Advertentie
Princeton-university-press

Twee nieuwe vertalingen van Prousts «Les Plaisirs et les jours»

Verhalen, prozagedichten, portretten en satire: in zijn eersteling Les Plaisirs et le jours combineert Marcel Proust alle mogelijke genres. De ene Proustkenner vindt het daarom een gesamtkunstwerk, de ander ziet het als een gefragmenteerd en nog onvoldragen eerste werk. Annelies Schulte Nordholt dook in de verreikende bundel, die tot twee uiteenlopende nieuwe Nederlandse vertalingen leidde.

Het is bekend dat Marcel Proust zelf gemengde gevoelens had over zijn eersteling, Les Plaisirs et les jours, gepubliceerd in 1896, toen hij vijfentwintig jaar oud was. Hij wilde jarenlang geen herdruk, ook niet toen hij in 1918, nadat hij de Prix Goncourt ontving voor In de schaduw van de bloeiende meisjes, een beroemde schrijver was geworden – bevreesd als hij was dat dit jeugdwerk zijn magnum opus zou schaden. De lezer die de lange adem van Op zoek naar de verloren tijd gewend is zal nauwelijks geloven dat deze fragmentarische bundel korte verhalen, gedichten en prozagedichten ook van Proust is. De titel Les Plaisirs et les jours is een omkering van Werken en dagen, het gedicht van Hesiodus dat een pleidooi vormt voor een eerlijk, rechtvaardig leven van zwoegen op het land. In plaats van de werken gaat het bij Proust om de lusten, en die term slaat op het mondaine stadsleven, maar ook op die van het vlees.

Een gesamtkunstwerk?

De bundel telt een aantal korte verhalen waarin het vaak gaat om een personage dat zich laat verleiden door lust maar dat daarvoor genadeloos wordt gestraft – door angst, verdriet, schuldgevoelens en soms zelfs de dood. In ‘Biecht van een meisje’, bijvoorbeeld, gaat het om een overgevoelig en willoos jong meisje met een intense moederbinding. In het drukke salonleven leert zij een jongeman kennen en op een onbewaakt ogenblik laat zij zich door hem betasten. Het is een moment van genot maar ook van zware schuldgevoelens: ‘Het was alsof ik de ziel van mijn moeder, de ziel van mijn beschermengel (…) in tranen bracht.’ Tot overmaat van ramp ziet de moeder het stel door het raam en daarmee stort hun wereld in: de moeder sterft van schrik en het meisje probeert zelfmoord te plegen. Voor de lezer van nu is dit verhaal niet alleen over the top, maar ook sentimenteel en typisch fin de siècle. Toch kun je in dit jonge meisje ook een transpositie zien van de jonge Proust met zijn moederbinding en zijn schuldgevoelens over zijn homoseksuele geaardheid – een thema dat terugkomt in Op zoek naar de verloren tijd in het motief van de mères profanées.

Lijnrecht tegenover die schuldige lusten van het mondaine leven staan in de bundel grosso modo twee werelden: die van de kunst en die van de natuur.

Lijnrecht tegenover die schuldige lusten van het mondaine leven staan in de bundel grosso modo twee werelden: die van de kunst en die van de natuur. De schilderkunst wordt gehuldigd in een serie van vier gedichten die portretten zijn van de door Proust meest bewonderde schilders: Albert Cuyp, Paulus Potter, Antoine Watteau en Anton Van Dyck. De gedichten proberen een impressie van hun werk te geven en zijn geschreven in navolging van Baudelaire, die met zijn ‘Les Phares’ iets soortgelijks deed. Kunst is ook muziek, en die is op meerdere manieren aanwezig in Les Plaisirs et les jours: in de serie portretten van geliefde componisten en in de pianocomposities die Prousts vriend Reynaldo Hahn schreef geïnspireerd op de schildersportretten. Pianostukken waarvan de partituur in manuscriptvorm in het boek is opgenomen.

