Hoeders van het woord: over djeli’s, diaspora en de hele waarheid
Vamba Sherif i.s.m. De Tank

Camara Laye, Le maître de la parole (Plon, 1978), 314 blz.


Het waren de djeli’s of ‘hoeders van het woord’ die de geschiedenis en gebruiken van Afrika ‘schreven’ en haar meenamen naar de diaspora. Hun ambachtelijke zorgvuldigheid en taalbeheersing klinkt ook nu nog door, in bijvoorbeeld de jazz, spoken word en rap. Vamba Sherif leest Camara Laye’s roman De hoeders van het woord en ontwaart een derde lijn, die van onbevreesd waarheidsspreken.


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Camara Laye, Le maître de la parole (Plon, 1978), 314 blz.
Camara Laye, Le Regard du roi (Plon, 1954), 254 blz.

Dit essay verscheen in 2021#2.

In zijn belangrijkste werk, De hoeder van het woord, beschrijft de Guinese schrijver Camara Laye het werk en belang van djeli’s in een aantal landen in West-Afrika. Laye legt de nadruk op zijn eigen volk, de Mandé, dat verspreid woont over onder meer Liberia, Sierra Leone, Guinee, Ivoorkust, Senegal, Gambia, Burkina Faso, Ghana en Mali. In feite behoren de verschillende volken van Sierra Leone, Guinee, Gambia, Mali en bijna de hele Liberiaanse bevolking tot de Mandé-taalgroep. Deze taal is afkomstig uit Mali, waar tevens de djeli’s vandaan komen, en wordt onderverdeeld in de Mandé-fu en de Mandé-tan, waarbij het getal tien bij de ene vorm als fu eindigt en bij de andere als tan.

Laye was een beroemd schrijver. Zijn eerste roman, Het Afrikaanse kind of Het zwarte kind, was verplichte literatuur in verschillende Afrikaanse landen, waaronder in mijn geboorteland Liberia. Laye werd wereldwijd bekend met De blik van de koning, waarin de hoofdpersoon Clarence, een witte man, de jonge koning van een niet nader genoemd Afrikaans land wil ontmoeten, een privilege dat hij op denkt te kunnen eisen louter omdat hij wit is.

Een djeli is nooit bang. De waarheid spreken en trouw zijn aan kuma, het woord, is onlosmakelijk met zijn wezen verbonden.
Toni Morrison ervoer haar eerste kennismaking met De blik van de koning als een schok. De roman maakte haar sprakeloos: voor het eerst in haar leven las ze het werk van een zwarte schrijver die, in plaats van terug te schrijven, wat veel van zijn collega’s eigenlijk deden, de hele geschiedenis van het kolonialisme op haar kop zette door over een witte man te schrijven die met veel tegenslagen en uiteindelijk tevergeefs in Afrika zijn doel probeert na te jagen.

Trouw aan het woord

Laye noemde de djeli’s ‘de hoeders van het woord’, eigenlijk een vrije vertaling van de Mandé-zin ‘Kumalafolo kuma.’ In mijn eigen vertaling – het Mandé is mijn moedertaal – zou dat zijn: ‘Zij die de oorsprong van het woord kennen.’ Het Mandé-woord ‘djeli’ betekent letterlijk ‘bloed’. En niets is belangrijker in de Mandé-cultuur dan de bloedband. De benaming onderstreept de ernst en het belang van het werk van deze vertellers.

De blik van de koning maakte haar sprakeloos: voor het eerst in haar leven las ze het werk van een zwarte schrijver die de hele geschiedenis van het kolonialisme op haar kop zette.
Wat houdt het werk van een djeli eigenlijk in? De hoeders van het woord bewaarden eeuwenlang de belangrijkste gebeurtenissen en geschiedenissen in verschillende West-Afrikaanse koninkrijken. Ze schrokken er daarbij niet voor terug ook de negatieve kanten van de samenlevingen waarin ze woonden, en van de heersers onder wie zij werkten, ronduit te benoemen.

