Advertentie
Alles-moet-anders-Banner-5

Katherine Mansfield, zo dichtbij, zo ver

Schrijverscollectief Fixdit streeft naar meer diversiteit in de canon en het literaire veld. Op deze plek delen de auteurs van Fixdit hun visie op literaire teksten die van belang zijn voor een meerstemmige wereld. Auteur Sanneke van Hassel laat haar licht schijnen op het leven en werk van Katherine Mansfield, godmother van het korte verhaal, altijd een zorgvuldige en haast poëtische compositie van het alledaagse.

Besproken boeken

De plakkerige zomer van 2022 bracht ik door met Katherine Mansfield, godmother van het korte verhaal. Met mijn gezin had ik een appartementje gehuurd in de vervallen badplaats Ospedaletti, iets boven San Remo. Het liefst las ik haar in de neoklassiek ingerichte slaapkamer, inclusief krullerige kledingkast, verbleekte prenten van herderinnetjes en een door houtworm aangevreten lamp. Eigenaar Pino Pirrone, olijfolieboer en eigenaar van een eenmansreisbureau, kocht de flat ooit van een Duits echtpaar. Aan de Middellandse Zee vond je de hele wereld, getuige de nationaliteiten op het bellenbord en de grote villa van rijke Russen waar we op uitkeken. Vanwege de oorlog met Oekraïne was hij verlaten, maar even goed ontnam hij lager gelegen appartementen het uitzicht op zee.

De biografie Katherine Mansfield: A Secret Life (2017) van Claire Tomalin wisselde ik af met Mansfields korte verhalen. De drukproef van de vertaling van de honderd jaar oude bundel The garden party and other stories sjouwde ik mee naar een rotsachtig strandje onder de flat, waar ik me tussen magere Italiaanse oudere vrouwtjes in chique badpakken begaf en keek hoe mensen de zee ingingen onder het wakend oog van een tanige, oude badmeester die een barretje uitbaatte.

***

Ik kende Mansfield van ‘Prelude’, in 1918 uitgegeven door Virginia Woolfs’ Hogarth Press, een uit lyrische fragmenten opgebouwd verhaal over een gezin dat ‘naar buiten’ verhuist. Van de Burnells, gemodelleerd naar het koloniale upper middle class-gezin Beauchamp waar Mansfield zelf uitkwam, komen diverse perspectieven aan bod, ook dat van de kinderen en de grootmoeder. Een intens en ritmisch spel van beelden en werelden; in kort bestek maakt Mansfield dromen en frustraties van de familieleden voelbaar.

Ik dacht dat Mansfield slechts drie verhalenbundels had gepubliceerd, niet vreemd aangezien ze al op haar vierendertigste stierf. Maar volgens Tomalin had ze juist een enorme productie, je moest gewoon de sprankelende dagboekfragmenten en brieven meetellen, plus alle kritieken die ze schreef om zich van een inkomen te voorzien.

Die brieven vond ik online. Snel scrolde ik naar 1919. Wat mijn man en zoons niet wisten was dat ik deze flat ook had gehuurd omdat Mansfield dat jaar hier verbleef. Lijdend aan tuberculose schreef ze Virgina Woolf in augustus dat ze van plan was naar Zuid-Europa te gaan: ‘I must just lie in the air and try and turn into a decent creature.’ Ze zou een krokodil willen zijn, het enige dier dat niet hoest, schreef ze. Een hotel in San Remo weigerde haar te ontvangen uit angst voor besmetting, dus huurde ze Cassetta Deerholm, een kleine villa in het nabije vissersdorp Ospedaletti. Nadat haar echtgenoot John Middleton Murry haar geïnstalleerd had, ging hij terug naar Londen, waar hij een vooraanstaand literair tijdschrift bestierde. Mansfield bleef achter met Ida Baker, die haar vanaf hun tijd aan het Londense Queens College volgde en verzorgde. ‘My wife’ noemde Mansfield Ida soms.

Met haar familie had de schrijfster weinig contact. Haar moeder Annie Beauchamp was in 1918 overleden in het Nieuw-Zeelandse Wellington, waar ze opgroeide. Mansfield had als meisje al een avontuurlijke geest, maar vanaf haar studietijd in Londen wisten haar ouders helemaal niet meer wat ze met haar aan moesten. Ze leidde een bohemien bestaan, had verhoudingen met vrouwen en mannen, verruilde haar plannen om celliste te worden voor een schrijfcarrière, beëindigde een huwelijk na een dag, doorstond een miskraam in een Duits pension en woonde telkens ergens anders, van Cornwall (met D.H. Lawrence en zijn vrouw) tot Parijs.

I have taken this little villa for the winter, perhaps for longer. It is nice, Koteliansky; you would like it. It is on a wild hill slope, covered with olive and fig trees and long grasses and tall yellow flowers. Down below is the sea—the entire ocean—a huge expanse. It thunders all day against the rocks. At the back there are mountains. The villa is not very small. It has a big verandah on one side where one can work and an overgrown garden. No hideous riviera palms (like Italian profiteers); everything very simple and clean. – 1 oktober 1919

Aanvankelijk is Mansfield enthousiast over het dorp en ‘haar’ tuin. Vaak schrijft ze over de zee, waar ze schitterend uitzicht op heeft, maar die haar ook overweldigt, ‘It is a lesson in humility to write or think with that sea and sky there.’ In een van de brieven laat ze Murry weten dat ze van plan is over haar verblijf een boek te schrijven, ‘From the Casetta’, met observaties over de omgeving, ‘about things like flies or certain light or a fragment of talk over a table or workmen going home in the evening.’

