Advertentie
ad

Ode aan vertalers: de literaire bruggenbouwers van de Europese ziel

Op 22 mei sprak de Pools-Belgische filosoof en schrijver Alicja Gescinska de vijfde Staat van de Europese Literatuur uit. Gescinska gaat in op de waarde van vertalers, de literaire bruggenbouwers van Europa. Vertalers brengen het verre dichtbij, ze maken het vreemde vertrouwd, en zorgen zo voor meer begrip op het Europese continent, over al onze verschillen heen.

Ik wil niet meteen in een pessimistische klaagzang vervallen. De wereld is al beklagenswaardig genoeg; daar hoeven we niet nog eens een jeremiade over cultureel verval aan toe te voegen. Maar wanneer we de balans opmaken van de toestand van de Europese literatuur, dan is het moeilijk om optimistisch te zijn. Er zijn zoveel alarmsignalen die donkerrood knipperen en aangeven: het gaat niet zo goed met de Europese lezer en de literatuur. 

We zitten in een tijd van algehele ontlezing. Veel uitgeverijen hebben de grootste moeite om het hoofd financieel boven water te houden. Talloze schrijvers komen niet of nauwelijks rond. Mensen lezen almaar minder, wat niet alleen jammer voor hen is, maar een groot probleem voor wie van boeken leeft. In tijden van ontlezing je broodwinning van boeken maken; het is vandaag een even verstandige financiële strategie als begin vorige eeuw investeren in een paardenkarrenbedrijf net op het moment dat de automobiel op het punt staat om de wereld te veroveren. 

Het boek kan in onze vrije uren de strijd niet winnen van andere bronnen van ontspanning en entertainment, tegen al die schermen die ons voortdurend afleiden en om onze aandacht vragen. En er is een probleem met ons aandachtsvermogen zelf. Volgens sommigen zitten we midden in een ‘aandachtscrisis’: de concentratieboog verkleint in een wereld vol afleiding en divertissement. En zonder aandacht kun je geen boeken lezen, laat staan ze schrijven – of toch niet op een behoorlijke manier. 

Er is ook de achteruitgang in de lees- en schrijfvaardigheid, in het begrijpend lezen, waarover onderwijsexperts om de paar maanden de alarmbel luiden.

Er is de alomtegenwoordigheid van het Engels als lingua franca, die leidt tot een vernauwing van ons blikveld en onze culturele kennis. Het Engels is een culturele woekerplant: het is op zich een mooie plant, zeker, maar uiteindelijk dreigt het gevaar van saaie monocultuur. Of het nu gaat over popmuziek, literatuur, academisch werk: derderangswerk en derderangsfiguren in de Engelse taal veroveren de hele wereld, terwijl grootmeesters uit kleinere talen en culturen niet of nauwelijks bekend zijn. De verengelsing van onze leefwereld leidt tot een verenging van onze geest. 

Zulke diagnoses zijn al meermaals gesteld, en dat is nodig en waardevol op zich. Maar van diagnostes alleen geneest niets of niemand; daarvoor zijn remedies nodig. Het lijkt me nu dan ook nuttiger en eveneens aangenamer om te reflecteren op positievere aspecten van de hedendaagse literatuur en leescultuur, op mogelijke oplossingen voor de bovenvermelde kwalen. Ik geloof niet dat het boek ooit voltooid verleden tijd zal zijn. Ik geloof niet dat het geschreven woord weldra uitgeschreven is. Ik geloof niet dat de literatuur op sterven na dood is. En zelfs al mocht dat zo zijn: dan verkies ik de eulogie boven de elegie. 

De mens is een verhalend wezen; via verhalen scheppen we onszelf en onze wereld. Ik ben er ten diepste van overtuigd dat literatuur altijd een primaire bron van zulke verhalen zal zijn, zelfs wanneer de ontlezing en onze aandachtscrisis zich verder voortzetten. De mens heeft een intrinsieke nood aan verhalen om zowel zichzelf als de ander te kunnen begrijpen. De Europese mens schept zijn eigen identiteit via de Europese literatuur.

Maar wat is dat precies: de ‘Europese literatuur’? Bestaat er zoiets als de ‘Europese roman’? Speelt een Europese roman zich af op ‘het oude continent’, of moet die geschreven zijn door iemand die daar geboren en getogen is? Wie zijn de grote Europese auteurs van vroeger en nu? Ik merk dat ik dat soort vragen vertik te beantwoorden. Want wanneer ik denk aan de Europese literatuur, is mijn eerstvolgende gedachte niet de grote schrijver, maar de grootse vertaler die daar steevast achter staat.

Die vertaler wil ik hier in het voetlicht plaatsen, want wat de Europese literatuur of roman precies betekenen, weet ik niet. Wat ik wel weet is dat er nooit sprake van zou hebben kunnen zijn zonder de edele kunst van het vertalen. De vertaler is de al te vaak vergeten held van onze literatuur, onze cultuur en onze identiteit.

Meertaligheid: vensters op de wereld

Europa is een lappendeken van culturen; op een klein oppervlak weerklinkt iedere dag opnieuw een polyfonie van talen. Die polyfonie klinkt soms verwarrend, soms lijkt zij simpelweg onverstaanbaar. Meertaligheid helpt om de harmonie te horen in de meerstemmigheid, en die meertaligheid is uiteraard een eerste wezenskenmerk van elke vertaler. Iedere lofzang op de vertaler impliceert dan ook een lof der meertaligheid.

