Advertentie
ad

Herinneringen van een cultuurwetenschapper: over het potentieel van de protestgeneratie

Hoewel de naam Helmut Lethen in Nederland weinig belletjes zal doen rinkelen, maakte de revolutionaire cultuurwetenschapper van 1977 tot 1995 school in Utrecht. In het Duitse taalgebied is hij inmiddels een heus cultfiguur geworden, volgens Ewout van der Knaap. In zijn rijke autobiografie treffen we respectievelijk een bevlogen activist, een gedreven (en andermaal miskend) wetenschapper en een ontwapenend oprecht beschouwer van de politieke en maatschappelijke transitie van naoorlogs linksradicalisme naar het huidige rechtspopulisme.

Besproken boeken

In 1995, bij zijn afscheid van de Universiteit Utrecht, schonk Helmut Lethen (geb. 1939) me een geëmailleerde Chinese theepot die zijn werkkamer had gesierd. Die theepot, die nu al jaren in mijn boekenkast staat, symboliseert voor mij het maoïstische verleden van deze grote Duitse cultuurwetenschapper. Toen de charismatische studentenleider Rudi Dutschke in 1967 de politie ontglipte door bij een demonstratie zijn leren jack aan een ander te geven, was die ander de activistische jonge intellectueel Lethen. Decennia later schreef Lethen over de noodzaak onder bepaalde condities een pantser te dragen en de eigen identiteit af te leggen.

Lethen schetst de anekdote van het jack in zijn memoires, vorig jaar uitgekomen bij Rowohlt. Zijn herinneringen, die ook een soort geschiedenis vormen van de bondsrepubliek, werpen een bijzonder licht op de protestgeneratie: hij schrijft daarover zelf dat de geschiedenis de deelnemers groter heeft gemaakt dan ze eigenlijk waren. Met het Brecht-citaat uit de titel, ‘Denn für dieses Leben ist der Mensch nicht schlau genug’, keert hij zich tegen de gedachte dat de geschiedenis, zijn geschiedenis, volgens een plan verloopt.

Als student bestreed Lethen met generatiegenoten het universitaire establishment, plaagde hij Adorno met popliedjes uit een jukebox, en bezette hij tot zijn latere schaamte het instituut van de bekende filoloog Peter Szondi.

Als student bestreed Lethen met generatiegenoten het universitaire establishment, plaagde hij Adorno met popliedjes uit een jukebox, en bezette hij tot zijn latere schaamte het instituut van de bekende filoloog Peter Szondi (die hem later bij een sollicitatie aan een universiteit toch zou ondersteunen). Het was de tijd dat hij een kostbare eerste druk van Döblins ‘Berlin Alexanderplatz’ (1929) inruilde voor Lenins politieke geschriften en ook de tijd dat zijn politieke compagnon Rüdiger Safranski nog leraar op een alternatieve school was. Lethen beschouwt de woeligheid van de jaren zestig als een reactie op de geslotenheid van de jaren vijftig. Lethen was lid van de in 1970 door studenten opgerichte KPD, een maoïstische communistische partij die afweek van de in 1968 opgerichte leninistische DKP. De scherpslijperige ideologie van de groepering was in zijn ogen zowel een reactie tegen de hedonistische experimenteerdrift van de jaren zeventig als een stabiliserende factor in een tijd dat de bondsrepubliek haar grondwettelijke idealen nog in de praktijk moest brengen. De partij maakte levens kapot; hijzelf werd vanwege zijn gebrek aan kadaverdiscipline uitgestoten. Het zou zijn redding blijken.

Lethen is ook nu nog een publiek figuur: toen hij tachtig werd portretteerden diverse Duitse kranten hem vanwege zijn verrijkende bijdrage aan de geesteswetenschappen. Ook is er het opvallende feit dat zijn vrouw zich sinds 2015 manifesteert als een spreekbuis van de identitaire beweging in Oostenrijk. Het leidde tot een artikel in de New York Times met de kop: ‘A Very German Love Story: When Old Left and Far Right Share a Bedroom’. 

