Tjokvol stemmen
Simone Atangana Bekono


AfroLit wil ‘de veerkracht en verbeelding van Zwarte schrijvers’ etaleren, zeggen de samenstellers. Dat schept hoge verwachtingen en die worden niet altijd waargemaakt, schrijft Simone Atangana BekonoMaar juist wie de bundel leest zonder programma zal er veel rijkdom en verrassingen in vinden.


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Dalilla Hermans & Ebissé Rouw (reds.), AfroLit: moderne literatuur uit de Afrikaanse diaspora (Pluim 2020), 184 blz.

Dit essay verscheen in 2021#2.

In het voorwoord van Zwart: Afro-Europese literatuur uit de Lage Landen (2018), de bundeling verhalen van schrijvers uit de Afrikaanse diaspora die vóór AfroLit het licht zag, werd een duidelijk statement gemaakt: Vamba Sherif en Ebissé Wakjira-Rouw, de samenstellers van de bundel, wilden een ander geluid in de Nederlandstalige literatuur laten horen. Niet alleen was die namelijk te wit, maar Afro-Caribische schrijvers zouden in het toch al kleine podiumspotje dat voor schrijvers uit de Afrikaanse diaspora gereserveerd was de makers met wortels in Sub-Sahara-Afrika overschaduwen. Dat leken ze niet helemaal te vinden kloppen.

Als een van de schrijvers die bijdroeg aan Zwart, begreep ik de keuze voor deze afsplitsing niet helemaal, maar misschien was het voor de samenstellers belangrijk om in een literair landschap waarin zwarte schrijvers al zo weinig ruimte kunnen innemen zich specifiek op schrijvers met een Sub-Sahara-Afrikaanse afkomst te focussen. Tijdens het lezen van AfroLit: moderne literatuur uit de Afrikaanse diaspora was ik dan ook aangenaam verrast dat in plaats van vast te houden aan de afsplitsing die Zwart kenmerkte juist de verscheidenheid aan stemmen uit de diaspora nadrukkelijk werd gevierd. Wakjira-Rouw (bekend van de Dipsaus-podcast) heeft ditmaal met Dalilla Hermans (journalist en auteur van Brief aan Cooper en de wereld en het kinderboek Brown Girl Magic) de handen ineengeslagen om makers uit de diaspora een platform te geven voor ‘een prachtige weerspiegeling van zwartheid in Vlaanderen en Nederland’. AfroLit toont, in de woorden van Wakjira-Rouw en Hermans, ‘De veerkracht van Zwarte schrijvers. De verbeelding van Zwarte schrijvers. De ritmiek, poëzie, diepgang, lichtheid en durf van Zwarte schrijvers die hun rechtmatige positie grijpen in de Nederlandse literatuur.’ Dat schept hoge verwachtingen, die niet makkelijk in te lossen zijn, maar gezien mijn persoonlijke affiniteit met de intenties die de samenstellers van AfroLit lijken te hebben gehad bij het maken van dit boek was mijn nieuwsgierigheid naar die literaire stemmen groot.

Het is mooi dat AfroLit zo duidelijk een gat op probeert te vullen voor lezers en schrijvers wier verhalen niet gerepresenteerd worden in de Nederlandse literatuur.
Net als in Zwart is er door de samenstellers voor gekozen teksten te verzamelen die opvallend vaak direct, essayistisch of anekdotisch over racisme, discriminatie of kolonialisme gaan en waarin de lezer meegetrokken wordt in wat in het voorwoord ‘een feest van herkenning’ wordt genoemd. Denk aan columnachtige teksten over raciaal ongemak, een vertelling over een man die in een vluchtelingenkamp op profetische wijze kolonialisme deconstrueert, dagboekachtige notities van emotionele doorbraken en stukken die overlopen van verwijzingen naar hiphop, politiegeweld en niet-westerse geschiedenis. In dat opzicht is het mooi dat AfroLit zo duidelijk een gat op probeert te vullen voor lezers en schrijvers wier verhalen niet gerepresenteerd worden in de Nederlandse literatuur: de aanwezigheid van straattaaltermen, herkenbare situaties, verborgen geschiedenissen en persoonlijke confrontaties met discriminatie is ontroerend en verfrissend om te lezen.

GEEN TREIN GRRR

Openingsverhaal ‘De woeste lokroep’, van romancier Sulaiman Addonia, is direct één van de sterkste verhalen in de bundel. Op simpele, poëtische wijze schetst Addonia een beeld van een man die in natte kleding en zonder schoenen in de branding staat en richting een zee kijkt die optrekt, hem dreigt te overspoelen. Het witte echtpaar dat hem observeert weet niet of het medelijden of minachting moet voelen voor deze vreemdeling. ‘Hun gelach sterft weg en ze vallen stil.’ Met die stilte laat Addonia de lezer ook achter.

