Advertentie
Alles-moet-anders-Banner-5

Het Venetië van Proust: wankele stappen op onzekere grond

De ‘madeleinescène’ in Marcel Prousts zevendelige romancyclus À la recherche du temps perdu — waarin de auteur het onderscheid maakt tussen willekeurige en onwillekeurige herinnering — werd een van de beroemdste passages uit de wereldliteratuur. Minder bekend is dat Proust zijn theorieën over subjectiviteit en de werking van het geheugen ontleende aan de Franse empirische psychologie, laat Proust-kenner Manet van Montfrans zien in haar bespreking van het nieuwe boek van literatuurwetenschapper Edward Bizub.

Besproken boeken

Marcel Proust opent en besluit zijn romancyclus Op zoek naar de verloren tijd (À la recherche du temps perdu) met de beschrijving van een extatische gelukservaring. In het eerste deel, De kant van Swann, roept de smaak van een in bloesemthee gedoopte madeleine bij de verteller herinneringen op aan de vakanties die hij als kind doorbracht in het dorpje Combray. Waaraan hij het geluksgevoel te danken heeft dat de bewustwording van deze verloren gewaande herinneringen met zich meebrengt, verzuimt hij na te gaan. Pas drieduizend bladzijden verder, in het zevende en laatste deel, De tijd hervonden, laat Proust zijn verteller het verschijnsel analyseren dat aan dat geluksgevoel ten grondslag lag.

Aanleiding daartoe is, net zoals in de madeleinescène, een toevallige zintuiglijke gewaarwording. Na een langdurig verblijf in een rusthuis keert de ik-figuur terug naar Parijs. Op weg naar een matinee verliest hij bijna zijn evenwicht op de hobbelige keien van de binnenplaats van het Guermantes-hôtel. Die onvaste stap roept bij hem de herinnering op aan de oneffen plavuizen in de doopkapel van de San Marco die hij met zijn moeder gedurende een verblijf in Venetië vele jaren daarvoor had bezocht. En zoals heel Combray herrees uit een kopje thee, zo rijst heel Venetië op uit de sensatie van een wankele stap.

Zoals heel Combray herrees uit een kopje thee, zo rijst heel Venetië op uit de sensatie van een wankele stap.

Tijdens eerdere herinneringen die op dezelfde toevallige manier als bij de madeleine, door zintuiglijke gewaarwordingen – een geur, een geluid, een aanraking – bij hem opkwamen, bespeurde de protagonist al in zichzelf de aanwezigheid van ‘een ander ik’, onderscheiden van zijn oppervlakkige ‘maatschappelijke ik’, ‘een ander ik’ dat vluchtig zijn opwachting maakte en hem telkens weer ontglipte. Totdat hij er in De tijd hervonden eindelijk in slaagt deze kortstondige verschijningen, ‘de onbekende tekens van zijn innerlijk boek’, met elkaar in verband te brengen, en daarin de contouren van dat andere, ‘diepe ik’ te herkennen. De toevallige, door het onwillekeurige geheugen, dat wil zeggen buiten de wil om opgeroepen herinnering, leidt tot een versmelting van heden en verleden, tot een gewaarwording van ‘buitentijdelijkheid’, die gepaard gaat met een bijna religieus gevoel van gelukzaligheid. Proust: ‘Een boek komt voort uit een ander zelf dan het zelf dat we tentoonspreiden in onze gewoontes, in de maatschappij en in onze ondeugden.’ En: ‘Dat boek, het moeilijkst te ontcijferen van allemaal, is ook het enige dat de werkelijkheid ons gedicteerd heeft, het enige waarvan “de indruk” door de werkelijkheid zelf in ons is achtergelaten.’ De vertaling van dat ‘innerlijke boek met onbekende tekens’ is de taak waarvoor de verteller zich geplaatst ziet. Daarmee kan hij de verloren tijd hervinden. Of dat boek dan datgene is wat de lezer op het punt staat dicht te slaan of dat hij het nooit zal lezen omdat het nog geschreven moet worden, blijft in het ongewisse.

Voor de duidelijkheid: de hoofdpersoon die in de Recherche met ‘ik’ wordt aangeduid, is het ‘maatschappelijke ik’ dat zijn tijd ‘verdoet’ met hopeloze liefdes, mondaine genoegens, overpeinzingen over een gemankeerd schrijverschap, en dat door zijn belevenissen steeds aan verandering onderhevig is. Het is ook degene die dit leven achteraf vertelt en analyseert, soms als een nu eens neutrale, dan weer empathische verteller, soms als een beschouwende commentator. Aan het slot van de roman wordt dit onderscheid opgeheven. Bij de ontdekking van het ‘diepe ik’ valt de protagonist samen met de verteller, en is of wordt hij de auteur van zijn eigen geschiedenis.

