Een ongehoord goed verhaal: proloog
Iwan Brave

Een ongehoord goed verhaal: uitgefilterd (Brieven uit Suriname) | Iwan Brave


25 jaar geleden besloot de Surinaams-Nederlandse journalist Iwan Brave Nederland te verruilen voor Suriname, uit onvrede over een minderhedendebat waarin vooral over minderheden gesproken werd, maar zelden met hen. In Brieven uit Suriname blikt hij terug op het Nederland van toen, en naar het Nederland van nu. Hoe staan we ervoor, vanuit De West bezien? Deel 1: proloog.


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Dit essay verscheen in 2021#3.

Ik zie dat blonde kleuterjongetje nog zo voor me bij de banketbakker in de Amsterdamse Afrikanerbuurt, waar ik deels opgroeide. Het was begin jaren tachtig en ik begintwintiger. ‘Dag Zwarte Piet’, groette het jongetje me lieflijk en vertederend. Zijn moeder liep vuurrood aan van schaamte. Maar ik zei welgemeend glimlachend: ‘Dag jongen. Nee hoor, ik ben Zwarte Piet niet’, en gaf begripvol een aai over zijn bol. De associatie van een kind.

Aan de eettafel bij goede vrienden sneed ik ook de oorsprong van Zwarte Piet aan. Geen moment dacht ik aan afschaffen van de goedlachse cadeautjesknecht. Maar de boodschap was duidelijk: deze zwarte snotneus had hierin geen recht van spreken.
Zo ging ik ermee om als zwarte jongen in de Nederlandse samenleving, waar ik me, ondanks alledaags racisme, thuis voelde. Wel stoorde ik me aan die jolige grijns die ik geregeld kreeg als ik negerzoenen (eiwitschuimgebakje met dun chocoladeomhulsel) afrekende. Ik was dol op die krengen. Daarom was ik een ludieke handtekeningenactie begonnen om de naam ‘negerzoen’ te veranderen, puur om van die lolbroekengrijns af te komen.

Ik zat inmiddels op het Amsterdamse Montessori Lyceum, een Bolwerk van Vrijdenkers. Mijn overwegend witte vriendenkring was geconcentreerd in het elitaire Amsterdam-Zuid, waar velen prat gingen op hun progressieve ruimdenkendheid. Maar mijn handtekeningenactie verliep uitermate stroef vanwege oeverloze discussies over ‘onschuldige’ woorden als ‘jodenstreek’. Dat die hun stereotyperende lading allang niet meer zouden dragen maakte ze niet minder verwerpelijk, meende ik.

Aan de eettafel bij goede vrienden sneed ik ook de oorsprong van Zwarte Piet aan. Geen moment dacht ik aan afschaffen van de goedlachse cadeautjesknecht. Maar hun moeder voegde me ineens ongekend giftig toe: ‘Als jij eens wist wat Zwarte Piet vroeger in dit gezin heeft betekend, dan kom jij…’ Ze slikte haar woorden in maar de boodschap was duidelijk: deze zwarte snotneus had hierin geen recht van spreken. Toch had ik dat wel degelijk, als in het ‘Rijksdeel’ Suriname geboren Nederlander die dit koloniale erfgoed opgedrongen had gekregen als uitvloeisel van driehonderd jaar slavernij. Het was vooral deze miskenning die mij onaangenaam trof.

Ik blies hierna mijn anti-negerzoenactie af want de kool was het sop niet waard. Maar het was het eerste haarscheurtje in mijn rotsvaste overtuiging dat Nederland ‘tolerant’ was. De bres zou pas jaren later komen, toen ik beginnend journalist was – waarover in een volgende brief dieper.

Zwijgen, spreken, vertrekken

‘Een goed verhaal wil eigenlijk niet gehoord worden. Het is namelijk ego dat je jouw persoonlijke verhaal verteld wil hebben, omdat je eigenlijk nog veren in je kont gestoken wilt krijgen, nog applaus wilt krijgen.’ Zo sprak de tachtigjarige, eveneens geremigreerde cineast Pim de la Parra – ‘godfather van de Nederlandse minimal movie’ – toen ik hem vorig jaar interviewde over zijn artistieke nalatenschap. Hij is ook de regisseur van de ‘Surinaamse’ klassieker Wan Pipel (één volk), die gaat over moeizame raciale verhoudingen.

