Advertentie
ad

De rollen omgedraaid: over de goede immigrant

De ‘goede’ immigrant is de uitzondering die de regel bevestigt: doorgaans is die migrant namelijk ‘slecht’ tot het tegendeel bewezen is. In de gelijknamige essaybundels, nu ook in Nederlandse variant beschikbaar, maakt de lezer kennis met migrantenverhalen. De impliciete dialoog tussen de essays overstijgt daarbij het individuele verhaal, schrijft Edurne De Wilde.

Besproken boeken

In navolging van succesvolle initiatieven in het Verenigd Koninkrijk (2016) en de Verenigde Staten (2019), heeft ook Nederland sinds kort zijn versie van De goede immigrant. In deze bundels beschrijven immigranten ‘op hun manier, in hun eigen stijl en in hun eigen taal’ wat het voor hen betekent om ‘immigrant’ te zijn. Zo mengen ze zich in het debat dat over hen gevoerd wordt, maar waarin hun stemmen amper of niet gehoord worden. Sterker nog, ze draaien de rollen om. Ditmaal zijn niet zij, maar de Britten, Amerikanen en Nederlanders zonder migratieachtergrond ‘de Ander’. Ditmaal gaat het niet om hoe hun aanwezigheid ervaren wordt door de ‘autochtone’ bevolking, maar om hun eigen ervaringen. Ditmaal zijn ze niet het onderwerp van debat, maar zijn zij degenen die het debat bepalen.

De uitzondering die de regel bevestigt

De titel, The Good Immigrant, is ironisch bedoeld. De bundels zijn geen charmeoffensief, maar een aanklacht tegen de bedrieglijke dichotomie van de ‘goede’ versus de ‘slechte’ immigrant die impliceert dat immigranten ‘slecht’ zijn tot ze het tegendeel bewezen hebben, dat de ‘goede’ immigrant de uitzondering is die de regel bevestigt.

Het label ‘goede immigrant’ biedt immers geen garantie op acceptatie. Het is en blijft een voorwaardelijke pluim op je hoed, een die je zo weer afgenomen kan worden. Je blijft ‘on perpetual probation’, betoogt schrijver en blogger Wei Ming Kam in haar haar essay Beyond ‘Good’ Immigrants (VK). Volgens mediawetenschapper Nina Köll, die het essay (Ook) mijn huis, mijn regels, mijn koffie schreef, is het label een ‘instrument tot zelfdisciplinering, met als belofte: Erbij horen. Gehoord worden. Ertoe doen.

Meer dan de som der delen

De The Good Immigrant-bundels brengen de stemmen van verscheidene immigranten samen – zeventig in totaal – en bieden zo een bijzondere leeservaring. Essay na essay maak je kennis met een ander individu, krijg je een inkijk in zijn of haar gedachten en opvattingen en ervaar je wat hij of zij belangrijk vindt. Wanneer de auteurs ergens uitgesproken ideeën over hebben verkondigen ze die, maar ze gunnen zichzelf ook de vrijheid om hardop na te denken en stil te staan bij de actualiteit.

Gaandeweg ontwikkelt zich tussen de regels door een dialoog tussen de auteurs waarin ruimte is voor complexiteit en nuance. Uit dat impliciete gesprek put de lezer inzichten die de afzonderlijke essays overstijgen. Dat geldt voor lezers die zelf uit ervaring weten hoe het is om ‘immigrant’ te zijn of om als tweede- of derdegeneratie-immigrant nog steeds als ‘de Ander’ gezien te worden, maar het geldt zeker ook voor lezers die die ervaringen niet hebben en die uit zichzelf misschien minder snel geneigd zijn na te denken over de onderwerpen die in de essays aan bod komen, zoals culturele appropriatie, microagressies en de hedendaagse erfenis van slavernij, imperialisme en kolonialisme.

Drie universele dimensies

‘There’s no universality without specificity’, stelt film- en televisieregisseur Yann Demange in zijn essay The Long Answer (VS). ‘People’s lives are complicated, after all. It is by digging deep into that complexity that we find the universality in their experience.’

Het label ‘goede migrant‘ is en blijft een voorwaardelijke pluim op je hoed, een die je zo weer afgenomen kan worden.

