Wil de echte Cleveringa opstaan? De erfenis van 26 november 1940
Maarten Asscher

Kees Schuyt, R.P. Cleveringa: recht, onrecht en de vlam der gerechtigheid (Boom 2019), 592 blz.


De invloed van R.P. Cleveringa, bekend van zijn openlijke protest tegen de anti-Joodse maatregelen van de Duitse bezetter aan de Leidse universiteit, reikt verder dan de jaarlijkse Cleveringa-lezing aan de universiteit. Maarten Asscher kijkt opnieuw naar zijn nog altijd grote invloed op rechtsfilosofen en Nederlandse politici en gaat daarbij op zoek naar Cleveringa’s eigen inspiratiebronnen.


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Pieter Omtzigt, Een nieuw sociaal contract (Prometheus 2021), 224 blz.
Willem Otterspeer, Het horzelnest: de Leidse universiteit in oorlogstijd (Prometheus 2019), 400 blz.

Dit essay verscheen in dNBg 2021#5

Op 25 november 2020, daags voor de jaarlijkse Cleveringa-herdenking waarmee de Leidse universiteit eer bewijst aan het openlijke protest in 1940 van professor Rudolph Pabus (‘Ru’) Cleveringa tegen de anti-Joodse maatregelen van de Duitse bezetter, verscheen in het dagblad Trouw een interview met Paul Cliteur. Cliteur, hoogleraar Encyclopedie van de Rechtswetenschap aan diezelfde universiteit, maar ook politiek actief en op dat moment juist opgestapt als Eerste Kamerlid voor Forum voor Democratie (FVD), verklaarde zich onverkort solidair met ‘de ideologische lijn’ van voorman Thierry Baudet, zulks ondanks de aanhoudende beschuldigingen van racisme, antisemitisme en discriminatie aan het adres van FVD. Zowel de ongeclausuleerde ideologische steun van Cliteur aan Baudet als de timing van het interview werd door sommigen als een kwetsende provocatie ervaren. Hoogleraar rechtsfilosofie aan de VU Wouter Veraart noemde het interview in een LinkedIn-post ‘griezelig’ en gezien de timing ‘een blamage voor de Leidse rechtenfaculteit.’

Cliteur reageerde door te stellen dat er ‘helemaal geen contrast [is] tussen wat ik zeg en wat Cleveringa zegt’, en hij noemde de verwijten van Veraart ‘ronduit belachelijk.’ De discussie die zich vervolgens ontspon – alleen al op LinkedIn reageerden meer dan tweeduizend mensen en honderden daarvan schreven een discussiebijdrage – maakt duidelijk dat de erfenis van Cleveringa tachtig jaar na dato weliswaar springlevend is, maar dat die verschillend wordt geïnterpreteerd.

Is een inspiratiebron waar je zoveel uiteenlopende kanten mee op kunt nog wel een inspiratiebron, of is de naam Cleveringa in onze tijd louter een badge geworden waar je naar believen mee kunt zwaaien om je ideologische gelijk te halen?
Ook voor CDA-Tweede Kamerlid Pieter Omtzigt, in de afgelopen jaren uitgegroeid tot het morele geweten van het Nederlandse parlement, ja zelfs van wat wordt genoemd de hele ‘Haagse bestuurscultuur’, is de historische figuur van Cleveringa een belangrijke inspiratiebron. In Een nieuw sociaal contract (2021), waarin Omtzigt naar aanleiding van het toeslagenschandaal bij de Belastingdienst probeert de verhouding tussen overheid en burgers in Nederland te herijken en het machtsevenwicht binnen de trias politica opnieuw te wegen, grijpt hij nadrukkelijk terug op de historische protestrede van de decaan van de Leidse rechtenfaculteit. Samen met Winston Churchill is Cleveringa onbetwist de voornaamste held in het politieke credo van Omtzigt. De ‘doelmatigheid van een principiële houding’ is wat hem bij beiden het meest aanspreekt. Je zou dat kunnen opvatten als volkomen tegenovergesteld aan de Rutte-doctrine, die immers uitgaat van allesomvattende controle en het uitschakelen van inhoudelijke discussie. Omtzigts schatplichtigheid gaat zelfs zo ver dat hij stelt: ‘Juist de moedige houding en de praktische, principiële en wetenschappelijke inzichten van Cleveringa kunnen als waardevolle leidraad dienen voor het oplossen van de Europese problemen van vandaag.’

