roem zou hem snel vergaan in zijn tweede termijn. ‘Nu doet u het weer’, zei Diederik Samsom tijdens de verkiezingscampagne van 2012, waarmee hij verwees naar Ruttes neiging om feiten te verdraaien over andermans programma om zijn eigen verhaal er zo beter uit te laten komen. Het leverde Samsom net niet genoeg stemmen op om het stokje van Rutte over te kunnen nemen. Toch gingen Rutte en Samsom een paar weken later samen in zee en werd het kabinet-Rutte II een feit. Voor Rutte zou dit vooral het kabinet van de gebroken beloftes worden: iedere werkende Nederlander zou er achthonderd euro bij krijgen, er zou geen nieuw steunpakket naar Griekenland gaan, en de hypotheekrenteaftrek stond als een huis bij de VVD. Stuk voor stuk moest Rutte terugkomen op deze eerdere ‘harde beloftes’. Desondanks ging de gevoerde koers maar deels ten koste van zijn VVD en was het vooral de PvdA die de electorale rekening moest betalen voor het noodgedwongen, maar bovenal ongelukkige huwelijk. Een huwelijk dat vooral werd gesloten om Nederland uit de economische crisis te trekken, maar dat uiteindelijk langer zou duren dan velen verwachtten en misschien wel dan nodigwas. Rutte II werd niet alleen het eerste kabinet sinds Kok I (1994-1998) dat de volledige regeringstermijn volmaakte, maar zelfs het langstzittende kabinet in de Nederlandse geschiedenis.

Het werd een huwelijk dat vooral werd gesloten om Nederland uit de economische crisis te trekken, maar dat uiteindelijk langer zou duren dan velen verwachtten.
Bij de verkiezingen van 2017 kreeg Rutte een aantal nieuwe labels opgeplakt. Jesse Klaver noemde hem ‘zo glad als een aal’. Rutte kon als geen ander ‘vragen ontwijken, niet ingaan op argumenten van anderen en puur zijn eigen verhaal vertellen’. Toen Rutte na de verkiezingen met CDA, D66 en eerst GroenLinks en daarna de ChristenUnie onderhandelde over een nieuw kabinet, speculeerde Marianne Thieme op de mogelijkheid dat Rutte wel eens een ‘groene kameleon’ zou kunnen blijken. ‘Als JOVD-voorzitter,’ zo stelde Thieme, ‘pleitte hij al voor milieuheffingen. Hij vond dat als twintiger belangrijker dan het terugdringen van de staatsschuld.’ Maar ondanks de ‘grootste investering in duurzaamheid ooit’, zouden de duurzame plannen van Ruttes moeizaam tot stand gekomen derde kabinet onvoldoende zijn voor de Partij voor de Dieren en de overige linkse oppositie. Ook schoten ze tekort om de internationale klimaatafspraken te halen, zeker toen die ambities in hun uitwerking en onder druk van de boerenprotesten ook nog eens gradueel werden teruggeschroefd.

Rutte als crisismanager

Rutte III zou in eerste instantie vooral gekenmerkt worden door Ruttes geheugenverlies: van de meer dan zeventig burgerdoden in Irak tot de memo’s over de afschaffing van de dividendbelasting, Rutte had er in zijn eigen woorden ‘geen actieve herinneringen aan’. Hoewel hij er wel mee wegkwam, zou die afschaffing van de dividendbelasting het uiteindelijk niet halen. Eerder dat jaar had het kabinet zelf het niet-bindende correctieve adviserend referendum ongedaan gemaakt. Beide maatregelen konden worden toegevoegd aan de steeds langer wordende lijst van plannen die onder Ruttes bewind gerealiseerd moesten worden maar het uiteindelijk niet haalden, of die het wel haalden, maar uiteindelijk toch weer werden teruggedraaid: de langstudeerdersboete, de strafbaarstelling van ongedocumenteerdheid, de eerst niet en toen toch wel versnelde afbouw van de hypotheekrenteaftrek en uiteraard de snelheidsverhoging naar honderddertig kilometer per uur.