De natuur is de andere wereld die Proust tegenover die van het mondaine leven stelt. Net als Hesiodus, zou je kunnen zeggen, lijkt Proust een oproep te doen om je af te keren van het zondige stadsleven en het schouwspel van de natuur tot je te laten doordringen. Dat doet hij in een serie prozagedichten die qua thematiek en stijl zijn latere werk al aankondigen. We zien hier Proust de wandelaar, die – net als de hoofdpersoon in Op zoek naar de verloren tijd probeert de emoties die een bepaalde natuurervaring in hem oproepen in woorden te vatten. Zijn beschrijvingen van de melancholie van zonsondergangen en herfstkleuren zijn natuurlijk typisch decadent, maar zijn impressies van een zeegezicht of van een rij kastanjebomen behoren tot de sterkste teksten van de bundel en zijn al ‘helemaal Proust’.

Het zal duidelijk zijn dat Les Plaisirs et les jours een bundel zeer uiteenlopende teksten is, die ook nog eens ongelijk van kwaliteit zijn. Daarom zijn de meningen erover onder critici nog steeds verdeeld: de één ziet het als een strak gecomponeerd gesamtkunstwerk, de ander als een vrolijke potpourri. Proustkenner Luzius Keller, die ook de Duitse vertaling maakte (de enige vertaling die voorhanden was voordat de huidige Nederlandse verscheen) ziet het als een gesamtkunstwerk geïnspireerd door de totaalkunst van Wagner. Inderdaad komen in het boek alle kunsten bij elkaar: de gedichten en prozateksten van Proust gaan er hand in hand met tekeningen van kunstenares Madeleine Lemaire en met de muziekstukken van Reynaldo Hahn. Volgens Keller (1) is het boek een strak gecomponeerd geheel: de gedichten over grote schilders vormen er het hart van, waaromheen de andere teksten symmetrisch gerangschikt zijn. Leitmotive (het mondaine leven, de kunst, de natuur, de dood…) en de vele titels en motto’s geven er volgens hem eenheid aan. Kortom, Keller vindt dat critici het boek onterecht links hebben laten liggen.

Maar zo die eenheid bestaat, is het een eenheid achteraf. Veel van de teksten in Les Plaisirs et les jours waren al eerder geschreven en gepubliceerd. Dat verklaart wellicht ook dat hier zoveel literaire genres naast elkaar staan: korte verhalen (zoals het genoemde ‘Biecht van een meisje’) maar ook komische zedenschetsen in de vorm van aforismen die aan La Bruyère doen denken, bijvoorbeeld: ‘De eis van de libertijn die maagdelijkheid wil is nog altijd een vorm van het eeuwige eerbetoon dat de liefde aan onschuld bewijst.’ Het boek bevat ook satire en een prachtige pastiche van Flauberts roman Bouvard et Pécuchet. Naast die lichtere genres staan de plechtige portretten van schilders en componisten, gegoten in klassieke alexandrijnen, en iets verderop de prozagedichten: een genre dat eind negentiende eeuw nog een beetje avant-gardistisch was en daarom wonderlijk afsteekt bij de alexandrijnen. Volgens Thierry Laget, die de meest recente Franse uitgave heeft verzorgd, wijst die diversiteit erop dat Les Plaisirs et les jours een serie vingeroefeningen is, een werkplaats waar de jonge schrijver als een pianist etudes speelt. De eclectische inhoudsopgave vergelijkt hij met die van literaire bladen uit het fin de siècle, die al even overladen zijn als de interieurs van die tijd. (2) De stijl van de korte verhalen karakteriseert hij terecht als precieus en soms retorisch, met veel gemeenplaatsen en een teveel aan adjectieven en vergelijkingen. Die van de pastiches vindt hij daarentegen bij vlagen briljant. (3)

Twee Nederlandse vertalingen

Gezien die tegengestelde visies is het geen wonder dat Les Plaisirs et les jours geen veelgelezen boek is. De eerste editie verkocht slecht, en werd pas herdrukt kort na Prousts dood. Ook latere herdrukken bevatten alleen de teksten maar niet de tekeningen en de partituur van Reynaldo Hahn, tot er vorig jaar ter ere van het centenaire van Prousts overlijden een luxe editie verscheen die wel compleet is. (4) Het is dan ook bijzonder dat in Nederland drie vertalers de handen ineen hebben geslagen en zich aan een uitgave hebben gewaagd, met alles erop en eraan. (5) Deze hardcovereditie van Uitgeverij IJzer bevat niet alleen de teksten, illustraties en partituren maar ook een cd waarop de gedichten worden voorgedragen en de pianostukken ten gehore gebracht. Deze Nederlandse vertaling is dus nog meer een gesamtkunstwerk dan de oorspronkelijke Franse uitgave! De ambitie van deze vertaling is duidelijk: het gaat erom het boek uit 1896 te restitueren zoals het was, als een typisch fin de siècle-werk. Net als toen is de uitgave luxueus, de oplage beperkt.

