Advertentie
ad

Het vrije woord: Cicero en Quintilianus, burgeroorlog en dictatuur

Cicero en Quintilianus gelden als de grootste redenaars van de oudheid, maar over hun politieke en morele keuzes is altijd veel discussie geweest. Piet Gerbrandy maant ons tot bescheidenheid. Want wat als je in een tijd en plaats leeft waar niet alles gezegd kan worden?

Besproken boeken

In het rijke Westen leven we al geruime tijd in open democratieën die de rechtsstaat denken te koesteren en achten we het volkomen vanzelfsprekend dat men in alle vrijheid kan zeggen wat men wil. Niet iedereen realiseert zich dagelijks dat de open samenleving historisch en mondiaal gezien verre van vanzelfsprekend is, en dat mensenrechten niet overal op dezelfde wijze gerespecteerd worden als dat, zo denken we tenminste, bij ons het geval is. Maar ook bij ons staan rechtsstaat, democratie en open debat permanent onder druk, getuige ook de optredens van Donald Trump, Viktor Orbán en Thierry Baudet – al zijn dat alle drie nog kleine jongens vergeleken met Vladimir Poetin en Xi Jinping. Nee, vrijheid is niet de norm, en dat is het ook nooit geweest. Daarom moeten we enige bescheidenheid in acht nemen wanneer we ons uitspreken over historische figuren en hun tijdgenoten die niet het voorrecht hadden in welvaart en veiligheid op te groeien in het naoorlogse Nederland.

Niet iedereen realiseert zich dagelijks dat de open samenleving historisch en mondiaal gezien verre van vanzelfsprekend is, en dat mensenrechten niet overal op dezelfde wijze gerespecteerd worden als dat, zo denken we tenminste, bij ons het geval is.

Marcus Tullius Cicero (106-43 v.Chr.) is wat dat betreft een interessant geval. Niet ten onrechte geldt hij als de grootste redenaar die de oudheid heeft opgeleverd, maar over zijn politieke en morele keuzes is altijd veel discussie geweest. Had hij tijdens zijn consulaat in 63 v.Chr. de medestanders van de revolutionair Catilina zonder proces ter dood mogen brengen? Had hij zich niet krachtiger moeten verzetten tegen de dictatuur van Julius Caesar? Je kunt je afvragen welke bewegingsruimte hij eigenlijk had. Dat hij uiteindelijk vermoord is door handlangers van Marcus Antonius bestempelt hem nog niet automatisch tot held van het vrije woord, maar maakt wel duidelijk dat in de laatste jaren van de Romeinse republiek het politiek debat geen vrijblijvend gezelschapsspel was. En dat zou het daarna, toen alleenheersers de macht hadden overgenomen, ook nooit meer worden.

Dit neemt niet weg dat de eerste eeuw v.Chr. in culturele, literaire en filosofische zin voor de Romeinen een ongekende bloeiperiode is geweest, ondanks, maar misschien ten dele ook wel dankzij, de maatschappelijke turbulentie. De van oudsher behoudende elite werd opgeschud door sociale onrust, onder invloed van Griekse filosofen begon men zich af te vragen waarop de religieuze tradities eigenlijk gebaseerd waren, en de politieke chaos gaf de retorica een enorme impuls. En toen keizer Augustus (vanaf 27 v.Chr.), in feite een militair dictator, eenmaal stevig in het zadel zat en het stof van de burgeroorlogen begon neer te dalen, waren schrijvers als Vergilius, Horatius en Livius zo opgelucht dat de nieuwe wereldorde hen inspireerde tot verrassende visies op de rol van Rome binnen de kosmos.

Het intellectuele leven ten tijde van Cicero

Katharina Volk schreef een buitengewoon aantrekkelijk boek over het intellectuele leven in de tijd van Cicero en Caesar, geconcentreerd op de twintig jaar tussen Cicero’s consulaat en zijn dood. Niet voor niets vormt Cicero de spil van dit verhaal, want hij was niet alleen een van de meest productieve schrijvers van die periode, hij is ook de voornaamste bron om het cultureel klimaat te reconstrueren. Dat komt doordat een deel van zijn correspondentie (zo’n negenhonderdvijftig brieven, vooral van hemzelf, maar ook wel van anderen aan hem) bewaard is gebleven, en hij onderhield contacten met iedereen die ertoe deed. Volk laat overtuigend zien hoe The Roman Republic of Letters, zoals het boek heet, functioneerde.

Schrijven was iets wat je in je vrije tijd (otium) deed, professionalisering gold als niet chic, als iets voor Grieken.