In dit stuk trek ik die logica door en sta ik stil bij drie universele dimensies van het ‘immigrant’ zijn die naar voren komen in de Good Immigrant-bundels: een temporele, een emotionele en een intersectionele. Dit trio essaybundels leent zich voor zo’n lezing omdat er van de auteurs niet verwacht werd dat ze één en hetzelfde verhaal zouden vertellen, integendeel. Chimene Suleyman en Nikesh Shukla, de redacteuren van de Amerikaanse The Good Immigrant, benadrukken in hun voorwoord dat ze het uiterst belangrijk vonden dat de auteurs de kans kregen ‘to express their experiences, as varied and as nuanced and as messy and as precarious as the immigrant experience is all over the world’. Hoe specifieker, hoe liever dus.

(1) Een voortdurend proces
Meerdere auteurs geven – direct of indirect – aan dat hun essays momentopnames zijn, impressies van hoe ze zich voelen. Wat ze nu schrijven komt niet noodzakelijkerwijs overeen met hoe ze vroeger over iets dachten, of hoe ze denken er in de toekomst tegenover te staan. Niets staat vast, alles is onderhevig aan verandering.

Demange is verre van de enige auteur die de link legt tussen de ervaring van het ‘immigrant’ zijn en identiteitsvorming. Beide zijn processen die nooit voltooid zijn, al zijn er soms keerpunten.

Ik denk hierbij meteen aan het eerder genoemde essay van Yann Demange, waarin hij beschrijft hoe hij leerde omgaan met wat hij zelf zijn ‘identity issues’ noemt, met het gevoel een ‘perpetual outsider’ te zijn, soms zelf binnen zijn ‘multicultural family’ (een gezin bestaande uit hemzelf, zijn witte Franse moeder, zijn Algerijnse vader en zijn twee oudere halfbroers, de ene Afro-Caraïbiër en de andere Argentijns). Demange concludeert: ‘Maybe in my case identity isn’t something that can truly be squared up and “resolved,” but I know I have to keep engaging with it, as it keeps evolving and shifting.’

Demange is verre van de enige auteur die de link legt tussen de ervaring van het ‘immigrant’ zijn en identiteitsvorming. Beide zijn processen die nooit voltooid zijn, al zijn er soms keerpunten. Schrijver, feminist en activist Mojdeh Feili blikt in haar essay ‘Eindelijk als Alice‘ terug op twee omslagpunten in haar ‘proces van zelfacceptatie’. Het eerste was het moment waarop Feili besefte dat ‘hoe hard je ook je best doet, je nooit een witte Nederlander kúnt zijn en je er daarom nooit volledig bij zult horen’. Waar ze eerst geprobeerd had zich aan te passen, te assimileren, nam haar twijfel toe: wilde ze er eigenlijk wel bij horen? Het moment waarop Feili uiteindelijk met zekerheid kon zeggen dat ze dat niet wou, geldt als het tweede omslagpunt. Feili brengt dat moment in verband met haar tussenjaar in Canada. ‘Pas toen ik een tijdje naar een land ging waar ik niets mee te maken had, realiseerde ik me dat ik niet hoefde te kiezen tussen Nederlands en Iraans zijn; dat ik beide en geen van beide tegelijk kon zijn.’

Hoewel Olders essay een relaas is van zijn leerproces, erkent hij dat hij om de Spaanse taal te waarderen zich eerst bewust moest worden van alle xenofobische ideeën die hij over Latijns-Amerikaanse immigranten geïnternaliseerd had.

Tot slot, karakteriseren enkele auteurs de ervaring van het ‘immigrant’ zijn als een leerproces. Zo omschrijft essayist Varaidzo haar essay ‘A Guide To Being Black‘ (VK) als ‘the guide I needed when I was younger’. Ze schrijft: ‘Here are a few of the key lessons I learned, like what to do when you’re the only black kid in a party when a Kanye song comes on, or how to decide which is the right hairstyle for you.’

Daniel José Older heeft het in zijn essay ‘Dispatches from the Language Wars‘ (VS) over het moment waarop hij besloot dat hij wel degelijk Spaans wilde leren en hoe dat zijn zelfbeeld veranderde. In tegenstelling tot de eerste twintig jaar van zijn leven, waarin hij regelmatig twijfelde over de letter waarop het accent in zijn naam thuishoorde, toonde Older nu wel interesse in de moedertaal van zijn moeder en wilde hij ook dat deel van zijn identiteit omarmen.