Naarmate 1919 naar z’n einde kruipt wordt ze depressiever. Ze is eenzaam, moppert over Ida, voelt zich doodziek, er is geen koffie te krijgen, haar medicijn Sorapure raakt op en tot overmaat van ramp staken de posterijen. De komst van Murry met kerst brengt geen verlichting. Ook een bezoek van haar vader valt tegen. Vaak zijn Mansfields brieven geestig en vrolijk, maar nu schrijft ze over somberte en de dood. Italië gaat haar tegenstaan en uiteindelijk vertrekt ze eind januari naar Menton, waar haar door familie meer comfort wordt geboden. Daar zou ze werken aan de verhalen uit Bliss and other stories (1920) en The Garden Party and other stories (1922). Na deze productieve jaren verzwakt ze verder om in 1924 in een commune van goeroe George Gurdjeff bij Fontainebleau te overlijden.

***

Life is so strange—so full of extraordinary things…. Today, this afternoon, waiting for my Father to come to tea—I felt I could have made — but only of that waiting — a whole book’, schrijft  Mansfield aan Lady Ottoline Morell op 17 augustus 1919, vlak voor vertrek naar Italië.

Waar haar tijdgenoten Joyce en Woolf in Ulysses en Mrs Dalloway één dag eindeloos uitrekken, specialiseerde Mansfield zich in geconcentreerde korte verhalen. In enkele pagina’s weet ze het buitengewone en verreikende van ontmoetingen en ogenschijnlijk kleine voorvallen voelbaar en inzichtelijk te maken.

Maar als schrijver zou ze het innerlijk avontuur tijdens een potje wachten nooit uitspinnen tot een roman. Waar haar tijdgenoten Joyce en Woolf in Ulysses en Mrs Dalloway één dag eindeloos uitrekken, specialiseerde Mansfield zich in geconcentreerde korte verhalen. In enkele pagina’s weet ze het buitengewone en verreikende van ontmoetingen en ogenschijnlijk kleine voorvallen voelbaar en inzichtelijk te maken. Ieder verhaal is een zorgvuldige compositie, bijna een gedicht, waarin elk detail, hoe klein ook, lading en betekenis heeft.

Laat op de avond herlees ik ‘Aan de baai’, het eerste en langste verhaal uit Het tuinhuis. In dit vervolg op ‘Prelude’ brengt de familie Burnell een zomer aan zee door. Mansfield neemt me in twaalf ‘vignetten’ mee door een lange dag. Als ik het begin heb gelezen – de zon komt op, een kudde schapen trippelt voorbij – hoor ik mijn negenjarige zoon snurken. Op het goedkope stapelbed heeft hij het laken van zich afgegooid. Als ik terugloop, zie ik in de woonkamer bij de openstaande balkondeuren puberzoon op de halfverteerde slaapbank verzonken in het oplichtende schermpje van zijn telefoon. In het keukentje sleutelt mijn man aan zijn laatste uitvinding, een zwemvin die hij in zee wil testen. De leden van mijn gezin hebben eigen werelden. Ze zijn zo dichtbij, en zo ver weg.

Na de poëtische opening met de nuffige kat van de Burnells en een oude herdershond die schapen drijft, treffen dromer Jonathan Trout en zijn zwager Stanley Burnell, een gestresst zakenman, elkaar tijdens hun ochtendduik. Stanley: ‘Waarom, verdorie, bleef die kerel niet in zijn eigen stuk zee’? De ontmoeting brengt beiden uit hun humeur, laat Mansfield zien, om daarna andere familieleden een voor een te ‘kraken’, vooral vrouwelijke, deskundig als ze is op het gebied van vrouwenlevens.

Bij het vangen van de betekenis van een zomervakantiedag in een kort verhaal, kiest Mansfield niet voor één ik-verteller die het zich allemaal herinnert. Observaties, dromen en frustraties van een gemeenschap komen aan bod, inclusief een grappig gesprekje van dienstmeisje Alice met winkelier mevrouw Stubbs, waarin het verlangen naar vrijheid van alle personages eindelijk hardop wordt uitgesproken.

Mansfield brak met de conventies van de negentiende-eeuwse roman door nauwelijks aan plotontwikkeling te doen en zich te richten op de innerlijke wereld van haar personages. Zo suggestief mogelijk, met elk woord op zijn plek, ‘I write with acid’. Maar hoe strak geëtst de zinnen ook zijn, ik ken weinig schrijvers die zo levendig schrijven, zo goed zijn in het vangen van ‘moments of being’.

En al lezende zag ik dichtbij een kort verhaal ontstaan, over de ‘secret selves’ van mijn gezinsleden in een flat aan zee. Hoe wat ik deze zomer in Ospedaletti beleefde erin zou passen, de temperaturen die niet daalden, Villa Larisa uitgestorven – en deze mannen en ik met elk onze eigen dromen, terwijl de zee onder ons raasde en er een vissersbootje voer met een lichtje op de kajuit, op zoek naar schaarse vissen.