Je kunt je uiteraard afvragen of een premier die een half jaar eerder de stikstofcrisis en bijkomende boerenprotesten nog tot de ‘grootste crisis uit zijn loopbaan als premier’ had verklaard de aangewezen persoon was om ook de ‘coronacrisis’ het hoofd te bieden.
Toch zal Rutte III waarschijnlijk vooral herinnerd worden vanwege de aanpak van de coronacrisis. Je kunt je uiteraard afvragen of een premier die een half jaar eerder de stikstofcrisis en bijkomende boerenprotesten nog tot de ‘grootste crisis uit zijn loopbaan als premier’ had verklaard de aangewezen persoon was om ook de ‘coronacrisis’ het hoofd te bieden, maar Rutte liet zich van zijn beste kant zien. Schatplichtig aan zijn liberale ideologie, en toch ook een beetje aan de vrijzinnige erfenis van de jaren zestig, bleef hij zorgvuldig uit de buurt van de etatistische oplossing die veel Zuid-Europese landen volgden, noch liet hij zich verleiden tot oorlogsretoriek als die van de Franse president Emmanuel Macron. Evenmin sloeg hij de stoere mannentaal uit, zoals die in het VK of in de VS klonk, om de boel vervolgens op zijn beloop te laten. Rutte koos ervoor om mensen op hun eigen verantwoordelijkheid aan te spreken en kreeg daarin een aanzienlijk deel van de bevolking mee, ondanks het feit dat hij zich wat maatregelen betreft tot het strikt noodzakelijke beperkte. Zijn ‘intelligente lockdown’ leek de nodige vruchten af te werpen: ondanks de beperkte maatregelen was de oversterfte hier bijvoorbeeld lager dan in België, Zweden of Groot-Brittannië, waar veel strenger of juist veel minder streng beleid werd gevoerd.

Petra de Koning, Mark Rutte (Brooklyn 2020), 220 blz.

Ook Petra de Koning laat in haar boek Mark Rutte zien hoe Rutte op zijn best is als politiek gereduceerd wordt tot crisismanagement, tot het oplossen van één concreet probleem. Zijn ‘toespraak tot het Nederlandse volk’ had wellicht niet het élan van die van Joop den Uyl een kleine halve eeuw eerder, maar hoewel Rutte minder de allure van een staatsman heeft, is hij daardoor wel benaderbaarder. Aan het begin van zijn loopbaan leek dat wat gespeeld, alsof hij vooral van pr-coaches en debatexperts had geleerd te speechen en van vlotte salesmannetjes hoe hij zich joviaal op moest stellen – om maar niet over te komen als een louter politiek-inhoudelijk georiënteerde nerd. Inmiddels lijkt hij dat joviale behoorlijk onder de knie te hebben en weet hij dit moeiteloos te combineren met een meer natuurlijk aangemeten zakelijkheid. Tijdens de coronacrisis wist hij in elk geval precies de juiste toon aan te slaan en maakte hij zich mateloos populair met zijn ‘we kunnen nog tien jaar poepen’. Politieke junkies werden ook nog getrakteerd op een inkijkje in zijn werkkamer om er, na grondige analyse van zijn boeken en cd’s, heimelijk aan herinnerd te worden dat Rutte eigenlijk concertpianist had willen worden, maar dat hij die highbrow interesses (of linkse hobby’s, zo je wilt) liever verbergt. In alle gelederen van de samenleving steeg Ruttes populariteit dankzij de crisisaanpak naar niet eerder bereikte hoogten. Had de pandemie maar één golf geduurd, dan had de oppositie nauwelijks serieus in het geweer durven komen tegen het gevoerde beleid.