Hoewel Olders essay een relaas is van zijn leerproces, erkent hij dat hij om de Spaanse taal te waarderen zich eerst bewust moest worden van alle xenofobische ideeën die hij over Latijns-Amerikaanse immigranten geïnternaliseerd had. Ook Jeanette Chedda staat in haar essay, ‘Opgroeiende ben ik veel boos geweest, maar nu zoveel minder‘, stil bij het effect van geïnternaliseerde denkbeelden. ‘Bijna dertig jaar van mijn leven heb ik drie grote onderdelen van mijn identiteit totaal geen ruimte gegeven in mijn leven (…) Ik schaamde mij voor mijn beperking. Ik geloofde in witte superioriteit. Alles wat te maken had met mijn Hindoestaanse, Surinaamse achtergrond drukte ik weg.’ Kortom, beide essays suggereren dat de ervaring van het ‘immigrant’ zijn ook een ontleerproces is.

(2) Een scala van emoties
‘There’s a form of currency from immigrants and people of color that publishers, producers, and audiences have long recognized: pain’, stelt schrijver Jade Chang in haar essay ‘How to Center Your Own Story‘ (VS). Toch is Chang hoopvol: ‘Things are slowly changing. We’re creating new forms of currency in which our joy is as valuable as our suffering.’

De essays in de bundels weerspoegelen de complexe gevoelservaring van het ‘immigrant’ zijn. De auteurs stellen zich kwetsbaar op en confronteren de lezer met hun pijn, verdriet en frustraties. Ik noemde al Yann Demange, die worstelde met zijn ‘identity issues’; Jeanette Chedda, die zich schaamde over drie grote aspecten van haar identiteit; en Mojdeh Feili, die twijfelde of ze er eigenlijk wel bij wilde horen.


Een emotie die haast niet genoemd wordt, is onverschilligheid. Onverschilligheid duidt op berusting, maar berusten doen de auteurs niet.

Er zijn talloze momenten waar nog weer andere negatieve emoties aan bod komen, gaande van onbegrip tot woede en angst. Maar evengoed uiten de auteurs hun trots, hun vreugde, hun liefde en maken ze de lezer deelgenoot van hun grote en kleine momenten van geluk. Varaidzo schrijft bijvoorbeeld over de momenten waarop ze als tiener haar authentieke zelf kon zijn. ‘My authentic self is my default performance, the person I am when I’m not thinking or when I think nobody is looking. And sometimes this is a person who tries to dance like Beyoncé in her bedroom with her eyes closed.’

Redacteur en journalist Krutika Mallikarjuna omschrijft in haar essay ‘Her Name Was India‘ (VS) de toenadering tussen haarzelf en haar moeder, die het moeilijk vond om de seksualiteit van haar dochter te aanvaarden, maar met wie Mallikarjuna uiteindelijk wel een anekdote uit haar datingleven kon delen. Op die positieve toon sluit Mallikarjuna haar essay af. ‘I delved into details, embellishing whenever I could in a hammy way that I learned from my dad to make her laugh. When we hung up that day, she was still chuckling at the antics of white folks, the great unifier of brown people everywhere. But more important, she told me she loved me. And when I said it back, we both knew we meant it. We didn’t understand each other, but we wanted to try.’

Woede bestaat niet zonder verdriet. En verdriet bestaat alleen als er hoop is op verbetering.

Een emotie die haast niet genoemd wordt, is onverschilligheid. Onverschilligheid duidt op berusting, maar berusten doen de auteurs niet. In een wereld die volgens paus Franciscus in toenemende mate gekenmerkt wordt door een ‘globalisering van onverschilligheid’ tegenover migranten en vluchtelingen getuigen deze essays van moed en betrokkenheid. Zo onthult schrijver Fatima Farheen Mirza in haar essay ‘Skittles‘ (VS) hoe ze haar broertje Mahdi bij wijze van rollenspellen, het ene al hypothetischer dan het andere, leerde hoe hij racisme kon benoemen. Hoe pijnlijk dat ook was. Die vraag kwam trouwens van hemzelf: ‘Just tell me how to explain to them that they’re being racist.’

Ook scriptschrijver en dramaturg Manju Reijmers is niet onverschillig. In zijn essay ‘Witte redders, bruine baby’s‘ benadrukt hij hoe zijn woede van hem een Nederlander maakt: mijn woede tegen Nederland, dat is mijn Nederlanderschap. Want woede bestaat niet zonder verdriet. En verdriet bestaat alleen als er hoop is op verbetering. Ik wil dat Nederland beter wordt. En daarmee heb ik onvoorwaardelijk, autonoom en met heel mijn hart gekozen om Nederlander te zijn.’ 