Het raadsel van de madeleine

In zijn studie Proust et le moi divisé: La Recherche, creuset de la psychologie expérimentale (2006), heeft de Zwitserse literatuurwetenschapper Edward Bizub laten zien hoezeer Proust zijn ideeën over het onderscheid tussen het ‘maatschappelijke’ en het ‘diepe ik’ dankte aan de jonge Franse empirische psychologie, met haar belangstelling voor de meervoudige persoonlijkheid en de werking van het geheugen. Een bron die tot dan toe door Proust-specialisten niet of nauwelijks geëxploreerd was. Ten onrechte, zoals Bizub in zijn grondig gedocumenteerde onderzoek aantoonde. In De l’intelligence (1870) schreef de historicus en filosoof Hippolyte Taine al dat in ieder mens twee wezens huizen die elk met iets anders bezig zijn, de een op het toneel en de ander in de coulissen. Théodule Ribot, de eerste hoogleraar empirische psychologie, publiceerde een studie over geheugenstoornissen, Les maladies de la mémoire (1881), waarvan in 1900 de dertiende editie verscheen. Jean-Martin Charcot, grondlegger van de moderne neurologie, was geïntrigeerd door de persoonlijkheidsveranderingen die zijn patiënten onder hypnose doormaakten. Sigmund Freud, die in 1885-1886 onderzoek deed bij Charcot, beschouwde deze als zijn grote leermeester.

Het idee van een meervoudig ik was, net zoals dat van het onwillekeurige geheugen, aan het einde van de negentiende eeuw al gemeengoed.

Proust was heel goed geïnformeerd over deze ontwikkelingen. Zijn vader, Adrien Proust, demonstreerde in 1890 een patiënt met een meervoudige persoonlijkheid tijdens een hypnosesessie bij Charcot. Zelf liep hij college bij de filosoof Paul Janet en de psycholoog Victor Egger. Het onderwerp van zijn licence-examen in 1895 luidde ‘Unité et diversité du moi’. En niet alleen bij filosofen, psychologen en artsen leefde het idee van een tweede, ander zelf, maar ook (onder invloed van Taine) bij schrijvers als Guy de Maupassant (Le horla) en Robert Louis Stevenson (Dr Jekyll and Mr Hyde). Het idee van een meervoudig ik was, net zoals dat van het onwillekeurige geheugen, aan het einde van de negentiende eeuw al gemeengoed.

Nog verrassender maar ook gewaagder was Bizubs hypothese dat Proust een door hem in 1905-1906 gevolgde therapie in de kliniek van zenuwarts Paul Sollier zou hebben gebruikt als schema voor de structuur van de Recherche. Door zijn behandeling, gericht op het onder hypnose opwekken van herinneringen door middel van lichamelijke gewaarwordingen, zou Sollier zijn patiënt de werking van het onwillekeurige geheugen aan den lijve hebben doen ondervinden. De waakslaaptoestand in het eerste deel van de Recherche, het verblijf van de ik-figuur in een rusthuis, en de genezende en gelukkigmakende inzichten in het slotdeel van de Recherche zouden corresponderen met Prousts belevenissen in Solliers kliniek. (1)

In het diepe ik liggen ervaringen verzonken die in het verleden niet zo bewust zijn doordacht, maar wel door het lichaam geregistreerd en in het geheugen opgeslagen.

Zoals al blijkt uit de titel van zijn recente studie, Faux pas sur les pavés, Proust controversé (2020), concentreert Bizub zich daarin op de ervaringen die in De tijd hervonden de definitieve opstanding van ‘het diepe ik’ bewerkstelligen en tot de uiteenzetting van Prousts literatuuropvatting leiden. De madeleinescène wordt, aldus Bizub, vaak gepresenteerd als het voorbeeld bij uitstek van de werking van het onwillekeurige geheugen. Maar, vervolgt hij, zelfs een oppervlakkige lezing van deze episode laat al zien dat de reminiscenties opgeroepen door het cakeje de protagonist voor raadsels stelt. In zijn eerste kennismaking met het onwillekeurige geheugen herkent de ik nog niet de kracht die zich in zijn binnenste roert. Pas door de wankele stappen op de keien voor het Guermantes-hôtel en de daardoor opgeroepen herinnering aan de doopkapel van de San Marco wordt de wezenlijke vondst van de Recherche onthuld. De madeleine-ervaring en de andere manifestaties van het onwillekeurige geheugen blijken allemaal te verwijzen naar dezelfde plaats waar het diepe ik zich bevindt, ‘een wezen dat’, schrijft Proust, ‘slechts verscheen wanneer het zich, door een van die versmeltingen van heden en verleden, in het enige milieu bevond waarin het kon leven en genieten van de essentie der dingen, dat wil zeggen, buiten de tijd’.