De twee vertalingen getuigen van verschillende visies op het boek. Ze hebben andere doelstellingen, die elkaar mooi aanvullen maar uiteraard ook leiden tot een andere stijl van vertalen.

Tegelijkertijd is er in 2022 ook een andere vertaling verschenen van een aantal teksten uit Les Plaisirs et les jours, van de hand van Kiki Coumans. Het gaat om een eigen keuze uit de dertig prozagedichten, waarvan zij ruim de helft vertaald heeft. Dit gedeelte draagt in het Frans de titel ‘Les Regrets: rêveries couleur du temps’, wat in de editie van Uitgeverij IJzer vertaald is als ‘Weemoedig omzien. Tijdgekleurde verzinsels’. Coumans geeft haar bundel echter een geheel eigen titel mee: Zeewind op het platteland: rêverieën. Daaruit blijkt haar vrije omgang met het origineel: de titel van een van de prozagedichten, ‘Zeewind op het platteland’, combineert ze met de genre-aanduiding uit de ondertitel van dit deel. Deze aanpak maakt duidelijk dat Coumans de teksten los heeft willen weken uit de soms wat larmoyante sfeer. Haar keuze licht zij toe in een heldere en rake inleiding: ‘iets meer dan de helft van deze dertig rêverieën zijn daadwerkelijk prozagedichten: compacte, poëtische teksten waarin de beeldende kracht van Proust het duidelijkst zichtbaar is’. Zij heeft ‘de mooiste prozagedichten los [willen] snijden van de meer verhalende teksten’ om er een nieuw, ‘samenhangend geheel’ van te maken. Hiermee wil zij laten zien hoe bepaalde kenmerken van Prousts schrijven – zijn gebruik van metaforen om zijn impressies te schilderen, de ritmische eigenschappen van zijn zinnen en de klankeffecten – reeds aanwezig zijn in deze vroege teksten. Het wegvallen van de context van Les Plaisirs et les jours wordt ruimschoots goed gemaakt door de mooie inleiding, maar het is een beetje jammer dat een inhoudsopgave ontbreekt, terwijl die in het Franse origineel zo’n prominente rol speelt.

Twee stijlen van vertalen

De twee vertalingen getuigen dus van verschillende visies op het boek. Ze hebben andere doelstellingen, die elkaar mooi aanvullen maar uiteraard ook leiden tot een andere stijl van vertalen. Voor Volger, Hartsuiker en Gellings is het zaak om de fin de siècle-stijl in al zijn gedragenheid in het Nederlands voelbaar te maken. Coumans, daarentegen, heeft gekozen voor een modernere, soberder stijl, die past bij haar keuze voor de modernistische prozagedichten. Ik wil dat kort illustreren door enkele aspecten te vergelijken van hun vertaling van het prozagedicht ‘Vent de mer à la campagne’, dat door Coumans als titelgedicht is gekozen. De titel vertalen Hartsuiker en Coumans verschillend: ‘Zeewind op het platteland’ (KC); ‘Zeewind te velde’ (TV & HH). Een eenvoudige uitdrukking als ‘à la campagne’ blijkt lastig te vertalen: ‘te velde’ is wat misplaatst want een legerterm (het leger te velde, te water en in de lucht). ‘Platteland’ is ook niet ideaal als men denkt aan de heuvelachtige Champagne die in het gedicht genoemd wordt, al doet het wel de tegenstelling tussen zee en land uitkomen waar het in dit gedicht om gaat.