Ideologie en wetenschap

Lethens leven is grofweg in de volgende stadia onder te verdelen: een vroege jeugd tijdens de tweede wereldoorlog, een braaf jaren vijftig-milieu als tiener, ontluikend politiek bewustzijn in de jaren zestig – met een studententijd die zich deels in Amsterdam afspeelde en een maoïstische periode in Berlijn –, een beroepsverbod in Duitsland vanwege extreemlinkse idealen, twee decennia (hoofd)docentschap in Utrecht, tien jaar als hoogleraar in voormalig Oost-Duitsland (Rostock), directeur van het vermaarde Internationales Forschungszentrum Kulturwissenschaften in Wenen, hoogleraar aan de Kunstuniversität Linz.

Internationale faam verwierf zijn boek ‘Verhaltenslehren der Kälte – Lebensversuche zwischen den Kriegen’ (1994), geschreven in de Nederlandse forensenstad Maarssenbroek.

Dat niet alles in de wetenschap volgens plan verloopt, dat wist Max Weber al. In ‘Wissenschaft als Beruf’ (1919) schrijft hij dat een wetenschappelijke carrière in Duitsland in de eerste plaats afhankelijk is van het toeval, maar dat toewijding en passie wezenlijk zijn om erin te kunnen slagen. De ware wetenschapper, meent Weber, wijdt zich geheel aan zijn taken, vertoont geen demagogisch of profetisch gedrag en weet dat ideeënrijkdom gestoeld op grondige kennis een basisvoorwaarde is.

Lethens geleerdenautobiografie biedt intrigerende stof voor wetenschapsbeoefenaars. Wat heeft hij te zeggen over invloeden, netwerk, carrièreverloop? Welke markante anekdotes, verdachte praktijken en schandalen brengt hij voor het voetlicht?

De kunst van de onverschilligheid

Een leren jack als een tweede, identiteitverhullende huid. In Lethens werk gaat het over de noodzaak jezelf te kunnen pantseren. Hij promoveerde op literaire Nieuwe Zakelijkheid en schreef later met een collega een boek over Brecht. Internationale faam verwierf zijn boek ‘Verhaltenslehren der Kälte – Lebensversuche zwischen den Kriegen’ (1994), geschreven in de Nederlandse forensenstad Maarssenbroek. In het boek ging hij in op gedragspatronen in het intellectuele klimaat van het interbellum, waarmee hij tegelijkertijd de kille behoedzaamheid en de zwijgzaamheid van de naoorlogse jaren duidde. Het boek was een ontnuchterend antiserum tegen de in de jaren negentig dominante cultus van authenticiteit. Inmiddels kun je het ook lezen als ontsnapping aan het populisme en de hang naar het collectief. Lethen combineerde Plessners stuurloze en functionele mens (in ‘Grenzen der Gemeinschaft’, 1924) met het zeventiende-eeuwse handorakel van Baltasar Gracián. Gracián preekt in honderden aforismen de kunst van de voorzichtigheid en onverschilligheid. De tekst, door Arthur Schopenhauer naar het Duits vertaald, paste volgens Lethen bij de overlevingsstrategieën tijdens de Republiek van Weimar. De turbulente jaren twintig werden gekenmerkt door een voortdurende maskerade, dubbelspel, pantsering tegen verraad, verkozen anonimiteit.

Smakelijk beschrijft hij de sneeuwbalmethode van zijn onderzoek en merkt daarbij ironisch op dat een dergelijk project als onderzoeksaanvraag nooit gehonoreerd zou zijn geweest. Dat zijn intuïtie klopte, blijkt later als in een koffer van Brecht een exemplaar van Gracián wordt gevonden.

