IJspegel
Arnon Grunberg

Ijspegel | Arnon Grunberg


Arnon Grunberg antwoordt op de aan hem gerichte brief van Ilios Willemars. ‘In antwoord op je vraag, hoe gaat het met je sterfelijkheid, kan ik alleen antwoorden: zolang je bereid denkt te zijn te doden, gaat het met je sterfelijkheid uitstekend.’


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Dit essay verscheen in 2021#3.

Beste Ilios,

Aan het begin van dit jaar publiceerde de Nederlandse Boekengids een brief van jou aan mij. Je stelde me een aantal vragen.

‘Hoe gaat het met jouw sterfelijkheid, Arnon? Vind je het zinnig om boeken te schrijven die de mensen trachten te leren hoe je moet omgaan met de dood?’

Ook parafraseerde je Derrida, die stelde dat dood en leven niet elkaars tegenpolen zijn, dat het geheim oneindig maakt, en je stelde voor dat ik je een geheim zou vertellen als ik zou antwoorden.

Je beweerde dat elke goede brief over geheimen gaat. (Op geheimen kom je later in je brief nog eens terug, kennelijk zitten geheimen je hoog.) En je vroeg je af of er een plicht tot antwoorden bestaat.

Ik vind niet dat kunstenaars aangename mensen hoeven te zijn, noch dat hun kunst hun onaangename kanten opheft.
Om met het laatste te beginnen, ik heb jarenlang in het Belgische tijdschrift Humo brieven geschreven aan bekende en minder bekende medemensen, mijn voorbeeld was Bellows personage Herzog uit zijn gelijknamige roman. Ik ben overigens geen groot Bellow-fan, Karel van het Reve heeft hem dodelijk getypeerd in enkele regels. Al zijn personages zouden spreken alsof ze The New York Review of Books verslonden. Die typering is Bellow in mijn ogen nooit meer te boven gekomen.

Ik vind Isaac Bashevis Singer interessanter dan Bellow. Bellow heeft Singer vertaald en heeft bijgedragen aan zijn roem in Amerika, en daarmee aan zijn mondiale roem. Singer won twee jaar na Bellow de Nobelprijs. Bij wijze van dank heeft hij Bellows Nobelprijsrede geridiculiseerd. Ik geloof dat beide schrijvers niet bijzonder aangename mensen waren, maar ik vind niet dat kunstenaars aangename mensen hoeven te zijn, noch dat hun kunst hun onaangename kanten opheft. Wel acht ik het vrijwel uitgesloten dat interessante literatuur of kunst of filosofie gecreëerd wordt door voorbeeldige mensen, die we ook heiligen zouden kunnen noemen.

Een verlangen naar kilte

Terug naar die brieven, zelden kwam er een antwoord op mijn epistels in de Humo, dat verwachtte ik ook niet. Een keer heeft een Belgische zangeres geantwoord, daarop heb ik haar haren gewassen in het New Yorkse hotel The Mark, meer is er niet gebeurd, en een ex-vriendin van mij heeft ook eens geantwoord, toen ze nog geen ex was en nog geen vriendin van mij. Verder stilte.

Ik voelde de behoefte je te antwoorden. Je richtte je tot mij en niet over mijn hoofd tot de lezer, er schemerde verlangen naar al te menselijk contact door de regels heen. En niet altijd, maar vaak ga ik op kreten van lezers in, zelfs als die kreten niet gepubliceerd worden in prestigieuze tijdschriften. Niet omdat ik een goed mens zou zijn, maar omdat ik, en hier is Singer mijn wegwijzer, besef dat het pad naar nieuwe literatuur vaak loopt via de onverwachte ontmoeting. Ik antwoord dus ook omdat ik niet weet wat je mij gaat opleveren, literair gezien dan, en als je me niets oplevert is dat ook geen probleem, want je moet duizend zaadjes planten voor de perfecte bloem.

Ik antwoord omdat ik niet weet wat je mij gaat opleveren, literair gezien dan, en als je me niets oplevert is dat ook geen probleem, want je moet duizend zaadjes planten voor de perfecte bloem.