‘Toen hij merkte dat Nederland niet wilde horen wat hij te vertellen had, besloot hij de strijd op te geven’, schrijft Raoul de Jong over mij in Jaguarman.

Ik werk alweer even aan een autobiografie waarmee ik hoop Nederland een spiegel voor te zullen houden. Maar de reflectie van De la Parra’s woorden ketste terug en bracht mij aan het twijfelen. Waren mijn motieven wel zuiver, of hoopte ik – stiekem diep van binnen – in deze nieuwe tijd alsnog op genoegdoening, op veren in mijn kont? Wilde mijn verhaal überhaupt nog wel gehoord worden? ‘Toen hij merkte dat Nederland niet wilde horen wat hij te vertellen had, besloot hij de strijd op te geven’, schrijft Raoul de Jong over mij in zijn autobiografische zoektocht annex familiegeschiedenis Jaguarman – mijn vader, zijn vader en andere Surinaamse helden.

Als ik gebleven was, zou ik misschien een veel kwaaiere Akwasi zijn geweest en had ik Zwarte Piet al lang geleden, op een gure novemberdag, op zijn bek geslagen. Systematisch niet gehoord en uitgesloten worden, maakt je op den duur een boze man, of je nu wit of zwart bent.

Autochtonen en allochtonen

‘Dé krant van Amsterdam’ verkoos stigmatiserende stukken over minderheden. Het werd een teleurstellend eenzijdig debat; over minderheden maar zelden met hen.
Toen Frits Bolkestein rond 1992 het ‘minderhedendebat’ aanzwengelde, juichte ik dat toe. Voortkomend uit de ‘zwarte gemeenschap’ dacht ik – naïef – als freelance medewerker en ‘oor en oog’ voor Het Parool de zaken van beide kanten te kunnen belichten. ‘Dé krant van Amsterdam’ bleek echter helemaal niet geïnteresseerd in nuanceringen over de hoofdstedelijke ‘multiculturele’ samenleving. Ze verkoos stigmatiserende stukken over minderheden. Het werd een teleurstellend eenzijdig debat; over minderheden maar zelden met hen.

De samenleving werd gemakshalve verdeeld in ‘autochtonen’ en ‘allochtonen’. Ineens behoorden wij, vergroeid met de Nederlandse taal en cultuur, tot dezelfde categorie als, zeg, vluchtelingen uit Jemen. Dat stak, bezien vanuit onze gedeelde geschiedenis. Ik kon er niets mee, met die eenheidsworstterm. ‘Je bepaalt toch zelf wat je bent’, kreeg je dan te horen. Weinig empathisch en makkelijk gezegd, want ondertussen werd je bij iedere gelegenheid door de media als de ‘allochtoon’, die (over)lastige, gelabeld.

Zwarte en witte scholen

In die tijd woedde een discussie over ‘zwarte scholen’, oftewel scholen waar tenminste de helft van de leerlingen als ‘allochtoon’ gold. De media waren vooral druk met het rapporteren over de bezorgdheid van witte ouders die hun kroost halsoverkop van deze ‘achterstandsscholen’ haalden. Zwarte scholen kregen zonder omhaal het predicaat ‘slechte kwaliteit’.

De media waren vooral druk met het rapporteren over de bezorgdheid van witte ouders die hun kroost halsoverkop van deze ‘achterstandsscholen’ haalden.

Ondertussen was er ook beroering over het onderwijsplan Samen naar School. Delen van het speciaal onderwijs moesten opgaan in het reguliere, want het speciaal onderwijs kostte viermaal zoveel. In de media kwamen uitsluitend verontruste, (soms snikkende) witte ouders aan het woord die vreesden voor de kansen van hun ‘moeilijk lerend’ kind. Vanwege de opgelaaide emoties werd het plan opgeschort.

Ik werd gebeld door John Biharie, een orthopedagoog van Surinaamse afkomst. Hij wees op de ‘zoveelste selectieve verontwaardiging’ in de Nederlandse samenleving. ‘De meeste scholen binnen het speciaal onderwijs in de Randstad zijn allang zwarte scholen’, zei hij stellig. Op zijn aanraden ging ik observeren bij verschillende scholen, in zowel gegoede als volksbuurten. Zonder uitzondering waren het (git)zwarte scholen met opvallend veel leerlingen van creools-Surinaamse afkomst.