Deze trouw aan het woord wordt het beste geïllustreerd in het werk van Ahmadou Kourouma. Deze Ivoriaanse schrijver wist in zijn romans het belang van het werk van de djeli’s te benadrukken, te ontplooien en zelfs voort te zetten. In Wachten op de wilde beesten om te stemmen, een satirisch werk waarin verschillende dictators uit Afrika voorkomen, van Samuel Doe van Liberia tot Étienne Eyadéma van Togo en Mobutu Sese Seko van Congo, vertelt een djeli het levensverhaal van een dictator terwijl de man zelf zit te luisteren. De djeli begint met deze woorden:

President Koyaga, Generaal, Dictator, vandaag gaan we je daden en naam bezingen en bejubelen. We gaan de waarheid vertellen, over je dictatorschap, over je ouders en je medewerkers. De hele waarheid, over je vuile trucjes, je onzin, je leugens, je vele misdaden en moorden (…).

Een djeli is nooit bang. De waarheid spreken en trouw zijn aan kuma, het woord, is onlosmakelijk met zijn wezen verbonden.

De opleiding tot djeli was en is een levenslange leerweg. Hun werk is ook vandaag nog zo invloedrijk dat de geschiedenis die een djeli in het huidige Gambia van zijn vader of meester heeft geleerd niet veel afwijkt van die van anderen in hedendaags West-Afrika – laat staan in Mali, waar het ambacht in zijn huidige vorm ontstond en nog steeds van groot belang is.

Betrouwbaarheid

Tot voor kort werd het werk en de betekenis van deze groep mensen door westerse historici in twijfel getrokken, met als argument dat de djeli’s geen teksten gebruikten of schreven en dus geen betrouwbare bronnen hebben nagelaten. Zelfs het bestaan van historische personages als Sundiata Keita, wiens levensverhaal vele kinderen in West-Afrika kenden, werd als verzinsel beschouwd.

Sundiata, die volgens de overleveringen van de djeli’s mank liep, was als kind onopvallend, gulzig en verwend. Toch wist hij een wereldrijk te stichten. Ook stelde hij de beroemde grondwet van het keizerrijk van Mali op: de Kurukan Fuga (‘granieten vlakte’), een van de oudste grondwetten ter wereld, waarin de rechten van alle burgers al werden gewaarborgd.

Sundiata, die volgens de overleveringen van de djeli’s mank liep, was als kind onopvallend, gulzig en verwend. Toch wist hij een wereldrijk te stichten.
We kennen de geschiedenis van Sundiata dankzij de inspanning van één man, zijn djeli, de beroemde Balafaseke. Om te illustreren hoe betrouwbaar de overleveringen van de djeli’s waren, vertelde Balafaseke dat hij ooit door de vijand van Sundiata, de grote Soumangrou, werd opgepakt en gedwongen om in zijn dienst te treden. Ondanks de generositeit van deze heerser wilde Balafaseke toch terugkeren naar de man aan wie hij had beloofd om diens levensverhaal en daden door te vertellen. Dankzij Balafaseke weten we dat de betekenis van de naam Sundiata het wezen van de man vatte. Het Mandé-woord ‘sun’ betekent letterlijk ‘dief’ en ‘jata’ betekent ‘degene die het pakt’. Met andere woorden: Sundiata werd heerser door de macht van een ander af te pakken. In de Mandé-cultuur is hiërarchie op basis van leeftijd doorslaggevend. Sundiata was niet de oudste zoon van zijn vader, dus kon hij geen beroep doen op de macht. Hij werd dus Sundiata, de dief die de macht overnam.

Balafaseke zorgde ervoor dat het woord – dus de geschiedenis van Sundiata en de Mandé – niet gepolijst kon worden om Sundiata een betere koning te laten lijken in de ogen van volgende generaties.

Het geheugen van de mensheid

Vanuit deze djeli-traditie en geïnspireerd door deze verhalen schreef de Ghanese Ayi Kwei Armah het boek TheEloquence of the Scribes (2006). Armah geldt als een van de grootste schrijvers van het Afrikaanse continent. Meerdere van zijn werken, zoals The Beautyful Ones Are Not Yet Born en Two Thousand Seasons, zijn inmiddels klassiekers van de Afrikaanse literatuur. Armahs internationale erkenning was ongetwijfeld groter geweest als hij ervoor had gekozen zijn boeken in het Westen te publiceren in plaats van in Afrika. Hij besloot daartoe om het uitgeven van boeken in Afrika te bevorderen en het belang van het Afrikaanse beheer van Afrikaanse tradities te onderstrepen.