Volger en Hartsuiker kiezen ervoor om zo dicht mogelijk bij de fin de siècle-stijl van de Franse tekst te blijven. Coumans heeft daarentegen de minst fin de siècle-teksten geselecteerd en het is daarom niet verwonderlijk dat zij voor een modernere stijl van vertalen heeft gekozen.

Ook de woordkeuze van beide vertalingen is nogal verschillend. Laten we eens kijken naar de termen uit de eerste zin: ‘Au jardin, dans le petit bois, à travers la campagne, le vent met une ardeur folle et inutile à disperser les rafales du soleil, à les pourchasser en agitant furieusement les branches du taillis où elles s’étaient d’abord abattues, jusqu’au fourré étincelant où elles frémissent maintenant, toutes palpitantes.’ (6) Bij Volger en Hartsuiker ‘gaat de wind doldriest tekeer (…) de takken geselend van het kreupelhout’, terwijl bij Coumans de wind ‘met een bezeten en zinloze onstuimigheid’ waait, door ‘als een razende te schudden aan de takken van het kreupelhout’. De eerste vertaling kiest voor het sterke maar vrij literaire ‘doldriest’ en doet er met ‘geselen’ nog een schepje bovenop, want deze beeldspraak zit niet in het Franse woord ‘agiter’. Toch heeft Coumans op andere momenten ook gezocht naar woorden die dicht bij het idioom van Proust staan en heeft daarvoor geput uit de taal van Nederlandse tijdgenoten zoals Herman Gorter en Jan Hendrik Leopold. Een paar zinnen verderop vinden we daar een voorbeeld van, waar het gaat over ‘de wemeling van wind en lucht’ (‘le pêle-mêle de vent et de lumière’). Een term die ook bij Volger en Hartsuiker goed tot zijn recht komt met het woord ‘warreling’. Beide geven het bijna impressionistische landschap goed weer.

Een laatste verschil dat opvalt zijn de aanspreekvormen. In het Franse origineel richt het lyrische ik zich op een gegeven moment tot een ‘vous’ die geen naam krijgt maar wel een vrouwelijke vorm: ‘comme chaque matin, vous étiez venue’. Coumans vertaalt zonder opsmuk: ‘net als iedere ochtend was je gekomen’. Volger en Hartsuiker vertalen dit op gedragen toon, als in een hoofs gedicht: ‘zoals elke ochtend was u gekomen, vrouwe’. Coumans laat het geslacht van de aangesproken persoon in het midden, terwijl de andere vertaling dat door het invoegen van ‘vrouwe’ juist expliciet maakt. Een begrijpelijke keuze, omdat anders de vrouwelijke uitgang in het Frans (‘venue’) onzichtbaar blijft. Maar het valt te betwisten of die toevoeging niet te veel de nadruk legt op iets – laten we het gender noemen – wat de Franse tekst maar heel lichtjes aangeeft, door de vrouwelijke uitgang. Net als eerder Thérèse Cornips in haar vertaling van Prousts hoofdwerk, kiezen Volger en Hartsuiker ervoor om zo dicht mogelijk bij de fin de siècle-stijl van de Franse tekst te blijven. Coumans heeft daarentegen de minst fin de siècle-teksten geselecteerd en het is daarom niet verwonderlijk dat zij voor een modernere stijl van vertalen heeft gekozen. Het verschil tussen deze twee vertalingen bewijst eens te meer dat Prousts werk ‘entre deux siècles’ staat, volgens de uitdrukking van Proustkenner Antoine Compagnon. (7)

Noten

  1. Luzius Keller, lemma over Les Plaisirs et les Jours in het Dictionnaire Marcel Proust, Annick Bouillaguet & Brian G. Rogers eds. (Honoré Champion 2004), p. 771-773.
  2. Thierry Laget, voorwoord van Les Plaisirs et les Jours, op. cit., p. 24.
  3. Ibid., p. 27-28.
  4. Marcel Proust, Les Plaisirs et les Jours (Calmann-Lévy 2022).
  5. Tony Volger en Hans Hartsuiker vertaalden de prozateksten (ook de prozagedichten), Paul Gellings de gedichten.
  6. Les Plaisirs et les jours (Gallimard, coll. Folio), p. 195.
  7. Antoine Compagnon, Proust entre deux siècles (Editions du Seuil, 1989).