Advertentie
advertentie UPL online

Groningen en het gas

Op 9 mei reageerde het kabinet op het rapport Groningers boven gas van de Parlementaire enquête aardgaswinning Groningen. Historicus Marin Kuijt betoogt dat het bijna 2000 pagina’s tellende rapport weliswaar over de uitvoering en communicatie van het gasbeleid gaat, maar dat beleid zelf ondertussen niet ter discussie stelt. Alle terechte zorg voor Groningen ten spijt, zal deze fundamentele vraag ongesteld en onbeantwoord blijven: is de eerste zorg van de Nederlandse staat het mogelijk maken van ‘verantwoorde winning’, of de bescherming van haar burgers tegen klimaatverandering? 

Besproken boeken

De parlementaire enquêtecommissie aardgaswinning Groningen bood op 24 februari in Zeerijp haar rapport aan. De conclusie was hard: de gaswinning in Groningen was ‘rampzalig’ en het winnen van gas heeft geleid tot een ongekend aantal slachtoffers. De commissie gaat uit van ongeveer een kwart miljoen gedupeerden. De belangen van de Groningers zijn daarmee structureel genegeerd door de staat, het bedrijfsleven en de rest van het land. Nederland, zo luidt de conclusie, heeft een ereschuld aan de Groningers.

Het debat zal zich binnen de kaders van het rapport afspelen, omdat Kamer en kabinet unaniem de analyse van het rapport onderschrijven en zich achter de conclusies scharen. Daarmee worden de blinde vlekken van het rapport de dode hoek van het debat.

De Tweede Kamer en het kabinet onderschrijven de conclusies van het rapport. Rutte heeft excuses aangeboden namens het kabinet en 22 miljard toegezegd om een nij begun (nieuw begin) te maken. Het debat over het gasdossier is hiermee nog niet klaar. De Tweede Kamer moet nog debatteren met het kabinet over het rapport. Het kabinet is daarnaast van plan om jaarlijks verantwoording af te gaan leggen in het parlement over de voortgang van maatregelen voor Groningen.

Het debat zal zich binnen de kaders van het rapport afspelen, omdat Kamer en kabinet unaniem de analyse van het rapport onderschrijven en zich achter de conclusies scharen. Daarmee worden de blinde vlekken van het rapport de dode hoek van het debat. De enquêtecommissie legt in haar rapport de nadruk resoluut op de aardbevingsproblemen in Groningen. De aandacht voor regionale gevolgen is belangrijk − veel van de aardbevingsslachtoffers wachten nog steeds op hulp. Het debat zal dus ook (terecht) in de eerste plaats gaan over de slachtoffers van de aardbevingen en hoe Groningen een nieuwe toekomst kan krijgen.

De focus van het rapport ontneemt daarmee echter wel het zicht op de problemen die onlosmakelijk met fossiele brandstofwinning verbonden zijn: klimaatverandering en milieuvervuiling. Het gaat daarom de komende tijd waarschijnlijk niet over de bredere milieu- en klimaatcrisis waar de gaswinning aan heeft bijgedragen – en daarmee verdwijnt ook de vraag wie hier verantwoordelijk voor is naar de achtergrond.

Het rapport had kunnen verzanden in duidingen van juridische constructies, herenakkoorden en besluiten. Door de aardbevingen als leidraad te nemen voelt de lezer hoe de rampen elkaar in steeds rapper tempo opvolgen.

Het rapport 

Het rapport bestaat uit vijf delen die samen bijna tweeduizend pagina’s tellen. Het eerste deel is een samenvatting en bevat de conclusies en aanbevelingen. Het laatste deel bevat thematische hoofdstukken, verantwoording en bijlagen. De middelste drie delen zijn een geschiedenis van de aardbevingen en de besluitvorming over de gaswinning. De historische benadering van de commissie is bijzonder; het rapport is waarschijnlijk de uitgebreidste geschiedenis van de problematiek die ooit geschreven zal worden. Het tweede deel van het rapport beslaat de langste periode: 1959-2012. Daarna zoomt de commissie in en reconstrueert in detail de besluitvorming in de periodes 2012-2017 en 2017-2022. De periodisering van dit historische deel en de hoofdstukindeling gaat aan de hand van aardbevingen. De commissie sleept de lezer van beving naar beving. Hoofdstukken beginnen met een belangrijke aardbeving en dragen de naam van plaatsen waar het epicentrum van de beving lag, bijvoorbeeld ‘Van Hoeksmeer tot Huizinge.’ Het rapport had kunnen verzanden in duidingen van juridische constructies, herenakkoorden en besluiten. Door de aardbevingen als leidraad te nemen voelt de lezer hoe de rampen elkaar in steeds rapper tempo opvolgen. Ondanks de technische passages over besluitvorming blijft het een aangrijpend rapport om te lezen. De prominente plek van aardbevingsslachtoffers in het geheel versterkt dit effect. De commissie citeert uit de vele verhoren met gedupeerden. Daarnaast staan er veel portretten van Groningers bij hun huizen in het rapport. 

Een kritisch rapport?