Armahs internationale erkenning was ongetwijfeld groter geweest als hij ervoor had gekozen zijn boeken in het Westen te publiceren in plaats van in Afrika.
Armah leunt in het begin van zijn boek op het werk van een andere djeli, Mamadou Kouyaté, dat begint met deze woorden:

Ik ben djeli Mamadou Kouyaté, zoon van Bintou Kouyaté en djeli Kedian Kouyaté. Sinds het begin zijn de Kouyatés in dienst geweest van de Keita-prinsen van Mali. We zijn de vaten van spraak, de bewaarplaatsen van eeuwenoude geheimen. De kunst van welbespraaktheid is ons niet vreemd. We zijn het geheugen van de mensheid.

Armah ontdekte dezelfde djeli-traditie bij zijn eigen volk, de Akan, in het huidige Ghana en Ivoorkust. Dit bracht hem ertoe de djeli’s, de hoeders van het woord, in de context van het hele continent te plaatsen, Egypte incluis. Al in zijn kindertijd kreeg hij te horen dat zijn volk uit het oude Egypte was gemigreerd. Armah begon pas belang te hechten aan deze overlevering toen hij het werk van de Senegalese wetenschapper Cheikh Anta Diop las. Diop stelde dat de geschiedenis van Egypte niet verteld kon worden zonder die aan de geschiedenis van het Afrikaanse continent te verbinden – Egypte ligt nu eenmaal in Afrika. Zo vond Armah overeenkomsten tussen het Akan, zijn moedertaal, en de oude Egyptische taal. Ook begon hij overeenkomsten te zien tussen de tradities. Het was, constateerde Armah, de taak van de hoeders van het woord om de tradities van grote migraties door de eeuwen heen te bewaren en aan volgende generaties door te geven. De nauwelijks vermoede vervlechting bleek zo sterk dat de taal en gebruiken van zijn volk millennia later nog altijd grote gelijkenissen vertonen met die van het oude Egypte.

Diaspora, nu

Het waren uiteindelijk ook de hoeders van het woord die de geschiedenis en gebruiken van Afrika meenamen naar de diaspora. Het is hun zorgvuldigheid en taalbeheersing die eeuwen later nagalmt bij rappers en spoken word-artiesten in de diaspora, in hun welsprekendheid, intonatie, het heen-en-weer tussen de verteller (de leadzanger) en zijn antwoorder. En ook in de melodie van John Coltrane, die in zijn beroemde ode ‘Alabama’ de spraakpatronen van Martin Luther King jr. in muziek ving, en zo de dood van vier onschuldige kinderen in Birmingham herdacht: ‘These children, unoffending, innocent and beautiful, were the victims of one of the most vicious and tragic crimes ever perpetrated against humanity (…).’

Ontdaan van hun waardigheid, hun menselijkheid in twijfel getrokken, restte er voor de Afrikanen in de diaspora niets anders dan trouw te blijven aan het woord en het woord met hun leven te beschermen. En trouw en beschermend bleven ze.

Ontdaan van hun waardigheid, hun menselijkheid in twijfel getrokken, restte er voor de Afrikanen in de diaspora niets anders dan trouw te blijven aan het woord en het woord met hun leven te beschermen.
Het was een djeli, Macandal, een man met één arm, die – door andere tot slaaf gemaakten in het huidige Haïti verhalen over hun Afrikaanse voorouders te vertellen – de eerste succesvolle slavenopstand in de geschiedenis teweegbracht. Macandal inspireerde het Haïtiaanse volk onder leiding van Toussaint L’Ouverture tot een strijd die een einde maakte aan de slavernij in hun land.

Trouw aan het woord is bepalend voor alle muziek en kunstvormen van de Afrikaanse diaspora. ‘Sth, I know that woman‘, begint Toni Morrison haar roman Jazz, en we horen djeli Mamadou Kouyaté: ‘Luister, luister naar mijn woord.’

Het begint en eindigt met het woord, kuma.

Dit essay is de derde keynote die voortkomt uit de samenwerking tussen de Nederlandse Boekengids, Alphabet Street / de Tank en Dipsaus. De eerdere afleveringen: Neske Beks, ‘De kracht van het woord: het n-woord in de Nederlandse vertaalpraktijk’, dNBg 2019#3 & Grâce Ndjako, ‘Fanon: gevangen in de witte blik’, dNBg 2019#5. Alle keynotes zijn gratis te lezen in ons archief.