Misschien klinkt dit wat kil, maar is je verlangen het geheim te horen, oftewel het geheim te ontrafelen, niet ook een verlangen naar kilte? (Graham Greene merkte op dat de schrijver een ijssplinter in zijn hart moet hebben. Ik heb niet veel van hem gelezen, maar The End of the Affair was voor mij een cruciale roman, ik leerde dat je verliefd kunt zijn op God, dat hartstocht altijd woekert op het vochtige bedje van de jaloezie, en dat de liefde stopt maar de schuld nooit.)

Dat ik voor deze brief een habbekrats krijg, speelt een rol maar geen doorslaggevende. Het woord ‘broodschrijver’, dat nog een belediging was toen ik begon met schrijven, is een vanzelfsprekendheid geworden waarover men discreet zwijgt, en al in 1994 vond ik dat woord geen belediging. Dostojevski schreef om zijn schulden af te betalen. Natuurlijk niet alleen daarom, maar over het meer hoeven we het niet te hebben.

Als ik de passage over de grootinquisiteur lees in De gebroeders Karamazov, en die herlees ik regelmatig, en ik denk aan de schulden van Dostojevski en de manier waarop Karel van het Reve hem heeft getypeerd in zijn Russische literatuurgeschiedenis, als een man die net niet samenviel met zijn opwindingen, word ik op een aangename manier nerveus. (‘Hij was kwaadaardig, afgunstig, losbandig, en hij bracht zijn hele leven in opwindingen door die hem zielig hebben gemaakt en hem lachwekkend zouden hebben gemaakt als hij niet zo kwaadaardig en intelligent zou zijn geweest.’)

Ooit heeft een dichter mij twintig euro en zelfgebakken koekjes aangeboden voor seks. Ik vond dat vleiend en een begeerlijk aanbod. Het honorarium viel weliswaar tegen, ik zou nooit voor twintig euro schrijven, maar onder bepaalde omstandigheden ben ik bereid voor dat bedrag te neuken, waaruit mag blijken waar mijn prioriteiten en mijn trots liggen.

Koning eenoog

Nu we het toch over 1994 hebben, je haalt de brieven aan die ik de jaren daarvoor schreef en die door Vic van de Reijt zijn gebundeld in Aan nederlagen geen gebrek. Je stelt dat je uit die brieven kan leren hoe je moet leven en dat dat ‘met moed en met vertrouwen’ te maken zou hebben.

Vertrouwen is niet helemaal het juiste woord, hoewel ik nu van mening ben dat een samenleving die wantrouwen verheerlijkt zichzelf ontmantelt, maar het tegendeel van wantrouwen is niet vertrouwen, dat is beleefdheid. Je bedekt je wantrouwen onder een dikke laag beleefdheid.

Ik zag indertijd dat vrijwel iedereen blufte, wat niet wil zeggen dat ik geen respect heb voor kennis, en ik meende dat ik ook kon bluffen. Ik ben om allerlei redenen gaan schrijven, niet in de laatste plaats omdat ik dacht: ik kan dat beter dan menig ander die in die tijd doorging voor respectabele schrijver.

Er was, zo meende ik, voor mij een rol als koning eenoog in het land van de blinden weggelegd. Dat staat betrekkelijk los van moed en vertrouwen. Wat jij aanziet voor moed was de consequentie van wanhoop, het vertrouwen was een spel, woede was de motor. En achteraf heb ik misschien makkelijk praten, ik besef dat geluk, toeval, noodlot, hoe je het ook wilt noemen, een rol speelde. De eigen verdienste was er zeker, maar de eigen verdienste is geen garantie om het tot eenoog te schoppen.

Geen geheim zonder misstap

Het woord geheim heeft iets flirterigs, als het gesprek stokt kan men over geheimen beginnen, maar de ervaring leert dat als er over geheimen wordt gesproken de geheimen juist niet meer worden ontfutseld. Ik ben ervan overtuigd dat het geheim ons ontglipt, zonder meteen de freudiaanse verspreking erbij te willen halen. Het geheim is een misstap, die door een volgende misstap aan het licht wordt gebracht of voor altijd in het donker blijft. Niet elk geheim maakt de drager ervan tot een dader, maar zonder de misstap zou er geen geheim zijn. Het geheim hoort bij het sociale spel dat we spelen en daar zijn we bij de beleefdheid aanbeland, die je als een belangrijk kenmerk van mijn personages ziet.