Rutte als polderaar

Is er in deze drie kabinetten en tien jaar Rutte ondertussen ook nog een zekere continuïteit waar te nemen? Moeten we Rutte en zijn kabinetten als een breuk met het verleden beschouwen, of ging hij verder op hetzelfde pad als zijn voorgangers? De verschenen boeken over Rutte wagen zich eigenlijk nauwelijks aan deze vragen. Sitalsing vertelt aan de ene kant het verhaal van de sobere single die een oude Saab rijdt, in een driekamerappartement woont, elke donderdag maatschappijleer geeft en ’s zondags koffiedrinkt met zijn bovenbuurvrouw. Anderzijds zet ze met trefzekere penseelstreek een ontluisterend beeld neer van Rutte als een man die geen enkele moeite heeft met welk denkbeeld dan ook, zolang de uitdragers maar bereid zijn om deals met hem te sluiten. Vanuit deze beelden abstraheert Sitalsing niet verder, maar aan het einde is het raak wanneer ze schrijft dat, door de ideeënstrijd uit de politiek te halen, ook het morele appel is verdwenen.

De Koning wacht niet tot het einde met duiden, maar karakteriseert Ruttes leiderschap al aan het begin met het toverwoord ‘meeveren’ en heeft daarbij veel oog voor de ingrepen die nodig waren om tot de vele akkoorden te komen.
De Koning wacht niet tot het einde met duiden, maar karakteriseert Ruttes leiderschap al aan het begin met het toverwoord ‘meeveren’. Daarna volgt geen chronologische beschouwing van Ruttes wervelende opgang, maar een gedetailleerde beschrijving van hoe vele politieke manoeuvres zijn persoonlijke leven doorkruisen. Een leven dat overigens betrekkelijk saai lijkt – met vragen als ‘hoe schud je Donald Trump de hand?’ als centrale kwesties – maar omdat het toch over zaken gaat die ons allemaal aangaan blijft het boek spannend. De Koning heeft veel oog voor de ingrepen die nodig waren om tot de vele akkoorden te komen. Nadat zijn eerste kabinet begon met het gedoogakkoord en werd afgesloten met het ‘lente-akkoord’, volgden in 2013 het energieakkoord en het woonakkoord, in 2015 het belastingakkoord en meer recent het pensioenakkoord en klimaatakkoord. De Koning bespreekt niet wat deze akkoorden opleverden, maar voert nu en dan feiten of randfiguren op die de consequenties van Ruttes politiek inzichtelijk maken: een Marokkaans-Nederlandse oud-leerling die eerder ondanks, dan dankzij Rutte opklom, zelfstandigen in de cultuursector, en mensen die ooit in sociale werkplaatsen werkten maar nu thuiszitten. Daarnaast bespreekt ze uiteraard de Europese Unie, waar Rutte steeds maar dwarsligt, terwijl Nederland bij lange na zijn Europese targets niet haalt op dossiers als duurzame energie. Op dat vlak neemt Nederland met minder dan tien procent energie uit hernieuwbare bronnen inmiddels een solide laatste plaats in.

Interessanter wordt het wanneer De Koning laat zien wanneer dat meeveren van Rutte maar weinig oplevert: bij principiële onverzettelijkheid. CDA-senator Hannie van Leeuwen betoonde zich onbuigzaam toen Rutte staatssecretaris van Sociale Zaken was, en PvdA-senator Adri Duivesteijn weigerde mee te werken aan de zorghervorming van Rutte II. Beiden kregen hun zin en beiden golden als uitzonderingen, want zelden wordt Rutte echt tegenwicht geboden.

Rutte als teflon

Martijn van der Kooij & Dirk van Harten, Mark Rutte: alleen voor de politiek (Terra 2010), 125 blz.

Inderdaad heeft kritiek op zijn beleid zelden repercussies voor Mark Rutte zelf. Waar de boeken over hem vooral oog voor hebben is hoe hij als geen ander weet hoe je moeilijke vragen of dossiers moet ontwijken, zijn eigen beleid kan depolitiseren en, vooral, hoe hij zelf buiten schot blijft. Terwijl de VVD-ministers bij bosjes moesten vertrekken uit zijn kabinetten kreeg Rutte het zelf nooit zwaar te verduren, ook al weigerde hij consequent zijn aftredende collega’s, wat ze ook uithaalden, publiekelijk af te vallen. Rutte verlaat zich niet op grote woorden of historische uitspraken, maar manoeuvreert zich zonder grote stemmingmakerij langs alle kritiek heen.