Deze openbaring leidt tot de definitieve wending in het boek. In het diepe ik liggen ervaringen verzonken die in het verleden niet zo bewust zijn doordacht, maar wel door het lichaam geregistreerd en in het geheugen opgeslagen. En door te denken wat hij gevoeld heeft, wil de verteller die ervaringen interpreteren als ‘tekens van evenzovele wetten en ideeën, wil hij uit het duister doen treden wat hij had waargenomen, en dit omzetten in een spiritueel equivalent’. Hij ziet het leven dat hij tot dan toe heeft geleid als een aaneenschakeling van vergissingen, van bedrieglijke illusies. Nu pas kan het enige ware leven beginnen en dat ‘ware leven, het eindelijk ontdekte en verhelderde leven dat bijgevolg ten volle doorleefd wordt is de literatuur’. Dat de lezer duizenden bladzijden lang met de wederwaardigheden van de ik-figuur heeft meegeleefd en zich wel eens om de tuin geleid zou kunnen voelen door deze lastminute ommekeer, lijkt Proust niet te hebben gedeerd.

De binnenplaats van het Guermantes-hôtel: toegangspoort tot het diepe ik?

Een aantal Proust-specialisten staat zeer sceptisch tegenover de uitleg die Proust zijn verteller in het laatste deel van de roman als verklaring van het gevoel van gelukzaligheid laat geven en de religieuze termen waarin hij die vat – ‘verblindend visioen’, ‘hemels voedsel’, ‘eeuwige aanbidding’. De literair-kritische theorieën die hij erop laat volgen kunnen al evenmin op bijval rekenen. Omdat hij vasthoudt aan zijn hypothese dat de psychotherapie bij Sollier Proust de theorie van het onwillekeurige geheugen en de constructie van zijn roman aan de hand heeft gedaan, doet Bizub zijn best om daarmee strijdige interpretaties van de apotheose in De tijd hervonden te weerleggen.

Al in de aanvankelijke opzet zou de roman uit meerdere delen bestaan. Het zouden, aldus Proust, ‘romans over het onbewuste’ worden, en het slot zou een ‘theorie over geheugen en kennis’ behelzen.

In het eerste deel van zijn studie laat hij zien hoezeer het idee van het onwillekeurige geheugen Proust in 1908-1909 bezighoudt. Proust schrijft erover in de eerste aantekeningen voor zijn roman en voor zijn requisitoir tegen Sainte-Beuve, de negentiende-eeuwse literaire criticus die zijn oordeel over het werk van zijn tijdgenoten baseerde op kennis van hun biografie (hun ‘maatschappelijke ik’). Al in de aanvankelijke opzet zou de roman uit meerdere delen bestaan. Het zouden, aldus Proust, ‘romans over het onbewuste’ worden, en het slot zou een ‘theorie over geheugen en kennis’ behelzen. En hij voegt er aan toe dat het bergsoniaanse romans zouden zijn, ware het niet dat zij gedomineerd zouden worden door de tegenstelling tussen het onwillekeurige en het willekeurige geheugen, een tegenstelling die in de filosofie van Henri Bergson ontkend wordt. Bergson, als filosoof favoriet in de hogere kringen tijdens de belle époque, ontvouwde zijn theorie over het geheugen in zijn studie Matière et mémoire. Essai sur la relation du corps à l’esprit (1896). Uit opmerkingen die Proust later in zijn correspondentie aan de constructie van zijn werk wijdt, blijkt dat hij de eerste versie van de scène op de binnenplaats van de Guermantes gelijktijdig met de madeleinepassage in De kant van Swann heeft geschreven. Alles wat zich daartussen afspeelt, zou hij daarna op papier hebben gezet. Begin en einde zijn in die opzet onlosmakelijk met elkaar verbonden.