Dit alles roept de vraag op wat dan toch die ‘wetenschappelijke inzichten’ van Cleveringa zijn, die ons morele en ons politieke handelen meer dan tachtig jaar na dato nog zodanig kunnen inspireren dat we er zelfs ‘de Europese problemen’ mee te lijf kunnen gaan! Kennelijk leest tegenwoordig iedereen op deze eremedaille van academisch verzet een eigen boodschap: Cleveringa als bestrijder van racisme, antisemitisme en discriminatie (Veraart), als hoeder van de academische vrijheid (Cliteur), als beschermheer van de scheiding der machten (Omtzigt). Is een inspiratiebron waar je zoveel uiteenlopende kanten mee op kunt nog wel een inspiratiebron, of is de naam Cleveringa in onze tijd louter een badge geworden waar je naar believen mee kunt zwaaien om je ideologische gelijk te halen? En als iedereen blijkbaar zo graag bij hem te rade gaat, dan wordt de vraag extra interessant waar Cleveringa indertijd zelf zijn inspiratie vandaan haalde.

Kritiek

Voordat over die vragen iets zinnigs te zeggen valt, gebiedt de eerlijkheid te erkennen dat de protestrede van Cleveringa sinds 1945 helemaal niet zo kritiekloos is bejegend als je op het eerste gezicht zou denken, ook in Leiden zelf niet. Uit Het horzelnest: de Leidse universiteit in oorlogstijd (2019), waarin universiteitshistoricus Willem Otterspeer de oorlogsjaren van de Leidse universiteit diepgravend analyseert, komt eerder de hoogleraar Volkenrecht Ben Telders als drijvende kracht achter het Leids academisch verzet naar voren dan Cleveringa, die sinds de oorlog zozeer als het boegbeeld daarvan wordt gezien.

De protestrede van Cleveringa sinds 1945 is helemaal niet zo kritiekloos is bejegend als je op het eerste gezicht zou denken, ook in Leiden zelf niet.
Bij de vijftigste herdenking van de protestrede in 1990 inventariseerde de jurist, oud-verzetsman, voormalige Leids hoogleraar en gepensioneerd raadsheer in de Hoge Raad Huib Drion, die er indertijd zelf bij was geweest, een aantal kritische kanttekeningen bij Cleveringa’s rede. ‘Niet erg bevredigend’ noemt hij om te beginnen het feit dat Cleveringa zich in zijn protest beperkt tot het ontslag van zijn eigen leermeester en promotor professor Eduard Meijers. Drion herinnert eraan dat, tegelijk met de door de Duitsers op non-actief gestelde Meijers, nog een tweede Joodse hoogleraar uit de rechtenfaculteit werd verwijderd, te weten de rechtshistoricus en papyroloog M.A. David, en dat elders aan de Leidse universiteit nog liefst veertien anderen door de maatregel werden getroffen, onder wie een lector en zes privaatdocenten. Aan David besteedt Cleveringa slechts één bijzin, en dan nog tussen haakjes; over de anderen rept hij met geen woord. Ook de omvang van het eerbetoon aan Meijers – bij elkaar meer dan twee derde van de rede – lokt kritiek van Drion uit. Zoals Otterspeer in zijn reconstructie van die veelbewogen dagen Drions bezwaren samenvat: Cleveringa’s rede had niet over de grootheid van Meijers moeten gaan maar over het principe: het antisemitisme.

Vervolgens vermeldt Drion dat Cleveringa beslist niet de enige hoogleraar was die zijn afschuw over de Duitse maatregelen uitsprak. In Leiden protesteerde op diezelfde dag de medicus Ton Barge (die aan zijn studenten uitlegde dat het Arische ras als zodanig helemaal niet bestaat) en sprak de theoloog Lambertus Van Holk aan het begin van zijn college onverholen afschuw uit over de anti-Joodse maatregelen. In Utrecht had – zelfs een dag eerder – de bioloog Victor Koningsberger eenzelfde protest laten horen.

Drions kritiek mondt uit in twee vragen: waarom juist de rede van Cleveringa zoveel blijvende aandacht heeft gekregen en of het werkelijk verschil zou hebben gemaakt als Cleveringa op die 26ste november geen protest had aangetekend.

Anti-Cleveringa

Kees Schuyt, R.P. Cleveringa: recht, onrecht en de vlam der gerechtigheid (Boom 2019), 592 blz.