Op het eerste gezicht lijkt het rapport een zeer kritisch beeld van de gaswinning in Groningen te schetsen. De toon en conclusies werken als een rode lap op de verdedigers van de fossiele industrie. Twee energieconsultants die vroeger in dienst van Shell waren, vinden het rapport dan ook veel te kritisch. In NRC (24 maart 2023) verwijten ze de commissie ‘selectief’ te zijn geweest in haar waarheidsvinding. Natuurlijk moeten de nadelen van de winning aan bod komen, maar de commissie negeert nu de vele voordelen die het gas Nederland heeft gebracht en vooral nog zou kunnen brengen. Het gebruik van fossiele brandstoffen is nog decennia onontkoombaar en vergeleken met bruinkool, olie uit teerzandgronden en Russisch gas is het Groninger gas het minst van alle kwaden. Als we de balans rationeel opmaken, zo stellen de consultants, dan komen we vanzelf tot de conclusie dat we te snel afscheid hebben genomen van de gaswinning. Het verwijt aan de commissie is dat ze deze kostenbatenanalyse niet heeft gemaakt.

Niet alle schade is echter in financiële termen uit te drukken. De Nederlandse staat en de NAM hebben ook een immateriële ereschuld. Zoals de commissie terecht opmerkt is een van de problemen in het gasdossier dat het publieke belang enkel in financiële termen werd uitgedrukt. Er was geen oog voor immateriële aspecten van welzijn die minstens even fundamenteel zijn. Maar op een ander vlak delen de kritische energieconsultants het denkkader van de enquêtecommissie. Dit duidt op het werkelijke probleem met het rapport. 

License to operate

Het opiniestuk is gebaseerd op een rapport dat de consultants uitbrachten onder de titel ‘Groningen: Verlies van een License to Operate’. Wat uiteindelijk de gaswinning de das om heeft gedaan, is het verlies aan maatschappelijke acceptatie van de winning. De parlementaire enquêtecommissie hanteert ook het begrip ‘license to operate’. In het eerste deel van het rapport schrijft de commissie: ‘Het geheel overziend vindt de commissie dat de partijen in het gasgebouw samen, in hun collectieve verantwoordelijkheid voor een verantwoorde gaswinning, hebben gefaald en hun zorgplicht hebben verzaakt.’ (p. 63) De staat en de aandeelhouders van de NAM hebben nagelaten gas op een verantwoorde manier te winnen en dit is ‘laakbaar.’

Niet de gaswinning zelf wordt zo het probleem, maar de specifieke aanpak van de aandeelhouders in combinatie met het beleid van de Nederlandse staat. Het idee dat fossiele brandstofwinning geen probleem is zolang de schade niet te erg is, is door de oliesector zelf verpakt in het idee van de license to operate.

Het gevolg van het verzaken van de zorgplicht is dat de NAM haar license to operate heeft verloren. De commissie schrijft aansluitend over de rol van het oliebedrijf: ‘Door te lang de veiligheid van Groningers te negeren en vast te houden aan hoge winningsniveaus hebben zij [NAMs aandeelhouders, oftewel Shell en Exxon Mobil, MK] zichzelf uiteindelijk in de vingers gesneden: de gaskraan is dichtgedraaid terwijl er nog gas in de bodem zit dat gewonnen had kunnen worden.’ Niet de gaswinning zelf wordt zo het probleem, maar de specifieke aanpak van de aandeelhouders in combinatie met het beleid van de Nederlandse staat. Het idee dat fossiele brandstofwinning geen probleem is zo lang de schade niet te erg is, is door de oliesector zelf verpakt in het idee van de license to operate.

De license to operate is een afleidingsmanoeuvre van de olie-industrie, specifiek van Shell. In de jaren negentig stond het bedrijf in een kwaad daglicht. In Nigeria werden anti-Shell activisten opgehangen en het bedrijf wilde een boortoren laten zinken in de Noordzee. Het grote publiek begon in te zien dat er een fundamenteel probleem is met olie-extractie. Shell kwam toen met het idee van de social license to operate op de proppen, nu vaak afgekort tot license to operate. Een bedrijf heeft een license to operate als de lokale bevolking de activiteiten van het bedrijf als legitiem ziet, ondanks de negatieve gevolgen die de activiteiten vaak hebben voor onder meer het milieu. Om de maatschappelijke acceptatie van controversiële bedrijfsactiviteiten te bereiken sponsoren bedrijven bijvoorbeeld musea, sportwedstrijden en buurtcentra.

Het rapport van de enquêtecommissie bekritiseert de negatieve gevolgen van de gaswinning, maar houdt het voor mogelijk dat er een vorm van ‘verantwoorde’ gaswinning had kunnen plaatsvinden.

Voor Shell is de kern van de license to operate: zolang het oliebedrijf de bevolking tevreden kan houden, bestaat er geen fundamenteel bezwaar tegen fossiele brandstofwinning. Een pr-firma die in de arm werd genomen noemde het doel van de license to operate: ‘[to] stabilise the socio-political environment for business’. Zoals Mel Evans stelt in haar boek Artwash: Big Oil and the Arts: het probleem met deze term is dat het de discussie verlegt van extractie zelf naar de gevolgen van extractie. Binnen dit denkkader is het punt niet dat er gas of olie gewonnen wordt, maar hoe de bevolking daarop reageert. Zolang de bevolking zoet gehouden kan worden, is winning niet problematisch. 