Rutte verlaat zich niet op grote woorden of historische uitspraken, maar manoeuvreert zich zonder grote stemmingmakerij langs alle kritiek heen.

Dat gebrek aan grote woorden is Rutte, zeker in de eerste helft van zijn premierschap, vaak op kritiek komen te staan: hij zou geen visie hebben. Martijn van der Kooij en Dirk van Harten komen in Mark Rutte: alleen voor de politiek misschien nog wel het dichtst bij een omschrijving van Ruttes politieke ideologie of visie, al is niet helemaal duidelijk of het niet meer om hun eigen voorkeuren gaat die ze enthousiast op Rutte projecteren. In elk geval wijzen ze er wel op dat Rutte in 2008 het nieuwe beginselprogramma van de VVD schreef en nemen ze in hun karakterisering daarvan zelfs het woord ‘neoliberaal’ in de mond. Rutte zelf heeft sinds dit beginselprogramma nauwelijks nog aan zijn visie gewerkt: in zijn HJ Schoo-lezing uit 2013 noemde hij tot genoegen van commentatoren en satirici visie een ‘olifant die het uitzicht belemmert’. ‘Ik geloof niet in alomvattende blauwdrukken waarmee maatschappelijke problemen in één klap op te lossen zouden zijn,’ zo vervolgde Rutte, ‘daar word ik als liberaal altijd een beetje wantrouwend van.’

Met zo’n uitspraak past Rutte volledig in het plaatje van een Nederlandse bestuurselite die al nooit echt warmliep voor ideologie, abstracties of politieke vergezichten. Van Harten en Van der Kooij maken vooral een vergelijking met Willem Drees, omdat die ook de reputatie had sober te leven. Ik zou eerder stellen dat Rutte thuishoort in het rijtje Balkenende, Kok en Lubbers, die Rutte allemaal voorgingen in het voeren van een troebele politiek van compromissen, achterkamers en depolitisering: van het ‘akkoord van Wassenaar’ (Lubbers), het afschudden van de ‘ideologische veren’ (Kok) tot de nauwelijks expliciet gemaakte ‘normen en waarden’ (Balkenende). Terwijl Balkenende op het eind van zijn premierschap nog kwam met de ‘VOC-mentaliteit’, kwam Rutte na zijn ‘visie als olifant’-lezing niet veel verder dan Nederland voor te stellen als een ‘vaasje dat we met zijn allen vasthouden’. Al mag Rutte zich de eerste liberale premier in een kleine eeuw noemen, wat visie betreft verschilt hij nauwelijks van zijn voorgangers.

Toch, als er iets als ‘ruttiaans’ bestempeld kan worden, is het juist dit soort retorische trucs waarbij kritiek niet wordt bestreden, maar wordt gecultiveerd en als een kracht wordt gepresenteerd. De afwezigheid van een visie is geen gebrek, maar juist van nut. Als de kritiek op afschaffing van de dividendbelasting zelfs binnen zijn eigen partij aanzwelt gaat hij mee in de kwalificatie van de oppositie en erkent hij dat het een ‘bizarre’ maatregel is ‘want niemand geeft voor zijn lol 1,9 miljard aan buitenlandse aandeelhouders’, maar houdt hij er niettemin aan vast. Als er net als in Frankrijk en België een gelehesjesbeweging dreigt te ontstaan in Nederland, toont Rutte zich niet afkerig. Hij trekt zelf zo’n hesje aan en wekt de indruk zich aan de kant van de critici op het gevoerde (lees: zijn eigen) beleid te scharen.