Het lijkt niet zinvol om Drions kritiekpunten hier gedetailleerd te bespreken, al kan erop worden gewezen dat Meijers het hoofdonderwerp van de protestrede vormde, omdat het immers diens college was dat Cleveringa op die 26ste november 1940 om 10.15 uur overnam, nu Meijers het recht om het zelf te geven zojuist was ontnomen. Verder is zonneklaar dat de toespitsing op één persoon de retorische kracht van het protest zeer bevorderd heeft. De onmiskenbare suggestie die tussen de regels van Drions bezwaren blijft hangen, is dat Cleveringa zich door zijn opvallende optreden ten gunste van zijn eigen leermeester ten onrechte van een eersterangs plaats in de geschiedschrijving meester heeft gemaakt.

Het is niet overdreven om zelfs van een zekere cultus te spreken.
Dat Cleveringa die vooraanstaande plaats in de geschiedschrijving niettemin tot de dag van heden inneemt, blijkt niet alleen uit de jaarlijkse 26 november-herdenkingen in Leiden en elders ter wereld, maar ook uit het recente verschijnen van de monumentale biografie door Kees Schuyt (2019). Voeg daarbij de borstbeelden, gevelstenen, plaquettes en diverse vernoemingen die zijn herinnering vooral in Leiden zelf en in zijn geboorteplaats Appingedam levend houden, en het is niet overdreven om zelfs van een zekere cultus te spreken. Otterspeer vermeldt dat door sommigen na de oorlog zelfs wel gesproken werd van ‘de Leidse legende’, waar het gaat om het vermeende unieke karakter van het Leidse universitaire verzet. Maar zoals misschien wel eigen is aan elke legende, is het niet eenvoudig daar een eenduidige betekenis aan te ontlenen.

Cleveringa’s rechtsopvatting

Cleveringa, die achtereenvolgens bedrijfsjurist bij de Koninklijke Nederlandse Stoomboot-Maatschappij was, rechter in Alkmaar, hoogleraar in Leiden en lid van de Raad van State, publiceerde twee grote juridische handboeken, die op rechtswetenschappelijk gebied als zijn voornaamste nalatenschap kunnen gelden. Aan het begin van zijn wetenschappelijke carrière was dat Het nieuwe zeerecht (1927), dat nadien verschillende geactualiseerde drukken beleefde. Aan het eind van zijn loopbaan ging het om de volledig bijgewerkte vierde druk van Mr. W. van Rossem’s Verklaring van het Nederlands Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (1972). In het boek van Schuyt – zelf jurist en socioloog – kom je aardig wat te weten over de totstandkoming en inhoud van deze twee standaardwerken, maar zoals de titels van beide boeken al suggereren, valt daarin weinig houvast te vinden voor het bepalen van een juiste morele houding in problematische omstandigheden. Hetzelfde geldt voor de vele honderden wetenschappelijke artikelen die Cleveringa vanaf zijn promotie in 1919 tot na zijn emeritaat in 1958 publiceerde in juridische vaktijdschriften als het Weekblad Privaatrecht, Notarisambt en Registratie (WPNR), het Rechtsgeleerd Magazijn Themis (RM Themis) en het Nederlands Juristenblad (NJB). Steeds gaat het om uiterst precieze en gedetailleerde exercities, die meestal zo dicht mogelijk in de buurt blijven van de interpretatie en toetsing van rechtsvragen aan wet en jurisprudentie.

Schuyt verbloemt niet dat Cleveringa’s colleges uitermate droog en saai waren.

In zijn gepubliceerde herinneringen aan de twee periodes van gevangenschap die hij tijdens de oorlog doormaakte, wordt Cleveringa wel persoonlijker, maar ook dat zijn geen teksten die zicht bieden op de bronnen van zijn rechtsopvatting. In zijn juridische vertogen, zowel mondeling als schriftelijk, bleef hij steevast binnen het rechtskundige denksysteem waar de vraagstelling in kwestie ook zelf uit voortkwam, en hij spaarde noch lezers noch toehoorders voor zijn degelijkheid en acribie. Onaardiger gezegd: Schuyt verbloemt niet dat Cleveringa’s colleges uitermate droog en saai waren. Zijn diesrede als rector magnificus van de Leidse universiteit, uitgesproken op 8 februari 1947, was bijvoorbeeld getiteld ‘Artikel 517d W.v.K.’. Aangezien dat artikel niet alleen tamelijk specialistische materie regelde, maar bovendien sinds 1 april 1991 uit het Wetboek van Koophandel geschrapt is, kunnen ook daar voor onze tijd weinig aanknopingspunten aan worden ontleend.