Shells interventie is succesvol geweest, gezien de populariteit van het concept onder Groningenduiders. Het rapport van de enquêtecommissie bekritiseert de negatieve gevolgen van de gaswinning, maar houdt het voor mogelijk dat er een vorm van ‘verantwoorde’ gaswinning had kunnen plaatsvinden. Het probleem is echter dat gaswinning in Groningen altijd tot desastreuze gevolgen zou hebben geleid, zelfs al was de sociale kant van de winning goed geregeld. Gas wordt gewonnen om het te verbranden en dat leidt onherroepelijk tot CO2- en methaanuitstoot. Met iedere kubieke meter gas die uit het Groningerveld komt, gaan er broeikasgassen de lucht in. Schade aan lokale ecosystemen en bodemdaling zijn ook onvermijdelijke gevolgen van gaswinning. Het is niet mogelijk om een technische infrastructuur aan te leggen om iets uit de aarde te verwijderen, zonder dat dit zijn sporen nalaat in het landschap en de bodem. 

De Grote Versnelling

Wat de commissie ‘verantwoorde’ winning noemt is onlosmakelijk verbonden met het Antropoceen – het huidige tijdsgewricht waarin de mens de belangrijkste kracht is die de aarde, ecosystemen en het klimaat beïnvloedt en vormgeeft. Meer specifiek past de gaswinning in Groningen in ‘The Great Acceleration’, een term uit het gelijknamige boek van John McNeill en Peter Engelke. The Great Acceleration, of Grote Versnelling, duidt de ongekende toename van CO2-uitstoot aan sinds 1945, met een verdere versnelling rond 1970. Sinds de industriële revolutie neemt de uitstoot van broeikasgassen toe, en na 1945 is de relatie van de mens tot de natuur helemaal uit het lood geslagen. In Nederland is in deze periode op ongekende schaal fossiele energie aan de bodem onttrokken en verbruikt, met alle ecologische en klimatologische gevolgen van dien.

Het is cruciaal om de gaswinning in het licht van de Grote Versnelling te zien. Het toont dat hoe er ook gemanaged was in Groningen, de gevolgen altijd verderfelijk waren geweest. Zo bezien toont het rapport ons iets fundamenteels over wie er precies verantwoordelijk is voor het aanjagen van de klimaatcrisis. Wie heeft het gaspedaal van de Grote Versnelling ingedrukt? Het concept Antropoceen impliceert dat de mens als soort schuldig is. Critici zoals Jason Moore wijzen er terecht op dat het niet de hele menselijke soort verantwoordelijk is voor klimaatverandering, maar specifieke groepen mensen. Moore wijst het kapitalisme en de kapitalisten aan als schuldigen. De aandeelhouders van de NAM hebben zeker bijgedragen aan het probleem, maar het was ook een kleine elite van ambtenaren en politici die in naam van nationale vooruitgang en welvaart de gaswinning mogelijk hebben gemaakt. 

In het licht van de klimaatcrisis en het Antropoceen is de zorgplicht van de Nederlandse staat niet het mogelijk maken van ‘verantwoorde winning’ maar het beschermen van burgers tegen klimaatverandering. De Hoge Raad verplicht de Nederlandse staat hier zelfs toe.

De verantwoordelijkheid voor de besluiten rondom de gaswinning ligt dus noch uitsluitend bij de kapitalisten, noch bij de mens als soort. Het was een verbond – of koolstofcoalitie − van de top van het fossiele bedrijfsleven, de Nederlandse ambtenarij en de politiek die de gaswinning heeft aangejaagd en te lang in stand heeft gehouden, met alle gevolgen van dien. In het licht van de klimaatcrisis en het Antropoceen is de zorgplicht van de Nederlandse staat niet het mogelijk maken van ‘verantwoorde winning’ maar het beschermen van burgers tegen klimaatverandering. De Hoge Raad verplicht de Nederlandse staat hier zelfs toe in het Urgenda-arrest: ‘de Staat [is, MK] verplicht om, ter voorkoming van gevaarlijke klimaatverandering, zorg te dragen voor reductie van het Nederlandse emissieniveau.’ De staat moet broeikasgasemissies verminderen en niet de winning mogelijk maken van fossiele brandstoffen die de uitstoot veroorzaken.

De koolstofcoalitie moet ter verantwoording worden geroepen voor het immense leed dat ze in Groningen heeft aangericht. Maar deze coalitie heeft nog meer op haar geweten en het rapport laat haar hier te makkelijk mee wegkomen. Door mee te gaan in de logica van de license to operate verplaatst de commissie de aandacht naar het goed regelen en managen van extractie, in plaats van kritisch te reflecteren op de problemen die onlosmakelijk met fossiele brandstofwinning verbonden zijn. In het verdere debat mogen we deze bredere context niet uit het oog verliezen – daarvoor staat er te veel op het spel.