Niet elk geheim maakt de drager ervan tot een dader, maar zonder de misstap zou er geen geheim zijn.

Gaat de beleefdheid ons redden, wil je weten? Tot op zekere hoogte, de beleefdheid is de weg uit de achtervolgingswaan, uit het wantrouwen. De ironie maakt de dialoog mogelijk, maar die ironie is uiteraard beleefdheid, je kunt in mijn ogen ironie en beleefdheid niet van elkaar scheiden.

Verder gaat niets ons redden, we kunnen echter de ondergang uitstellen en ik ben bereid dat redding te noemen.

De beleefdheid is een hekje, eigenlijk twee hekken met een groot grasveld ertussen, en die beleefdheid staat tussen ons en de geheimen van de ander, wij blijven voor het eerste hek staan, wij houden daar halt, uit angst de geheimen van de ander te naderen.

Ik moet nu even stoppen, ik moet poseren voor een mevrouw die ik amper ken en die mijn rug wil schilderen. Kijk, daar begint de bekentenis.

Verpakte minachting

Het bleek mijn borst te zijn. Ze had linzensoep voor me gemaakt waarin een grote haar van haar dreef. Het liggend poseren op een yogamatje was na een kwartier pijnlijk. De schilder had het over de ‘female gaze’ en ik vroeg me af of ze me mooi en begeerlijk vond zonder overigens er zeker van te zijn dat ik haar mooi en begeerlijk vond. De situatie was mooi. Vooral hoe ze zei: ‘Kijk me aan.’

Ja, met Victor Kal en Désanne van Brederode sprak ik in De Balie over Kierkegaard en religie, ook naar aanleiding van mijn boekje Blinde gehoorzaamheid waarmee ik mijn gastschrijverschap aan de VU afsloot en waarin ik Kierkegaard aanhaal en zijn studie Vrees en beven, over Abraham en Isaak.

Kal, die veel weet van Kierkegaard, vond mijn boekje geloof ik niets, maar hij bracht zijn dedain daar op de VU met zoveel beleefdheid voor het voetlicht dat ik verder met hem over deze aangelegenheid wilde praten. Iemand die zijn minachting zo kan verpakken dat zij respect lijkt te zijn, is mijn vriend.

In De Balie vond ik wel dat Kal een klein beetje vals speelde door te veinzen te weten wanneer Kierkegaard ironisch is en wanneer niet. Ik geef toe dat ik de pseudoniemen van Kierkegaard tamelijk genegeerd heb. Verder hanteerde ik het adagium: ironie kan beleefdheid zijn, maar nooit een excuus. Misschien heb ik me door Kierkegaard in het ootje laten nemen.

Iemand die zijn minachting zo kan verpakken dat zij respect lijkt te zijn, is mijn vriend.
Toch denk ik dat Kal die avond een beetje deed wat hij Spinoza in zijn studie De list van Spinoza: de grote gelijkschakeling, een boek dat jij ook aanhaalt, verwijt. Spinoza, aldus Kal, maakt onderscheid tussen het onwetende volk en een wetende bovenlaag. Kal maakte onderscheid tussen hen die weten waar de ironie van Kierkegaard eindigt en zij die die dat niet weten en er dus beter aan zouden doen te zwijgen en zeker niet over het absurde moeten beginnen, dat wat hem betreft al helemaal niet met Kierkegaard in verband mag worden gebracht. Maar dat neem ik hem geenszins kwalijk, zijn boek over Spinoza was zeer interessant.

Het onwetende volk zou religie nodig hebben om de staat of de machthebber, voor zover die twee van elkaar te scheiden zijn, te gehoorzamen. Kal brengt Spinoza inderdaad in verband met het fascisme en voert daar redelijke argumenten voor aan. Het woord gehoorzaamheid speelt in zijn boek een belangrijke rol. Misschien was Kal een beetje boos omdat ik het bijbelse verhaal over Abraham en Isaak ook interpreteerde als een verhaal over gehoorzaamheid, terwijl Kal meent, denk ik, dat het ware geloof, de individuele verhouding tot een transcendente instantie die we God kunnen noemen of niet, juist niets met gehoorzaamheid te maken heeft. Daarvan ben ik minder overtuigd. Ik vrees dat zelfs liefde en rechtvaardigheid zich ook altijd weer zullen voordoen als gehoorzaamheid.