In het handboek voor oplichters (1927) van Walter Serner vond Lethen een pendant van Gracián. Lethen ontwierp een typologie van persona, creatuur en radartype (iemand die zich vooral laat leiden door zijn omgeving) – geënt op de overlevingsstrategieën van personages en auteurs. Lethen ontdekte Gracián bij toeval, zag gelijkenissen met Brecht en vond bij enkele denkers en schrijvers een Gracián-toon. Smakelijk beschrijft hij de sneeuwbalmethode van zijn onderzoek en merkt daarbij ironisch op dat een dergelijk project als onderzoeksaanvraag nooit gehonoreerd zou zijn geweest. Dat zijn intuïtie klopte, blijkt later als in een koffer van Brecht een exemplaar van Gracián wordt gevonden. In het exemplaar was veel aangestreept en Walter Benjamin schreef er een opdracht in die Lethen in zijn boektitel citeert, een regel van een lied uit Brechts ‘Dreigroschenoper’ waarin wordt bezongen hoe vergeefs het is dat de mens plannen maakt.

Het plan voor deze autobiografie ontstond pas na zijn emeritaat. Lethens hoge productie na zijn pensioen – tekenend voor de geringe tijd die er aan universiteiten is om vrij onderzoek te doen en boeken te schrijven – is opmerkelijk: hij publiceerde achtereenvolgens boeken over Gottfried Benn, fotografie en de elite in het Derde Rijk. Sinds 2013 bezit het Duitse literatuurarchief in Marbach de ‘voorlatenschap’ van Lethen.

De oorlog trekt diepe voren door Lethens werk en leven.

Lethen heeft ondertussen een ware cultstatus bereikt in het Duitse taalgebied. De Duitse tv-satiricus Harald Schmidt besteedde regelmatig aandacht aan hem en zijn werk. Hij speelde in zijn show met Playmobilpoppetjes scenes uit de Duitse literatuur na en verwees naar Lethens teksten over de avonturier Ernst Jünger en de omstreden rechtsfilosoof Carl Schmitt. In een andere show speelde hij zelfs een opstel van Lethen over de constellatie Schmitt-Benn-Jünger na: drie mannen tussen het puin.

De strijd tegen de gevestigde orde

Ook Lethen groeit op tussen het oorlogspuin. In 1957 neemt een godsdienstleraar zijn klas mee naar de film ‘Nacht und Nebel’, een Franse film over de concentratie- en vernietigingskampen. Het maakt grote indruk op Lethen, die later opmerkt dat de Duitse jeugd, anders dan vaak wordt gesteld, geen bewuste heropvoeding heeft gekregen. Hij stelt vast dat hij uit schaamte voor de miljoenenmoord zich pas decennia later, toen er tentoonstellingen kwamen over de betrokkenheid van Duitse soldaten bij oorlogsmisdaden, ook wetenschappelijk met de tweede wereldoorlog bezig kon houden.

Lethen associeert de Nederlandse wetenschapscultuur met koffiedrinken, compromissen sluiten en de dominantie van het maaiveld.

De oorlog trekt diepe voren door Lethens werk en leven. De voedingsbodem voor zijn preoccupatie met het interbellum ligt in zijn jeugd. Als kind moest hij voor bombardementen schuilen, nu vraagt hij zich af waarom hij ondanks de uitgestane doodsangsten toch het gevoel heeft een zorgeloze jeugd te hebben gehad. Zijn vader leert hij pas na diens krijgsgevangenschap kennen, een in wezen apolitieke en zachtaardige man, die thuis niets te zeggen had en niet slim genoeg leek voor het leven. De naoorlogse jaren in Mönchengladbach vormden de ‘Wolfszeit’ waar Harald Jähner over schreef. Ook Lethen had een daadkrachtige, autonome moeder die moeiteloos van nationaalsocialisme naar wederopbouw was overgestapt. Na zijn middelbare schooltijd dient Lethen vrijwillig als officier in het Duitse bondsleger en put genoegen uit de fysieke uitdagingen. Hij kijkt met verbazing op die beslissing terug. Militaire dienst is niet bepaald gebruikelijk in zijn linkse milieu. De lezer kan wel raden naar mogelijke beweegredenen van de toen twintigjarige.