Rutte als populist

Maar soms gaat Rutte een stapje verder en maakt hij een enkele provocatie die vervolgens, bij gebrek aan andere grote ideologische vertogen of historische uitspraken, breed wordt uitgemeten in de media. Vooral in aanloop naar de verkiezingen zet hij graag een stapje naar rechts: treitervloggers noemde hij ‘tuig van de richel’, mensen die hulpverleners lastigvielen met oud en nieuw zou hij ‘het liefst allemaal persoonlijk in elkaar slaan’, tegen jongeren die een NOS-cameraploeg wegjaagden zei hij ‘pleur op’, en ook bij de recente rellen in Den Haag en Utrecht legde hij de verantwoordelijkheid elders en vroeg hij zich af ‘wat die ouders aan het doen zijn dat ze dit toelaten’. Samenvattend: ‘doe normaal of ga weg’.

Ondertussen lijkt de VVD steeds verder afgedwaald van Ruttes oorspronkelijke, meer tolerante koers. Op het gebied van vluchtelingenbeleid en migratie staat het VVD-standpunt inmiddels veel meer in de traditie van Bolkestein en Ruttes eerste belangrijke tegenspeler, Rita Verdonk.
Dit soort spierballentaal wordt in de politicologie ook wel ‘parotting the pariah’ genoemd en kan niet los worden gezien van de opkomst van radicaal-rechts. Het geldt tevens als een belangrijke drijfveer achter de algemene verrechtsing die we de afgelopen decennia zien en de afgelopen tien jaar in een stroomversnelling kwam. In reactie op de opkomst van radicale partijen bestempelt het establishment deze ‘uitdagers’ eerst als paria, om vervolgens veel van hun retoriek en standpunten over te nemen. Als schoolvoorbeeld geldt de verkiezing van Nicolas Sarkozy in 2007, waarin hij de decennialange strategie van uitsluiting van Jean-Marie Le Pens Front National door links en rechts verving door een strategie van imitatie, zodat het leeuwendeel van Le Pens kiezers de overstap naar hem maakte. Tegelijkertijd vertroebelde hij daarmee de lijn tussen wat als acceptabel en onacceptabel werd gezien in de Franse politiek. Veel commentatoren binnen Frankrijk zagen Le Pens electorale verlies als een overwinning van diens ideeën. Ook Rutte heeft Wilders inmiddels uitgesloten – tot ‘paria’ verklaard – als coalitiepartner wegens zijn ‘minder, minder’-uitspraken, maar ondertussen lijkt de VVD steeds verder afgedwaald van Ruttes oorspronkelijke, meer tolerante koers. Op het gebied van vluchtelingenbeleid en migratie staat het VVD-standpunt inmiddels veel meer in de traditie van Bolkestein en Ruttes eerste belangrijke tegenspeler, Rita Verdonk.

Maar radicaal-rechts vervult voor Rutte uiteindelijk vooral een instrumentele functie. Zo zoekt hij soms actief de confrontatie met de uitdagers of ‘het verkeerde populisme’ van de PVV (in 2017) en het FvD (in 2019). Op die manier probeert hij een soort tweestrijd te creëren en daarmee de linkse partijen verder buitenspel te zetten. Het blijft de vraag in hoeverre hij die ‘verkeerde populisten’ werkelijk als probleem ziet. Zo heeft Rutte er geen moeite mee om vanuit Davos een foto van hemzelf schouder aan schouder met de extreemrechtse Braziliaanse president Jair Bolsonaro de wereld in te sturen. Donald Trump moest vooral als ‘een kans’ worden gezien terwijl het probleem bij de ‘witte wijn sippende Amsterdamse elite’ zou liggen.