Na bij Proust zelf te rade te zijn gegaan, geeft Bizub een chronologisch overzicht van bijna honderd jaar Proust-exegese. Vanaf de eerste kritieken na de verschijning van de verschillende delen en het bekende essay van Samuel Beckett (1930) via beschouwingen van onder anderen Maurice Blanchot en Gilles Deleuze tot de meer recente studies van Anne Henry, Vincent Descombes, Antoine Compagnon en Stéphane Chaudier. Niet om er een volledige geschiedenis van te schrijven, maar om er de standpunten uit te filteren die tot in zijn ogen onjuiste interpretaties van het laatste deel van de Recherche hebben geleid. De tussen 1913 en 1945 verschenen commentaren nam hij op in het eerste deel, de naoorlogse beschouwingen in het tweede deel.

In de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw was in de Franse literaire wereld het gebruik van biografische informatie bij de duiding van literaire werken streng verboden.

Die standpunten hangen samen met de veranderende zwaartepunten in de literaire kritiek. In de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw was in de Franse literaire wereld het gebruik van biografische informatie bij de duiding van literaire werken streng verboden. Om dat verbod kracht bij te zetten maakte men dankbaar gebruik van Prousts onderscheid tussen het ‘maatschappelijke ik’ en het ‘diepe ik’. Die kortzichtigheid heeft mede geleid tot een langdurige verduistering van de context waarin de Recherche tot stand was gekomen. Om Prousts denkbeelden en de neerslag ervan in zijn werk te kunnen begrijpen, is het juist wel nodig om bepaalde aspecten van zijn leven en met name zijn intellectuele vorming te kennen. Dat toont Bizub net als in zijn vorige Proust-studie opnieuw overtuigend aan.

Vanaf de jaren tachtig is in de Proust-exegese vooral de theorie van het onwillekeurige geheugen als toegangspoort tot het ‘diepe ik’ mikpunt van kritiek geworden. Sterker nog, de vondst en publicatie in 1987 van de laatste door Proust zelf gedeeltelijk herziene versie van Albertine disparue (het zesde deel, in de Nederlandse vertaling De voortvluchtige) waarin hij, vlak voor zijn dood, hele passages uit het in Venetië spelende gedeelte heeft geschrapt, zijn voor sommige critici aanleiding geweest om te concluderen dat Proust gaandeweg zelf het geloof in die theorie en in de ontknoping van zijn roman had verloren. (2) De struikeling op de binnenplaats van de Guermantes in De tijd hervonden zou niet langer de herinnering kunnen oproepen aan de doopkapel van de San Marco, en daarmee zou de roman zijn innerlijke samenhang verliezen en een open einde krijgen.

Wie de exercitie van deze zeer grondige en kritische exegese heeft doorstaan, wacht nog een aantal andere interessante hoofdstukken.

De passages waarin Bizub verschillende afwijzende interpretaties van de apotheose in Detijd hervondenontrafelt en weerlegt, zijn, hoe interessant ook, te veelomvattend en te gedetailleerd om er binnen het bestek van dit stuk recht aan te doen. De studies van de Proust-specialisten die hij bespreekt, zijn verschenen vóór zijn Proust et le moi divisé, en hij probeert aan te tonen dat het gebrek aan kennis van de Franse wetenschappelijke bronnen van Proust een belangrijke (negatieve) rol speelt bij hun interpretaties. Overigens heeft Luc Fraisse in zijn Léclectisme philosophique de Marcel Proust (2013, 1300 bladzijden) Bizub in dergelijke navorsingen overtroffen en blijft Fraisse bij hem dan ook buiten schot.

Wie de exercitie van deze zeer grondige en kritische exegese heeft doorstaan, wacht nog een aantal andere interessante hoofdstukken. Zoals in het tweede deel de samenvatting van de opmerkelijke theorieën over homoseksualiteit en jodendom die Proust zijn verteller in Sodom en Gomorra laat ontvouwen, en in het derde deel de hoofdstukken over Sollier als rivaal van Freud en de ingrijpende wijzigingen in het ultieme typoscript van Albertine disparue. In de epiloog improviseert Bizub met uitstapjes naar Pascal Quignard en Samuel Beckett vrij op het thema van de wankele stap. Ik beperk mij hier tot de twee hoofdstukken in het derde deel.