Om te beginnen valt het op dat bijna alle literatoren – of ze nu historiografie of filosofie, taalkunde of astrologie bedreven – dit deden tijdens een actieve loopbaan als politicus, legercommandant of provinciebestuurder, nog los van het feit dat al deze mannen landgoederen bezaten die beheerd moesten worden. Schrijven was iets wat je in je vrije tijd (otium) deed, professionalisering gold als niet chic, als iets voor Grieken. Daarnaast is het opmerkelijk dat het cultureel debat zich niet al te veel aantrok van politieke tegenstellingen. Een sterk voorbeeld is de literaire polemiek die losbrandde na de zelfmoord van Cato (in 46 v.Chr.), een radicaal tegenstander van Caesar. Cicero schreef een pamflet waarin hij Cato, niet echt een intieme vriend maar wel een gewaardeerde collega, eerde, waarop Aulus Hirtius, een van Caesars generaals, onmiddellijk een Anticato schreef, die echter wel begon met complimenten aan Cicero’s schrijverschap. Caesar zelf, blijkbaar ontevreden over de kansen die Hirtius had laten liggen, componeerde zelf ook een Anticato, waarin hij zich tegenover Cicero verontschuldigde voor zijn onbeholpen stijl. Intussen schreef Brutus, de goede vriend van Cicero die twee jaar later Caesar zou vermoorden, op zijn beurt weer een Cato. Helaas is geen van die boeken bewaard gebleven, we kennen de polemiek vooral uit Cicero’s brieven, maar het is evident dat alle deelnemers oprechte waardering hadden voor elkaars intellectuele capaciteiten, en die ook over en weer uitspraken. Dat was niet zomaar een kwestie van beleefdheid, maar getuigde van het besef dat ze allemaal deel uitmaakten van wat Volk ‘de republiek der letteren’ noemt.

Intussen maakte de gedeelde belangstelling de politieke en persoonlijke spanningen niet ongedaan. In december 45 v.Chr., drie maanden voor zijn dood, bracht Caesar nog een bezoek aan de politiek monddood gemaakte Cicero in zijn buitenhuis te Pozzuoli, waarbij de heren tijdens de maaltijd gezellig over taal en literatuur praatten. Het was vermoedelijk hun laatste ontmoeting, en politieke onderwerpen waren ongetwijfeld taboe, maar we krijgen toch de indruk dat ze het eigenlijk prima met elkaar konden vinden.

Misschien was het niet zo dat filosofie de politiek bepaalde, maar eerder omgekeerd: politici verklaarden zich tot sympathisant van de stroming die het meest bij hun karakter paste.

Griekse filosofie was populair in die dagen. Afgezien van Lucretius’ epicureïsche leerdicht De rerum natura (ca. 55 v.Chr.) beschikken we nu slechts over een indrukwekkende reeks werken van Cicero (vooral uit de jaren 46-44 v.Chr.), maar het filosofisch debat floreerde als nooit tevoren in Rome. Volk probeert na te gaan in hoeverre politici cruciale keuzes lieten bepalen door hun filosofische overtuigingen, maar dat blijkt moeilijk. Dat Cato’s onbuigzaamheid samenhing met zijn stoïsche visies ligt wel voor de hand, maar Volk slaagt er niet helemaal in aannemelijk te maken dat ook de leer van Epicurus – die pleitte voor een zo ontspannen mogelijk bestaan – enige politieke relevantie had. Misschien was het niet zo dat filosofie de politiek bepaalde, maar eerder omgekeerd: politici verklaarden zich tot sympathisant van de stroming die het meest bij hun karakter paste. Typerend genoeg beschouwde Cicero zich als aanhanger van de Skeptische Akademie, een uiteindelijk op Plato gebaseerde levenshouding waarbij men ieder probleem altijd van minstens twee kanten probeerde te benaderen: ook voor een redenaar heeft absolute waarheid weinig relevantie, het gaat erom wat je redelijkerwijs aannemelijk kunt maken, en wat gezien de omstandigheden opportuun (utile) is, waarbij men uiteraard wel in het oog moet houden wat het meest eerzaam (honestum) is.

Een nieuwe rol voor de welsprekendheid

Na de troonsbestijging van Augustus had het vrije woord in de politieke arena afgedaan. Er brak een lange periode van rust en welvaart aan, slechts onderbroken door een korte maar traumatiserende burgeroorlog na de dood van keizer Nero (68-69 n.Chr.). De meeste keizers waren dan misschien geen lieve jongens, maar de staatsinstellingen functioneerden uitstekend en er was veel ruimte voor beeldende kunst en architectuur, poëzie en filosofie, muziek en theater. In het hele Romeinse Rijk werden bestuurders en ambtenaren gevormd op scholen die geleid werden door retoren, leraren in de welsprekendheid. Discussies over het staatsbestel waren weliswaar uitgesloten, ook in fictie, maar op het terrein van rechtspraak en plaatselijk bestuur speelde de retorica een belangrijke rol, en dat zou zo blijven tot in de vijfde eeuw van onze jaartelling.