Voor studentengehoor

Het dichtst bij een meer persoonlijk rechtswetenschappelijk credo, waarin ons een blik wordt gegund op de herkomst van zijn innerlijke overtuigingen als jurist, komt Cleveringa in de vier inleidende colleges die hij als decaan van de Leidse rechtenfaculteit tussen 1939 en 1946 aan het begin van het academisch jaar gaf. Die reeks werd door de oorlogsgebeurtenissen onderbroken, maar we beschikken over zijn decaanscolleges uit de jaren 1939, 1940, 1945 en 1946. In dat laatstgenoemde jaar werden ze gebundeld uitgegeven door de Universitaire Pers Leiden.

Misschien had de jurist Cleveringa, immers specialist op het gebied van het handelsrecht en het civiele procesrecht, op moraalfilosofisch en rechtstheoretisch vlak helemaal niet zoveel vaste grond onder de voeten en was hij eerder een streng ‘proceduralist’.
Interessant is om te beginnen met hoe Cleveringa in het college uit 1939 uitlegt waarom enkel een goed ontwikkeld rechtvaardigheidsgevoel niet datgene is wat een jurist tot een bruikbaar adviseur of beoordelaar maakt. Wat de wereld van juristen verwacht, zegt hij, is niet rechtsgevoeligheid maar rechtskundigheid. Toch geeft hij een jaar later in het inleidende college aan dat zijn rechtsbesef ook weer niet louter verstandelijk is. Letterlijk zegt hij: ‘Er waart Recht om ons heen, ook waar het verstand het niet kan achterhalen.’ En zelfs wanneer de jurist denkt dat de correcte uitkomst gevonden is, dan nog waarschuwt Cleveringa in 1945: ‘Wij formuleren zo goed mogelijk, maar niet om het verkregene te aanbidden als een eeuwige waarheid.’ Over de politieke dimensie van het recht spreekt hij zich in datzelfde bevrijdingsjaar nuchter en rechtlijnig uit, wanneer hij zegt: ‘Wij stellen elkaar de wet bij meerderheidsbesluit.’ Daarmee beroept hij zich ondubbelzinnig op de democratie als filter voor de rechtsontwikkeling en blijft hij duidelijk weg van de natuurrechtelijke opvatting van bijvoorbeeld de vroegere Leidse hoogleraar Hugo Krabbe die het recht boven de wet stelde. Krabbes opvatting van ‘de innerlijke waarde der wet’ bleek immers in handen van de volgende generatie gevaarlijk dichtbij het ‘gesundes Volksempfinden’ te liggen. Toch herinnert Cleveringa zijn studentengehoor er een jaar later aan dat er in rechtsvorming wel degelijk een irrationele component zit: ‘Ergens zoekt de rechtskundige’, zo zegt hij, ‘naar een hecht uitgangspunt, waaraan hij kan geloven.’

Het is boeiend om te lezen hoe Cleveringa tegenover een zaal vol eerstejaarsstudenten zijn fundamentele vraag naar de oorsprong van het recht van jaar tot jaar een paar maal heen en weer gooit, tussen ratio en gevoel, tussen casuïstiek en principe, tussen de sociale dimensie en het diepste innerlijk, tussen momentopname en eeuwigheidswaarde. In feite kaatst de decaan aan het begin van het collegejaar deze oervraag naar de studenten zelf en roept hij hen op in hun studie (naast het praktische advies ‘dadelijk beginnen en geregeld doorwerken’) om zelf op zoek te gaan naar ‘hechte uitgangspunten waaraan zij kunnen geloven.’ Misschien had de jurist Cleveringa, immers specialist op het gebied van het handelsrecht en het civiele procesrecht, op moraalfilosofisch en rechtstheoretisch vlak ook helemaal niet zoveel vaste grond onder de voeten en was hij eerder een streng ‘proceduralist’. Met andere woorden: is er wel een echte, inhoudelijke Cleveringa om ons met zijn voorbeeldige rechtsopvatting te bevrijden uit het dilemma dat iedereen hem om een verschillende reden schijnt te willen navolgen?


Nicholas Frankel, The Invention of Oscar Wilde (Reaktion Books 2021), 288 blz.

Lees ook Maarten Asschers bespreking van het schrijverschap van Oscar Wilde, een bij uitstek moderne auteur die zijn tijd ver vooruit was met een alsmaar groeiende reputatie.