Het onbewuste: Proust en Sollier versus Freud

Proust schreef aan de vooravond van de publicatie van De kant van Swann dat hij de verschillende delen van zijn Recherche zag als een ‘reeks romans over het onbewuste’. Dat ‘onbewuste’ van Proust dat hij zelf ‘onzichtbaar als het meer van Genève bij nacht’ noemde, is een dankbaar onderwerp geweest voor talrijke, op de psychoanalyse gestoelde interpretaties waarbij al evenmin Prousts kennis van de ontwikkelingen in de Franse empirische psychologie betrokken werd, eenvoudigweg omdat men daarvan niet op de hoogte was. Toch, merkt Bizub op, hadden de schrijvers van deze interpretaties gewaarschuwd kunnen zijn: Freud zelf keurde de Recherche geen psychoanalytische lezing waardig.

Proust beschrijft het onbewuste als een tweede bewustzijn, dat zich ophoudt op een verborgen plek, maar dat in potentie toegankelijk is en opgeroepen kan worden door een zintuiglijke gewaarwording.

Proust kende het werk van Freud niet, Freud wel dat van Proust. Hij las De kant van Swann in 1926, dus voor de publicatie van het laatste deel in 1927, en stak zijn misprijzen niet onder stoelen of banken. De voor andere psychoanalytisch georiënteerde critici zo betekenisvolle madeleinescène schijnt hem niet te hebben aangesproken. Bizubs verklaring daarvoor is het verschil in opvattingen tussen Freud en Sollier, wiens visie op het onbewuste in de Recherche zou doorklinken. Freud kende het door Sollier in opdracht van Charcot geschreven Le problème de la mémoire: essai de psycho-mécanique (1900), een studie die Sollier op 25 december 1905 met een opdracht aan zijn patiënt Proust cadeau had gedaan bij wijze van gebruiksaanwijzing bij zijn therapie. Deelde Freud aanvankelijk de aandacht van zijn collega voor een neurofysiologische verklaring van het geheugen, na 1900 scheidden hun wegen zich. Sollier distantieerde zich, in een herziene uitgave van zijn Lhystérie et son traitement (1901; 1914), in duidelijke bewoordingen van de definitie van het onbewuste die Freud en Josef Breuer gaven in hun Studien über Hysterie (1895). Zijn therapie berustte niet op het theoretisch fundament van een universeel onbewuste, en hij beperkte zich in zijn therapieën niet tot de vrije associatie.

Proust beschrijft het onbewuste als een tweede bewustzijn, dat zich ophoudt op een verborgen plek, maar dat in potentie toegankelijk is en opgeroepen kan worden door een zintuiglijke gewaarwording. Het toeval speelt daarbij wel een doorslaggevende rol: zonder toeval geen onwillekeurige herinnering. Volgens Bizub zou Freuds afwijzing van De kant van Swann onder meer te verklaren zijn uit zijn meningsverschillen en rivaliteit met Sollier. Degenen die, zoals Prousts biograaf Jean-Yves Tadié of de filosoof Vincent Descombes in de Recherche een echo van Freuds theorieën willen horen, zijn dan ook abuis, aldus Bizub. Recent zijn het de neurowetenschappers die, zonder zich te beroepen op de klassieke psychoanalyse, de vondsten van Proust en de rol die hij toekent aan zintuiglijke gewaarwordingen weer als actueel beschouwen. (3)

Proust als Penelope

De publicatie in 1987 van de nieuwe, aanzienlijk kortere versie van Albertine disparue zorgde voor de nodige opschudding onder proustianen. Deze versie laat de beslissende wending in het laatste deel, de door de herinnering aan het bezoek aan de San Marco bewerkstelligde opstanding van het diepe ik, in het luchtledige hangen. De keien zouden niet meer in plavuizen veranderen, de binnenplaats van de Guermantes niet meer in de rijk geornamenteerde doopkapel, Venetië zou niet, zoals eerder Combray, voor het geestesoog van de ik-figuur verrijzen. De toegang tot het ‘ware leven’ zou geblokkeerd zijn. De roman die zijn schepper zo graag met een kathedraal vergeleek, zou een hoeksteen moeten ontberen. Een dergelijke ingreep in de thematische samenhang van de roman zou Proust, als hij tijd van leven zou hebben gehad, hebben gedwongen niet alleen het slot te herschrijven, maar ook tal van andere passages.

Deze ontwikkeling was koren op de molen van critici als Descombes, Compagnon en Chaudier, die de ontknoping in het laatste deel niet serieus namen. Maar volgens Bizub is het resultaat van deze ingreep desastreus, vergelijkbaar met een Divina Commedia zonder Paradijs of zonder Beatrice. Misschien niet in het minst omdat die zijn hypothese over de constructie van de Recherche ondermijnt. En misschien ook omdat Venetië in zijn eerste studie over Proust en John Ruskin, La Venise intérieure: Proust et la poétique de la traduction (1991), zo’n centrale rol speelde. (4)

We weten waarom Penelope elke nacht het lijkkleed dat ze overdag voor haar oude schoonvader weefde weer uithaalde, maar waarom zou Proust op het laatste moment zo destructief te werk zijn gegaan?