Een van de opvallendste teksten in AfroLit komt van Malique Mohamud. In ‘Hoe ze ons zien: a hood story’ is een kledingstuk aan het woord: de hoodie.
‘De schoonmaker’, van spoken word-artiest Babs Gons, is een grappig en luchtig verhaal over het groeiende ongemak van de hoofdpersoon wanneer ze een door het leven getekende, ietwat onbetrouwbare schoonmaakster inhuurt. De vrouw verdwijnt langzaam uit beeld (‘omdat BUIKPIJN, omdat GEEN TREIN GRRR, omdat SORRY LUKT NIET’, appt de schoonmaakster), maar haar poetsregime is voor eeuwig in het gereinigd tapijt van het huis van de hoofdpersoon getrokken. Hoewel het verhaal in het begin lijkt te gaan over het ongemakkelijke gevoel van voor het eerst een schoonmaker inhuren, lezen we uiteindelijk vooral over een vrouw die verslaafd raakt aan het genot van een blinkend schoon interieur.

Er zitten ook teksten in het boek die spelen met de briefvorm en de manier waarop die bij uitstek een vertelvorm kan zijn om al dan niet traumatische ervaringen mee te reconstrueren. In de brief ‘Een greep uit onze verhalen’, geadresseerd aan een van de AfroLit-redacteuren, beschrijft Grâce Ndjako de pijnlijk herkenbare jeugd van een zwart meisje dat in Brabant geconfronteerd wordt met het subtiele racisme van de witte moeder van een stel speelvriendjes.

Het was fijn geweest als deze uitspraak ook met een bron was onderbouwd, zodat er een grotere balans had kunnen ontstaan tussen het anekdotische en onderzochte feiten.
Het enige essay in de bundel, ‘De (ir)relevantie van identiteit’ van Hasna Ankal, zet aan tot denken over colorism onder mensen van kleur, maar is op het niveau van argumentatie niet altijd even diepgaand. In een alinea over hoe de donkerte van iemands huidskleur invloed heeft op de vooroordelen waarmee die persoon te maken krijgt in de Belgische maatschappij schrijft Ankal: ‘We vergeten hoe een lichte of donkere huidskleur in het verleden maar ook vandaag niet altijd en overal het meest bepalende kenmerk is waarop uitsluiting gebaseerd kan zijn.’ Dit voelt en klinkt waarachtig, maar het was fijn geweest als deze uitspraak ook met een bron was onderbouwd, zodat er een grotere balans had kunnen ontstaan tussen het anekdotische en onderzochte feiten.

De nieuwsgierige witte blik van de representatiepaparazzi

Een van de opvallendste teksten in AfroLit komt van Malique Mohamud. In ‘Hoe ze ons zien: a hood story’ is een kledingstuk aan het woord: de hoodie. De trui met capuchon is door de jaren heen een symbool geworden van etnisch profileren en politiegeweld tegen zwarte jongens en mannen, onder andere naar aanleiding van de moord op de zeventienjarige Afro-Amerikaanse Trayvon Martin door de witte burgerwachter George Zimmerman in 2012. Mohamud voert ene Omar op, een jongen die een hoodie aantrekt naar het openingsfeest van een kunsttentoonstelling over hiphop (mogelijk de Kunsthal-tentoonstelling ‘Street Dreams: How Hiphop Took Over Fashion’ uit 2019). De trui geeft af op de sfeer die in het museum hangt. Met stoere woorden becommentarieert ‘Hoody’ hoe hij zich voelt als Omar blootgesteld wordt aan ‘de nieuwsgierige witte blik van de representatiepaparazzi’. Mohamud werkt verderop in het stuk een woordenwisseling uit tussen Hoody en een stel andere kledingstukken in Omars kast (‘Tee’, ‘Blazer’, ‘Overhemd’) over de negatieve effecten die het dragen van sportkleding kan hebben voor jongeren van kleur. Het verhaal zit vol referenties aan populaire cultuur, slang en hiphop, maar vliegt daardoor ook uit de bocht en eindigt zonder focus. ‘De tijd dat Turkse pizza’s en zakjes Capri-Sun stilte brachten op Het Plein liggen dan wel ver achter ons, maar ik herinner hem er graag aan dat zijn stijl ontstond in het gelach van kids om de zoveelste random politiecontrole’, schrijft Mohamud. Deze zin klopt grammaticaal niet en lijkt een symptoom te zijn van een verlangen om te veel te vertellen met te weinig woorden.

Het is een vertelling met veel potentie, maar door de beschrijvende taal, historische feitjes en reflecties op colorism barst ook deze tekst haast uit zijn voegen, wat de leeservaring verstoort.
Spoken word-artiest Rachel Rumai Diaz beschrijft in ‘Cafe con leche, net als Guaichia’ de jeugd van een meisje met familie in Venezuela, een plek waar ze zich meer thuis voelt dan Limburg, maar waar het overgrote deel van de bevolking mestizo is. Zwarte kinderen blijken nauwelijks rond te lopen in de gangen van de privéschool waar het meisje tussen de blancos onderwijs mag genieten. ‘Cafe con leche’ is een vertelling met veel potentie, maar door de beschrijvende taal, historische feitjes, reflecties op colorism en de godin María Lionza (Guaichia dus) barst ook deze tekst haast uit zijn voegen, wat de leeservaring verstoort. Rumai Diaz lijkt net zoals Mohamud te veel hooi op haar vork te hebben genomen. De veelheid die haar tekst kenmerkt kan niet worden uitgewerkt in de ruimte die ze in de bundel heeft.