Alle mythevorming rond Lethen als onthechte persoonlijkheid ten spijt, zoekt hij het gezelschap van in zijn boek figurerende collega’s en vrienden op; dit vraagt om een netwerkanalyse. Lethens eerbetoon aan zijn maatje Heinz Dieter Kittsteiner springt eruit: een onafhankelijke geest met wie hij ooit nog een tijdschrift begon. ‘Kitt’ stierf onverwachts op 65 jarige leeftijd waardoor slechts het eerste deel van een monumentaal geschiedsfilosofisch werk postuum kon verschijnen.

Tot dan toe was Lethens carrièreverloop in belangrijke mate bepaald door afwijzingen om zijn politieke opvattingen, en nu culmineerde die in afkeuring op grond van zijn wetenschappelijke opvattingen. Lethen voelt zich in Utrecht ondergewaardeerd.

Plotwendingen

Ook uit Lethens Nederlandse jaren passeren de nodige namen. Bij hem thuis komt een leesgroep Suppe und Theorie bijeen: iemand bereidde een maaltijdsoep en daarboven werden nieuwe theoretische teksten besproken. (Ik herinner me hoe ik bij mijn kookbeurt meer bezig was met de vraag of de soep was gelukt dan met de theorie.) Lethen associeert de Nederlandse wetenschapscultuur met koffiedrinken, compromissen sluiten en de dominantie van het maaiveld. Symptomatisch is de insteek van zijn onderzoeksdirecteur, een man die er een nogal smalle visie op de literatuurwetenschap op na houdt en die de cultuurwetenschappelijke aanpak van Lethen als essayisme beschouwt. Deze zelfde literatuurwetenschappelijke onderzoeksdirecteur zou later door Karel van ’t Reve op de korrel worden genomen in zijn beroemde Huizinga-lezing. Lethens anthropological turn, de mentaliteitshistorische benadering die meer aandacht vroeg voor patronen in de ontstaanscontext van literatuur, werd niet begrepen. Tot dan toe was Lethens carrièreverloop in belangrijke mate bepaald door afwijzingen om zijn politieke opvattingen, en nu culmineerde die in afkeuring op grond van zijn wetenschappelijke opvattingen. Lethen voelt zich in Utrecht ondergewaardeerd, en onderschat daarbij de bewondering die hem zeker van studentenzijde ten deel viel. Zijn altijd verrassende colleges zetten de studenten aan om literaire teksten vanuit minder geijkte kaders te lezen, om kritisch over gebruikte concepten en discoursen na te denken.

Dat Lethen na Utrecht nu juist in Rostock terechtkomt, een universiteit die na de val van het staatssocialisme moest worden heringericht en waar de bibliotheekplanken opvallende hiaten vertoonden, is kenmerkend voor zowel zijn pioniershouding als voor de verhoudingen. Nagenoeg vrij spel verwerft hij pas daarna, tijdens zijn Weense jaren, als directeur van het internationale cultuurwetenschappelijke instituut. Het is een periode die eindigt met het politieke gekrakeel rond zijn extreemrechts geworden echtgenote – in zekere zin een generatiestrijd (zij is 35 jaar jonger). Vlijmscherp ontleedt Lethen haar politieke argumenten en die van anderen die wel treuren om de brandende Nôtre Dame maar niet om verdronken emigranten; hij laat zien hoe haaks ze staan op zijn idealen, die hij nadrukkelijk verdedigt.

En dan, tot slot, eindigen de herinneringen met het beeld van zijn badende gezin in de Weense zomer, waar het boek met een sneeuwstorm begon. De man die al zijn hele leven de kilte in het gedrag ontleedt, vindt de warmte. Aan plotwendingen in dit leven geen gebrek.