Toch kan Bizub niet nalaten de vragen te stellen die door de verkorte versie worden opgeroepen. We weten waarom Penelope elke nacht het lijkkleed dat ze overdag voor haar oude schoonvader weefde weer uithaalde, maar waarom zou Proust op het laatste moment zo destructief te werk zijn gegaan? Als die ingreep niet te wijten is aan de delirante geestestoestand van een al doodzieke man, waarom zou hij dan het risico genomen hebben om de zorgvuldig uitgebalanceerde constructie van de onwillekeurige herinneringen onderuit te halen, en jaren werk in de waagschaal te stellen? Zijn er in de roman punten aan te wijzen waarop Proust lijkt te aarzelen? Zou hij zich hebben willen ontdoen van de religieuze toonzetting van zijn visioen? Zou hij, eenmaal afgedaald in het diepe ik, op zoek naar de bron van zijn scheppingsdrang, een monster hebben zien opdoemen, zoals Theseus in het labyrint van Daedalus? Of zou hij het ‘ware, mooie boek’ opeens als een reusachtige leugen beschouwd hebben?

Bizub biedt een bonte keur aan suggesties voor antwoorden, maar kan de knoop niet doorhakken. Aan het slot van zijn indrukwekkende omzwervingen, waarin hij de spanningsboog van de Recherche in lengte evenaart, raadt hij zijn lezers aan om een soort weddenschap à la Pascal aan te gaan. (5) Degenen die de scène op de binnenplaats van het Guermantes-hôtel en het onwillekeurige geheugen ongeloofwaardig vinden en verwerpen, zijn eigenlijk gedwongen om een tekst te interpreteren die hen niet aanstaat, die niet hun ‘genre’ is. Meer te winnen heeft de lezer die ondanks alle onzekerheid geloof blijft hechten aan de openbaring die door de wankele stap op de binnenplaats van de Guermantes in gang wordt gezet.

Noten

(1) De studies van Charcot, Ribot en Sollier zijn integraal online op Gallica te raadplegen.

(2) Proust had deel zes van de Recherche de titel La Fugitive willen geven. Omdat die titel kort daarvoor al was gebruikt voor een vertaling van de Indiase dichter Rabindranath Tagore, werd het Albertine disparue (Albertine verdwenen). De laatste door Proust zelf gecorrigeerde, aanzienlijke ingekorte versie verscheen in 1987 ook onder die titel bij Grasset, onder redactie van Nathalie Mauriac en Etienne Wolf. Thérèse Cornips koos in haar vertaling voor de oorspronkelijke titel, De voortvluchtige.

(3) Zie hierover Edward Bizub, ‘La madeleine entre psychoanalyse et neurosciences’, Marcel Proust Aujourd’hui 11, reds. Sjef Houppermans et al. (Leiden 2014): 111-124.

(4) De Engelse kunstcriticus en schilder John Ruskin, van wie Proust samen met zijn moeder tussen 1900 en 1906 twee boeken vertaalde, was met zijn verheven opvattingen over kunst en zijn bewondering voor de gotiek voor Proust geruime tijd een leermeester. In De gevangene leest de moeder tijdens het bezoek aan Venetië voor uit The Stones of Venice van Ruskin.

(5) De zeventiende-eeuwse filosoof formuleerde deze weddenschap in zijn Pensées (1670). Volgens Pascal hebben wij er allemaal belang bij om in God te geloven, of hij bestaat of niet. Als hij niet bestaat, hebben wij (bijna) niets te verliezen. Als hij wel bestaat, hebben we er alles bij te winnen. De gelovigen komen in de hemel, de ongelovigen in de hel.

Verder lezen

  • Edward Bizub, La Venise intérieure: Proust et la poétique de la traduction (Neuchâtel 1991).
  • Edward Bizub, Proust et le moi divisé: La Recherche, creuset de la psychologie expérimentale (Genève 2006).
  • Luc Fraisse, Léclectisme philosophique de Marcel Proust (Parijs 2013).
  • Marcel Proust, Op zoek naar de verloren tijd (Amsterdam 2018).
  • Marcel Proust, Tegen Sainte-Beuve:relaas van een ochtend, red. Marjan Hof (Amsterdam 2009).