(3) Een samenspel van factoren

Deze bundels geven aan dat iedere individuele ervaring van het ‘immigrant’ zijn beïnvloed wordt door een samenspel van factoren, waaronder generatie, huidskleur, gender, religie, klasse en seksualiteit. Waar sommige auteurs zich concentreren op de invloed van één factor, gaan anderen in op de invloed van bepaalde constellaties van factoren en bespreken ze hoe verschillende vormen van ongelijkheid op elkaar inwerken. Zo loopt intersectionaliteit als een rode draad door de essays.

Deze intersectionele benadering wijst op een ongemakkelijke waarheid: de aanwezigheid van de ene immigrant staat minder ter discussie dan die van de andere.

Een bijdrage waarin het samenspel tussen huidskleur, gender en religie aan bod komt is die van actrice Miss L. In haar essay ‘The Wife of a Terrorist‘ (VK) blikt Miss L terug op iets wat ze meemaakte tijdens haar acteeropleiding. De docent liep een voor een alle studenten af en gaf aan op welke rollen ze volgens haar het meeste kans zouden maken. Het oordeel voor Miss L? ‘Terrorist’, waarna de docent van gedachte veranderde en ervan maakte: ‘the wife of a terrorist’. ‘I wish I’d had the courage to shout back’, schrijft Miss L. ‘I wish I’d found my voice before she moved on to tell me that the man sat next to me would be best suited to play a politician.’ Pas achteraf besefte Miss L hoe meerdere categorieën van verschil het oordeel van haar docent hadden beïnvloed: ‘I had the withering realisation that I was being judged by both my skin colour and my gender.’

Deze intersectionele benadering is nog om een andere reden essentieel. Het wijst op een ongemakkelijke waarheid: de aanwezigheid van de ene immigrant staat minder ter discussie dan die van de andere. Dat gegeven staat centraal in het essay van schrijver en comedian Maeve Higgins, ‘Luck of the Irish‘ (VS). Haar verhaal staat in schril contrast met dat van andere auteurs. Haar huidskleur heeft geen negatieve invloed op haar leven in de Verenigde Staten, iets wat ze nadrukkelijk benoemt als een privilege. ‘I’m not extraordinary at all. It’s dumb luck that I was born white and Irish. And that luck, combined with a history of racialized immigration policies, meant that I was allowed to move here, to a country whose leaders look at me and see themselves, and welcome me with open arms as they push others away.’

Hoewel ik weet hoe het is om een ‘ongewone’ voornaam te hebben, weet ik niet hoe het is om je niet welkom te voelen en om je steeds te moeten bewijzen als ‘goede’ immigrant.

Dit geldt ook voor mij. Ik ben de kleindochter van een Baskische kindvluchteling die tijdens de Spaanse Burgeroorlog geëvacueerd werd en zo in België terechtkwam. Het merendeel van mijn leven heb ik in België doorgebracht, maar ik heb ook enkele jaren in Ecuador en de Verenigde Staten gewoond. Momenteel ben ik al zo’n vier jaar in Nederland.

Hoewel ik weet hoe het is om een ‘ongewone’ voornaam te hebben, om als kind tot tweemaal toe een nieuwe taal te leren en om deel te moeten nemen aan nationale tradities (in de Verenigde Staten werd er van me verwacht dat ik elke ochtend samen met mijn klasgenootjes het Amerikaanse volkslied zong, met de hand op het hart), weet ik niet hoe het is om je niet welkom te voelen en om je steeds te moeten bewijzen als ‘goede’ immigrant. In mijn geval gaat de redenering andersom. Als ik al gezien wordt als een immigrant, dan ben ik ‘goed’ tot ik het tegendeel bewezen heb. Dat voordeel van de twijfel is niet iedereen gegund.

Kortom, de redenering op basis waarvan er a priori een onderscheid gemaakt wordt tussen ‘goede’ en ‘slechte’ immigranten houdt geen steek en getuigt enkel van vooringenomenheid. Dat neemt niet weg dat die dominante vooroordelen reële gevolgen hebben. Keer op keer blijkt dat uit de essays. Het is daarom meer dan terecht dat de Good Immigrant-bundels de nadruk leggen op de verhalen van de immigranten voor wie het anders zijn in hun nadeel speelt. ‘If I could, I’d push a copy of this through the letter box of every front door in Britain’, schreef de recensent van The Independent over de eerste The Good Immigrant-bundel. Dat is zo’n gek idee nog niet.