Een directeur noemde het peperdure speciaal onderwijs een ‘goudgerande vuilnisbak’. Daarin belandden onevenredig en absoluut veel migrantenkinderen als ‘rotzooi van de maatschappij’.
Een directeur noemde het peperdure speciaal onderwijs een ‘goudgerande vuilnisbak’. Daarin belandden onevenredig en absoluut veel migrantenkinderen als ‘rotzooi van de maatschappij’. De onevenredigheid was zo groot dat die met goed fatsoen niet langer toe te schrijven viel aan ‘het taalprobleem’ en ‘de thuissituatie’. ‘Gezien de enorme aanwas migrantenkinderen is het niet langer verantwoord om “aanpassen” te blijven roepen en iedereen langs dezelfde meetlat te leggen’, zei de schooldirecteur over de ‘achterhaalde’ IQ-testen.

Ik sprak pedagogen, schoolhoofden, leerkrachten, ouders en leerlingen. Toch vond de eindredactie dat het lag aan het taalprobleem en de thuissituatie, want ‘daarover waren rapporten verschenen’. Mijn tegenwerping dat het om ‘nieuwe inzichten’ ging, bracht geen soelaas. Het artikel werd niet opgenomen. Op mijn voorstel het te herschrijven was het antwoord: ‘Ik denk niet dat het ons van oordeel zal veranderen.’ Mijn conclusie: de witte redactie was niet in staat zich rekenschap te geven van de voortschrijdende inzichten uit de multiculturele samenleving zelf.

‘niet in die allochtonenhoek gaan zitten’

Mijn conclusie: de witte redactie was niet in staat zich rekenschap te geven van de voortschrijdende inzichten uit de multiculturele samenleving zelf.
‘Je moet niet te veel in die allochtonenhoek gaan zitten’, wilde een eindredacteur mij nog vaderlijk behoeden. ‘Met jouw kwaliteiten kan je binnen enkele jaren tweedeklasseverslaggever worden.’ Een dilemma: ik had natuurlijk carrièreambities maar wilde ook niet wegkijken van misstanden. Dus bleef ik onderwerpen aandragen vanuit ‘multicultureel perspectief’. Ineens waren mijn artikelen ‘inconsistent van betoog’, ‘niet doortimmerd’ of ‘vergezocht’. Mijn plaatsingsscore als freelancer dropte naar nihil. Ik zocht het een poos bij mezelf, maar kwam uiteindelijk tot de bittere conclusie dat ik buitenspel geplaatst was.

Uit frustratie schreef ik ingezonden stukken over in Het Parool verschenen ‘stigmatiserende’ artikelen. Maar wie zat daar te wachten op iemand die het eigen nest bevuilde? Dezelfde vaderlijke eindredacteur zei: ‘Als je je hier niet meer thuis voelt, kan je je heil misschien beter elders zoeken.’ Dat werd dus Suriname… ‘Liever eersterangsburger in mijn krakkemikkige geboorteland dan tweederangsburger in een geoliede westerse maatschappij’, was mijn besluit.

Een kwart eeuw later

Vorig jaar, een kwart eeuw later, sprak premier Rutte – na heel veel treuzelen en nogal omwonden – het hoge woord, in reactie op de overgewaaide Black Lives Matter-protesten: ‘Het is niet alleen in de VS dat er mensen leven die het gevoel hebben dat zij niet volledig meetellen in de samenleving.’

Liever eersterangsburger in mijn krakkemikkige geboorteland dan tweederangsburger in een geoliede westerse maatschappij.

Mijn elf jaar jongere broer Ruben, geboren in Nederland, heeft het ondanks alles tot succesvol zakenman geschopt. We bespraken onlangs beeldvorming in de westerse media en filmindustrie. Ruben vertelde dat zijn twee opgroeiende dochters, die een witte moeder hebben, hun eigen prachtig krullende dubbelbloedhaar ‘niet mooi’ vonden. ‘Ze hadden liever blond sluikhaar gehad.’ Een mededeling die direct het besef weer in mij deed opvlammen dat mijn verhaal wel degelijk nog (steeds) gehoord wil – nee, mag – worden. En beslist niet om veren pijnlijk in mijn kont gestoken te krijgen. Bij dezen de proloog.