Het meest complete handboek voor de opleiding tot redenaar is dat van Marcus Fabius Quintilianus (ca. 40-96), in maar liefst twaalf boeken (hoofdstukken), omdat daarin alle aspecten van de retorica – een vak met een traditie van dan al een eeuw of vijf – op een rij worden gezet en kritisch gewogen, waarbij vooral de effectiviteit telt. Wat werkt het beste in de rechtbank? Hoe leer je zo efficiënt mogelijk een redevoering uit je hoofd? En hoe ga je pragmatisch om met de beperkte vrijheid van meningsuiting, terwijl je toch je morele integriteit bewaart?

Quintilianus, afkomstig uit het Spaanse Calahorra, studeerde retorica in Rome, bouwde als advocaat een praktijk op en vestigde zich rond het jaar 70, toen Vespasianus keizer was geworden, als docent in Rome, waar hij gedurende twintig jaar veel jongens uit de Romeinse elite onder zijn hoede had, onder wie Plinius de Jongere en, wellicht, Tacitus. Daarna besloot hij zijn onderwijservaring in een standaardwerk te boekstaven, maar in die jaren werd hij ook aangesteld als leraar van twee prinsjes, kleinzoons van de zus van keizer Domitianus, van wie de oudste de beoogde troonopvolger was. Dankzij zijn expertise stond Quintilianus dus dicht bij het centrum van de macht.

Keizer Domitianus

De antieke bronnen, met name Suetonius en Cassius Dio, schilderen Domitianus af als een eenzame en gefrustreerde (en daardoor paranoïde geworden) loser, maar er is alle reden om hun verslagen niet op hun woord te geloven, gestuurd als ze zijn door een aristocratische agenda.

Domitianus, keizer van 81 tot 96, heeft geen beste reputatie. Met een fraaie expositie in het Rijksmuseum voor Oudheden te Leiden, getiteld God op Aarde. Keizer Domitianus (december 2021-mei 2022), hebben de conservatoren getracht dat beeld enigszins te nuanceren, niet zozeer om Domitianus te rehabiliteren als wel om zijn bewind in een ruimere context te plaatsen. De antieke bronnen, met name Suetonius en Cassius Dio, schilderen Domitianus af als een eenzame en gefrustreerde (en daardoor paranoïde geworden) loser, maar er is alle reden om hun verslagen niet op hun woord te geloven, gestuurd als ze zijn door een aristocratische agenda. Inderdaad ging deze keizer niet zachtzinnig om met de senaat, maar dat wil niet zeggen dat hij ook in andere opzichten een monster was. In de catalogus laten Nathalie de Haan en Eric Moormann uitvoerig zien hoe Domitianus bijvoorbeeld een blijvende stempel heeft gedrukt op het stedenbouwkundig aanzien van Rome. Zoals we ook in Wreed en pervers kunnen lezen, waarin de relevante teksten van Suetonius en Cassius Dio (overigens ongelooflijk slordig) zijn vertaald, was Domitianus weliswaar hebzuchtig en wreed en ontzegde hij alle filosofen de toegang tot Italië, maar stelde hij ook een cultureel festival in en bestreed hij met succes corruptie.

Het indrukwekkendste object van de tentoonstelling was tevens het kleinste: een muntje van misschien anderhalve centimeter doorsnede met daarop de afbeelding van een bloot jongetje dat op een wereldbol zit, met een paar sterren om zich heen. De keizer liet het muntje slaan ter nagedachtenis aan zijn vroeg overleden zoontje. Dit onroerende monumentje maakt Domitianus ineens tot mens, tot een vader die uiting geeft aan diep verdriet.

Quintilianus’ retorica

Misschien heeft Quintilianus dat in hem herkend. Tijdens het werken aan De opleiding tot redenaar overleed zijn tienjarige zoon, nadat zijn vrouw en jongste zoon al eerder waren gestorven. Aanvankelijk ontroostbaar weet hij, zoals hijzelf vertelt, niet meer hoe hij verder moet, maar uiteindelijk helpt hard werken hem er weer bovenop. Dit hartverscheurende verhaal is zonder twijfel authentiek, al zit er wel een kleine adder onder het gras: Quintilianus vertelt het in de inleiding van het hoofdstuk dat gewijd is aan het bespelen van emoties. Leven en werk lijken zo naadloos in elkaar over te lopen.