In zekere zin is Ruttes strategie van verrechtsing om radicaler rechts klein te houden niet meer dan een kopie van Sarkozy, al nam deze de ideeënstrijd een stuk serieuzer.
Het is aanlokkelijk om tien jaar Rutte daarmee in de eerste plaats te karakteriseren als tien jaar verrechtsing en hem net als Sarkozy als de ‘mainstreamer’ van radicaal-rechts te beschouwen. Maar helemaal terecht is deze karakterisering niet. In zekere zin is Ruttes strategie van verrechtsing om radicaler rechts klein te houden niet meer dan een kopie van Sarkozy, al nam deze de ideeënstrijd een stuk serieuzer. Badiou voert de Franse president in The Meaning of Sarkozy bijvoorbeeld op als een soort ‘rattenman’ die frontaal de aanval in had gezet op de ‘68-ers en alles waar het hen om te doen was geweest ongedaan wilde maken. Werkelijk bestaand communisme was al verdwenen, maar nu was het voor Sarkozy ook zaak om de idee, hun stip aan de horizon voorgoed weg te vagen. In de gelederen van de PvdA, zo schrijven Van der Kooij en Van Harten, is in een campagnefilmpje ook wel eens geprobeerd om Rutte als ‘rat’ op te voeren. Rutte kon dat simpel afdoen door het ‘treurig’ te noemen dat de PvdA zich daartoe verlaagde en zo gleed ook dit beeld gladjes van hem af. Nee, Rutte springt niet in de bres om de ‘nationale identiteit’ te verdedigen, hij bewijst met zijn uithalen simpelweg soms lippendienst aan de nationalistische flank van zijn partij.

Rutte als premier van alle Nederlanders?

Veel meer dan een facilitator van verrechtsing vertegenwoordigt Rutte de vervolmaking van de bijna antipolitieke houding van de Nederlandse gevestigde orde. Hij geldt niet als aanjager, maar voegde simpelweg een decennium toe aan de verrechtsing die al dertig jaar gaande was. Rutte onderscheidt zich niet kwalitatief, maar vooral kwantitatief van zijn voorgangers: hij is veranderlijker, pragmatischer, ongrijpbaarder, maar daarmee ook minder gewichtig of gewoon nietszeggender. Op zoek naar de betekenis van Mark Rutte kunnen we hem vooral beschouwen als de perfectionering van een lange traditie in het Nederlandse politieke establishment, dat naar rechts beweegt als de kritiek van rechts het luidst klinkt en naar links gaat als daar tegenwicht wordt geboden.

Als leidend principe strekt laissez-faire voor Rutte tot ver buiten de vrije markt. Pas toen ondanks de coronapandemie duizenden mensen in verschillende steden de straat opgingen tegen racisme en politiegeweld erkende Rutte ineens dat racisme ook in Nederland voorkomt.
Ruttes veranderende opstelling in het Zwarte Pietendebat – toch ook een cultureel-politieke discussie die het afgelopen decennium (en daarmee zijn premierschap) definieert – zou als schoolvoorbeeld kunnen gelden. Protesten die al in 2009 begonnen resulteerden in 2014 in een rapport van de VN dat concludeerde dat Zwarte Piet inderdaad een racistische karikatuur was en de traditie aangepast diende worden. Rutte verwees het rapport naar de prullenbak en weigerde er als premier inhoudelijk op in te gaan: ‘dan lijkt het net alsof ik daar beleidsopvattingen over heb’. In 2015 merkte hij nog dat ‘het echt uitmaakt of je Mohammed of Jan heet als je solliciteert’. Maar, zo vervolgde Rutte, ‘ik heb daarover nagedacht en ben tot de conclusie gekomen dat ik dat niet kan oplossen. De paradox is dat de oplossing bij Mohammed ligt. (…) Nieuwkomers hebben zich altijd moeten aanpassen en altijd te maken gehad met vooroordelen en discriminatie. Je moet je invechten.’ Zelfs toen actiegroep Kick Out Zwarte Piet tijdens een besloten vergadering door extreemrechtse groeperingen gewelddadig werd belaagd, hoefde ze geen uitnodiging van de premier te verwachten. Als leidend principe strekt laissez-faire voor Rutte tot ver buiten de vrije markt. Pas toen ondanks de coronapandemie duizenden mensen in verschillende steden de straat opgingen tegen racisme en politiegeweld erkende Rutte ineens dat racisme ook in Nederland voorkomt. Zelfs over Zwarte Piet was hij van standpunt veranderd. Het vergt een gericht protest en massale mobilisatie, maar dan is ook de premier weer een klein stapje de andere kant op te bewegen, zo hoeft hij de confrontatie niet aan te gaan.