Fatsoen

Een mogelijk antwoord op deze vraag is te vinden in het vierde en laatste decaanscollege, gehouden op 30 september 1946, waar Cleveringa stelt: ‘Het recht werkt pas ten goede op de bodem van het fatsoen.’ Voor het naar binnen halen van deze – ook in de ogen van Schuyt – opmerkelijke subjectiviteit in het juridische en wetenschappelijke denken, geeft Cleveringa twee uiterst karakteristieke bronnen: het Algemeen deel van Paul Scholten (*) (‘een boek waar een mens beter van wordt’, aldus Cleveringa) uit de Asser Serie en het oudtestamentische boek Prediker. Ter adstructie van zijn stelling geeft de decaan vervolgens een aantal voorbeelden van nieuwe rechtsontwikkeling die niet zozeer door juridische argumenten als wel door fatsoensoverwegingen werden gevoed. Hij noemt met name de baanbrekende leer van de onrechtmatige daad, in 1919 door de Hoge Raad ingeluid met het welbekende arrest Lindenbaum-Cohen. Die uitspraak werd volgens Cleveringa niet primair door rechtskundige overwegingen gemotiveerd, maar door toepassing van fatsoensnormen.

Datzelfde kan worden gezegd over Cleveringa’s eigen protestrede van 26 november 1940. Ook dat was immers niet de uitkomst van een juridische redenering als wel een menselijke daad, in de kern ingegeven door wat je zou kunnen noemen ‘innerlijk fatsoen’. Niet het uiterlijk fatsoen, het ‘fussoen’ dat volgens Edgar du Perron louter de façade van de burgerman is; niet het opportunistische fatsoen waar de bekrompen Batavus Droogstoppel in de Max Havelaar zijn mond vol van heeft; maar de meest elementaire regel die gelijke waardigheid voorschrijft van ieder mens. Cleveringa’s opvatting van het recht als systeem, zo laat Kees Schuyt in de summing up van zijn biografie goed uitkomen, is erop gericht het ‘soms willekeurig opwellend rechtsgevoel’ te voorzien van een ‘rechtsverstand’, opdat de gerechtigheid een instrumentele bruikbaarheid verkrijgt.

Cleveringa’s opvatting van het recht als systeem is erop gericht het ‘soms willekeurig opwellend rechtsgevoel’ te voorzien van een ‘rechtsverstand’, opdat de gerechtigheid een instrumentele bruikbaarheid verkrijgt.
Deze benadering van de casus Cleveringa is misschien de meest hanteerbare manier om met de erfenis van diens protestrede om te gaan. Waar Cleveringa zijn fatsoen vandaan haalde, doet dan even minder ter zake. Aan de hand van Schuyts biografie zou je in elk geval als mogelijke herkomst kunnen noemen: de zedelijke normen van de Groningse upper middle class, het wat steile protestantisme van zijn familieachtergrond, alsook zijn professionele fixatie als jurist op procedurele zorgvuldigheid. Belangrijker voor ons is dat we met het door Cleveringa gestipuleerde fatsoen iets meer houvast krijgen dan met de bijna tot mythe uitvergrote heroïek van zijn historische verzetsdaad op 26 november 1940.

Ieder mag dan zelf bepalen wie het meest in de geest van Cleveringa handelt: de al of niet liegende minister-president Mark Rutte, die naar eigen zeggen strijdbaar blijft en verantwoordelijkheid neemt voor de macht, of de parlementariër Pieter Omtzigt die de activistische tegenmacht belichaamt? De Leidse hoogleraar Paul Cliteur, die al dan niet terecht afstand weigert te nemen van discriminerende tendensen binnen zijn politieke partij, of zijn Amsterdamse collega Wouter Veraart, die naar aanleiding van die weigering de hele Leidse rechtenfaculteit publiekelijk de oren wast.

Als er één les is die ook nu nog van Rudolph Pabus Cleveringa te leren valt, dan schuilt die niet in het beantwoorden van de vraag wat u toen, op 26 november 1940, gedaan zou hebben, maar in het antwoord op de vraag wat u in onze tijd doet, en of dat voldoende tegemoet komt aan de eisen van het innerlijk fatsoen.

(*) Paul Scholten (1875-1946) was een Nederlandse rechtsgeleerde en hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam. Scholten is met name bekend vanwege zijn Algemeen Deel (Asser Serie) waarin hij schrijft over hoe een jurist, vooral de rechter, tot een beslissing komt. De beslissing wortelt volgens Scholten in het geweten van de rechter. Wat een rechter doet is meer dan enkel het vaststellen van de feiten en het toepassen van rechtsregels. De beslissing vraagt om ‘een sprong’ waardoor een rechter altijd iets nieuws toevoegt aan het al bestaande recht.