De Nijmeegse latinist Marc van der Poel heeft samen met twee collega’s The Oxford Handbook of Quintilian samengesteld, een imposant overzicht van de staat van het onderzoek naar de grote Romeinse retor. In tweeëntwintig hoofdstukken met intimiderend lange bibliografieën zetten evenzoveel experts uiteen wat er in de loop van twee millennia zoal over Quintilianus is geschreven. De verbluffende apotheose is een hoofdstuk van William J. Dominik, die op grond van honderden publicaties opsomt hoe er tegenwoordig over Quintilianus wordt gedacht, waarbij hij zelfs Koreaanse, Hongaarse en Japanse Wikipediapagina’s niet veronachtzaamt. Misschien gaat dat net iets te ver, maar het toont wel aan dat Quintilianus’ boek, dat omstreeks het jaar 95 werd gepubliceerd, wereldwijd nog altijd als hét standaardwerk op het terrein van de retorica geldt.

Als er één conclusie uit het werk van zowel Cicero als Quintilianus kan worden herleid, is het wel dat je om een algemeen ontwikkeld, welsprekend en moreel hoogstaand mens te worden een leven lang keihard moet werken.

Quintilianus was, zo wordt duidelijk in vrijwel alle hoofdstukken van het handboek, geen origineel denker, en dat wilde hij ook niet zijn. Hij vat samen, somt op, brengt structuur aan, verwerpt overbodige muggenzifterij, weegt af waar je het meest aan hebt, als leraar, leerling of gevestigd advocaat. Hij is schatplichtig aan Aristoteles, Isocrates en de hellenistische handboeken, maar vooral aan Cicero, die hij meer dan zevenhonderd keer citeert. Ook al volgt hij hem niet kritiekloos, toch is Cicero zijn idool, niet alleen als redenaar, maar ook als theoreticus. Vanzelfsprekend beseft Quintilianus terdege dat de tijden veranderd zijn, maar hij onderschrijft nog steeds Cicero’s ideaal van de redenaar als uomo universale, de ultieme intellectueel met hart voor zijn cliënten en de samenleving. Als er één conclusie uit het werk van zowel Cicero als Quintilianus kan worden herleid, is het wel dat je om een algemeen ontwikkeld, welsprekend en moreel hoogstaand mens te worden een leven lang keihard moet werken.

Retorica als manier van leven

Quintilianus laat zien dat retorica niet zozeer een vak is als wel een manier van leven, een levenshouding die in de wieg begint en pas in het graf eindigt.

Wat in het boek van Van der Poel c.s. een beetje onderbelicht blijft, is het schrijverschap van Quintilianus zelf. Er is een mooi stuk van Thomas Zinsmaier over Quintilianus’ stijl, maar verder wordt De opleiding tot redenaar toch vooral gezien als handboek waaruit je nuttige feiten kunt opdiepen. Dat is jammer, want de literaire ambities van Quintilianus reikten verder, zoals uit soms ogenschijnlijk onbetekenende details kan worden afgeleid. Zo opent het werk met een verwijzing naar de Ars poetica van Horatius, een gedicht dat niet alleen iets over poëzie vertelt, maar bovenal een reflectie is op de mogelijkheid iets zinnigs over poëzie te zeggen. Ik ben ervan overtuigd dat ook De opleiding tot redenaar meer is dan een leerboek. Quintilianus laat zien dat retorica niet zozeer een vak is als wel een manier van leven, een levenshouding die in de wieg begint en pas in het graf eindigt. En om met hart en ziel redenaar te zijn behoeft men in zekere zin niet eens op te treden, want ook de redenaar die zwijgt is nog steeds een redenaar.

Het ligt voor de hand die gedachte in verband te brengen met Quintilianus’ besef dat in zijn tijdsgewricht, anders dan in de hoogtijdagen van Cicero, niet alles gezegd kon worden. Mocht de laatste nog de illusie koesteren dat hij met spreken de politieke werkelijkheid kon beïnvloeden, lijkt Quintilianus het zwaartepunt te leggen op innerlijke vorming, uiteraard naast het praktisch nut in de juridische praktijk. Niettemin vertegenwoordigen Cicero en Quintilianus hetzelfde geloof in de intrinsieke waarde van intellectuele vorming, een goede taalbeheersing en loyaal burgerschap, ook in tijden waarin dat politiek gezien problematisch is. Daarom moeten we hen blijven lezen.