Beleefdheid is geen panacee

Maar Kals stelling (althans zo begrijp ik hem) is dat een doelmatig bestuurde samenleving gelijkschakeling vereist en dat op dat punt het fascisme begint. Het fascisme begint waar de doelmatigheid heilig wordt verklaard.

Ik geloof dat we ons gelukkig mogen prijzen dat we in een land leven dat niet met blinde doelmatigheid op de pandemie heeft gereageerd, maar zoekend, tastend, misstappend, soms blunderend, al te menselijk kortom.

Je hoeft niet zoals Reagan te geloven dat de overheid het probleem is (‘Government is the problem’) om te begrijpen dat de overheid (staat) altijd weer aan banden moet worden gelegd om te voorkomen dat zij een vijand wordt van alle mensen. (Natuurlijk geldt dat ook voor bedrijven die zo machtig zijn dat ze nauwelijks meer van staten te onderscheiden zijn.)

Waar het sociaal onwenselijke niet meer mag bestaan is elke openheid verdwenen. Wat een probleem is omdat het sociaal onwenselijke ook dat omvat wat ik meen te moeten bestrijden.

Een blind vertrouwen in de overheid die haar burgers verzorgt, begeleidt en beschermt, zal bij gelijkschakeling eindigen. Waar het sociaal onwenselijke niet meer mag bestaan is elke openheid verdwenen. Wat een probleem is omdat het sociaal onwenselijke ook dat omvat wat ik meen te moeten bestrijden. Je verwees niet voor niets naar mijn 4 mei-lezing van 2020.

Dus als het om Spinoza gaat, ben ik het in grote lijnen met Kal eens.

Maar de vraag blijft of wij in de staat en het recht kunnen geloven zonder een beroep te doen op rituelen en begrippen die uit de georganiseerde religie voortkomen. Ik vrees van niet. Hier kan de beleefdheid ons helpen. Maar ook beleefdheid is geen panacee, diezelfde beleefdheid die ik bezing kan de vruchtbare bodem van collaboratie zijn. Lees Onze oom.

Ben je bereid te doden?

Naonis heb ik al decennia niet meer gedronken, lychees heb ik lang niet meer gegeten.

Wat mij verbindt met de Arnon uit de brieven die jij hebt gelezen bij wijze van rouwverwerking is de behoefte om door de mazen van het net te glippen, in het besef dat leven uiteindelijk dat is: door de mazen van het net glippen. Of je nu 50 bent of 22. Dat maakt niet uit.

Doe het in het volste besef dat anderen ook door de mazen wensen te glippen, maar zonder sentimentaliteit. De collega-glippers kunnen vrienden en medestanders zijn, maar ook vijanden.

Met het oog op het extreme geval wordt altijd de vraag gesteld: ben je bereid jezelf te offeren? Een vrome vraag. Ik zou zeggen: ben je bereid te doden?

Ik verbond Abraham en Isaak met Borowski. Dat ziet Kal radicaal anders, omdat hij de belofte van God aan Abraham serieus neemt, terwijl mijn Abraham die belofte allang vergeten is wanneer hij met Isaak de berg beklimt.

Niets getuigt van meer privilege dan de gedachte dat je niet meer hoeft te doden om te leven.

In antwoord op je vraag, hoe gaat het met je sterfelijkheid, kan ik alleen antwoorden: zolang je bereid denkt te zijn te doden, gaat het met je sterfelijkheid uitstekend.

Dit is geen verheerlijking van geweld, dan zou ik de geheime diensten achter me aan krijgen, maar niets getuigt van meer privilege dan de gedachte dat je niet meer hoeft te doden om te leven.

Over geheime diensten gesproken, wil je mijn spion worden? Ik heb je brief opgevat als sollicitatie. Je weet hoe het met spionnen afloopt. Ze blijven beleefd, op een paar onaangename momenten na, maar de beleefdheid redt hen zelden.

Mocht je interesse hebben, zoek me. Neem de ijspegel in je hart mee. Ik zal die van mij meenemen, je mag eraan likken.

Hartelijke groet,

Arnon