Een opsomming van hashtags die de trendgevoeligheid voor onze compassie met zwarte levens illustreert, leest echter meer als een vroege versie van een opzichzelfstaand gedicht.
In ‘Weet jij waarom gekooide vogels zingen?’, een verhaal waarvan de titel refereert aan de bekende autobiografische roman van Maya Angelou, vermengt slamdichter en muzikant Lisette Ma Neza poëzie met richting het einde steeds beklemmender proza. ‘Op de straten protesteren de Karens,’ schrijft ze over de antiracismedemonstraties die oplaaiden nadat tijdens een arrestatie deze lente politieagenten de Afro-Amerikaanse George Floyd voor het oog van de wereld vermoordden, ‘Op de Dam dansen de witte wereldreizende meisjes met conga’s en bongo’s omdat het leuk is dat zwarte levens ertoe doen, alsof het kinderfeestjes zijn.’ Prachtige, snijdende zin. Een opsomming van hashtags die de trendgevoeligheid voor onze compassie met zwarte levens illustreert, ergens anders in de tekst, leest echter meer als een vroege versie van een opzichzelfstaand gedicht. Hoe dan ook is Ma Neza een veelbelovende literaire stem.

Het horrorverhaal ‘Het wormenhotel’ van Uitgeverij Chaos-redacteur Sayonara Stutgard is een mooie aanzet voor een langere vertelling over zwarte geliefden in een provinciaal, griezelig hotelletje. Na de aanloop naar een angstaanjagende transformatie eindigt het verhaal net op het punt waarop de horror zich voltrekt. Misschien was het een bewuste keuze van Stutgard om de verwachtingen niet in te lossen, maar door de soms ongefocuste zinnen (‘Er valt altijd wel iets te halen bij koloniale pijn, op het sadistische af, maar vanavond zullen deze zwarte lichamen niet de pijn met elkaar bespreken, enkel het terugvinden van verloren geluk’) hapert de opbouw van suspense en kan de lezer zich niet aan het verhaal binden.

Stemmen van allerlei rangen en standen

Dat viel sowieso op tijdens het lezen van AfroLit. Het lijkt alsof veel teksten niet genoeg ruimte en aandacht hebben gehad om volledig tot hun recht te komen. Taal- en grammaticafouten, kromme zinnen, onbeheerst gebruik van stijlmiddelen en onbedoelde of niet-functionele herhalingen belemmeren de leeservaring van de met kleurrijk taalgebruik en referenties overlopende teksten. Dat is jammer, want het leidt af van die overvolle inhoud. Het is dan ook vreemd dat AfroLit zo’n dun boek is. Zonder Spotify-playlist (ja, die zit er ook in) en voorwoord is AfroLit nog geen honderdvijfenzeventig bladzijdes dik. Je voelt de teksten worstelen met de gekregen ruimte, waardoor het lijkt alsof je beginnende hoofdstukken leest van werken die nog niet af zijn.

Wanneer je geen acht slaat op die dwingende kadering maar AfroLit simpelweg leest uit nieuwsgierigheid naar de inhoud ervan, kan dit een boek zijn om oprecht van te genieten.
Dit leek bij de publicatie van Zwart voor sommige critici ook een struikelblok: in het voorwoord van beide bundels nemen de samenstellers zo’n duidelijk standpunt in over de plek die de teksten zouden moeten veroveren, worden er zulke hoge verwachtingen geschetst, zo’n duidelijke leesrichting bepaald – de schrijvers zouden bijdragen aan ‘de schoonheid van de Zwarte letteren en daarmee Nederlandstalige literatuur’ – dat de significante stoorfactoren vervolgens tot een teleurstellende leeservaring leiden. Die dwingende leesrichting lijkt een verwachting te hebben gecreëerd die veel van de teksten vervolgens niet waar kunnen maken.

En dat is spijtig. Wanneer je namelijk geen acht slaat op die dwingende kadering maar AfroLit simpelweg leest uit nieuwsgierigheid naar de inhoud ervan, kan dit een boek zijn om oprecht van te genieten. Stemmen van allerlei rangen en standen benaderen hun onderwerpen op hun eigen manier, zijn intens persoonlijk of juist afstandelijk en beschouwend, durven uit de bocht te schieten, te experimenteren met vormen en klein te zijn bij het overbrengen van hun ervaringen. De bijdragende makers schrijven enthousiast, ontroerend en nemen geen blad voor de mond. Daarin schuilt dan ook de kracht van AfroLit: in de verteldrang van de makers, want die is overduidelijk en spat van de bladzijdes af bij elke regel die je leest. Het schrijfenthousiasme zal de lezer uiteindelijk ook het meest bijblijven na het lezen van AfroLit, meer dan de worsteling van de bundel met zijn eventuele plek in de literatuur.