In die zin staat Rutte – niet toevallig zelfverklaard anglofiel – veel dichter bij David Cameron dan bij Sarkozy. Ook Cameron stond zich erop voor een aantal fronten ‘progressief’ te zijn, al kwam dat volgens Richard Seymour vooral door het ingeslopen conservatisme en de autoritaire wending van New Labour. Cameron was eigenlijk vooral een ‘non-entiteit’, iemand die niet meer deed dan de heersende tijdgeest kanaliseren. Cameronism was in die zin weinig anders dan een volgend hoofdstuk in het project dat aan het eind van de turbulente jaren zeventig in gang was gezet: ‘een poging om de sociale macht en winstgevendheid van het kapitaal te herstellen door de macht van georganiseerde arbeid te breken, de bevolking passief te krijgen, het politieke speelveld te vernauwen en meerderheden te marginaliseren’. Je kunt Ruttes politiek nauwelijks beter omschrijven.

Het is tekenend dat de val van Rutte III niet het gevolg is van stevige oppositie, maar van bestuurlijk falen.
Aan Camerons loopbaan als premier kwam in 2016 een einde met de uitslag van het Brexit-referendum. Sarkozy’s lot werd al in 2012 bezegeld: in Frankrijk mocht eerst François Hollande nog vijf jaar op de winkel passen, waarna heel het partijsysteem implodeerde en ineens Le Pen en Macron als de belangrijkste politieke spelers uit de (stem)bus kwamen. In het VK ondertussen werd na Camerons aftreden eerst Theresa May naar voren geschoven om de rust te bewaren, maar volgde al snel een periode van sterke polarisatie en politisering; aanvankelijk aangewakkerd door Jeremy Corbyn vanaf links, daarna verhevigd door Boris Johnson vanaf rechts. Behalve Merkel slaagde alleen Rutte erin de jaren tien politiek te overleven (zonder de democratie te ontmantelen). En waar Merkel te kennen heeft gegeven haar politieke loopbaan in 2021 te beëindigen, gaf Rutte in 2019 nog aan dat hij liefst de rest van zijn leven premier wilde blijven. Lange tijd leek die ambitie niet in gevaar te komen: zolang hij in de peilingen boven iedereen uittorent, durft toch niemand zich tegen hem te keren. Ja werkelijk alle partijen dansen naar de pijpen van Mark Rutte – zelfs de SP heeft de VVD deze verkiezingen niet uitgesloten als coalitiepartner. Het is tekenend dat de val van Rutte III niet het gevolg is van stevige oppositie, maar van bestuurlijk falen.

Ondertussen valt in het publieke debat wel steeds duidelijker te beluisteren dat de toeslagenaffaire het gevolg is van een beleidsmatige vertaling van de VVD-retoriek rond ‘de hardwerkende Nederlander’ en de sociaaleconomische, culturele en etnische profilering van alle landgenoten die dat niet zouden zijn. Het gecreëerde institutionele wantrouwen keerde zich mettertijd ook tegen diezelfde hardwerkende Nederlanders, maar alle signalen werden genegeerd en onder dekking van Rutte’s politiek van ondoorzichtigheid zag niemand nood om in te grijpen. Vanwege deze ‘Rutte- doctrine’ zal zijn nalatenschap weliswaar minder snel te boek komen te staan als tien jaar verrechtsing maar, zeker in combinatie met zijn met zijn weigering terug te treden, eerder nog als tien jaar bestuurlijke verrotting – ‘verrutting’ zo je wilt.