Hoe meer talen wij ons eigen maken, hoe meer we van de ons omringende wereld begrijpen. Iedere taal is, zoals de verfijnde essayist en polyglot George Steiner ooit stelde, een venster op de wereld. En samen met hem ben ik ervan overtuigd dat hoe meer talen, hoe meer wereld er in ons kan waaien. 

Die polyfonie van talen die Europa kenmerkt, weerklinkt ook iedere dag op kleinere schaal in mijn eigen hoofd. Er gaat zelden een uur voorbij of ik heb niet in drie talen gedacht of gesproken. En ook deze overpeinzingen die ik nu deel, zijn in drie talen tot stand gekomen. Het is een ordelijke chaos in mijn hoofd: Wieża Babel w mojej głowie.

Pools is de taal van mijn hart; het is de taal die mijn ouders met mij spraken en de taal die ik met mijn kinderen spreek. Het is de taal die het eerst in mij opkomt bij de meest intense en de meest tedere emoties. Het Nederlands is de taal van mijn ziel; het is de taal waarin ik mijn literaire werk schrijf, en een schrijver legt zijn ziel in zijn werk, dus moet dat ook gebeuren in de taal van zijn ziel. En dan is er nog het Engels, dat is de taal van mijn hoofd, omdat een groot deel van mijn academisch werk en leven zich in die taal voltrekt. Ik ben een reluctant anglophile, ik hou van de Engelse taal, de Engelse cultuur en humor. Ik hou ook van bepaalde aspecten van de VS, waar ik drie jaar heb gewerkt en gewoond. Maar, zoals ik al aangaf: ik maak me zorgen over de wildgroei van het Engels en de versmachtende alomtegenwoordigheid van de angelsaksische cultuur.

Wat ik wel weet is dat van een Europese literatuur nooit sprake zou hebben kunnen zijn zonder de edele kunst van het vertalen. De vertaler is de al te vaak vergeten held van onze literatuur, onze cultuur en onze identiteit.

Natuurlijk bestaat er geen strikte scheidingslijn tussen hart, ziel en hoofd. Elke goede tekst, in welke hoedanigheid dan ook, bestaat uit een kruisbestuiving van deze heilige Drieeenheid van de menselijke creativiteit. Maar creativiteit is een curieus beestje; het laat zich niet verklaren en is niet op commando op te roepen. En zo geschiedde dat, hoewel ik meestal in het Nederlands dicht, de versregels die ik bij aanvang uitsprak zich in het Pools aan mij opdrongen. En toen ik deze versregels vervolgens naar het Nederlands wilde omzetten, zag ik mij geconfronteerd met een onoverkomelijk obstakel en milde ergernis. Wat moest ik aanvangen met het woord język? In het Pools betekent dat zowel taal als tong, maar het is onmogelijk om die beide betekenissen te behouden in een Nederlandse vertaling. Ik wilde simultaan zowel het beeld behouden van een tong die huilt als van een taal in tranen. Maar dat gaat niet in het Nederlands. 

Traduire, c’est trahir, zo luidt het cliché. En zoals alle clichés zit er een grote waarheid in. Er gaat zoveel lost in translation. Maar zoals ook voor alle clichés opgaat: ze belichten slechts een gedeeltelijke waarheid. Want oneindig veel meer wordt met vertalen gewonnen dan dat er verloren gaat. Traduire, c’est enrichir, is evenzeer waar. Iedere vertaling is een verrijking van onze innerlijke leefwereld. En vertalers dragen ook bij aan de pacificatie van de uiterlijke wereld die we delen. 

Pacificatie. Dat woordje zou ik graag wat langer en dieper laten bezinken. 

De Duitse dirigent Kurt Masur stelde ooit: met elke muziekleraar die in een school aangesteld wordt, zijn er twee agenten op straat minder nodig. Hij geloofde sterk in de verbindende en verzachtende kracht van muziek. Naar analogie daarvan zou ik een gelijkaardige stelling naar voren willen schuiven: met elk boek dat vertaald wordt, zijn er twee wapens in de wereld minder nodig. Literatuur kan meer bijdragen tot de wereldvrede dan een proliferatie van kogels, bommen, drones en raketten. Zou er niet meer vrede zijn, mochten we voor elke euro die in defensie geïnvesteerd wordt, ook een euro in boeken en vertalingen investeren? Het mag naïef of frivool klinken, in onze tijden van oorlog. Maar precies in tijden van oorlog, is dat een vraag, een gedachte-oefening, die we niet uit de weg mogen gaan.

Literatuur: oefening in empathie

Wanneer we nadenken over de betekenis van de nobele vertaalkunst, duikt onvermijdelijk ook een bredere vraag en kwestie op: waarom lezen we? Wat is de betekenis van literatuur? Lezen en literatuur zijn om wel meerdere redenen belangrijk, en men kan makkelijk hele rekken vullen met boeken over het belang van boeken. Boeken zijn belangrijk an sich, als soevereine kunstwerken, als dragers van esthetische waarde. Maar ze bezitten ook een afgeleide waarde die voorbij de grenzen van het louter esthetische reikt. 

Boeken zijn van groot belang in de ontwikkeling van onze cognitieve en intellectuele vaardigheden. In de eerste plaats van ons taalvermogen, uiteraard. Taal, gesproken en geschreven, is waarschijnlijk het meest fundamentele aspect van onze menselijke soort. Taal is de motor van ons denken, de zetel van ons bewustzijn. Via boeken ontwikkelen we onze talige vaardigheden en aldus de essentie van ons zijn. Andere cognitieve vaardigheden die we ontwikkelen met lezen en literatuur, zijn ons concentratievermogen en onze eigen verbeeldingskracht. Hoe vroeger we daarmee beginnen, hoe beter, wat trouwens de reden is waarom kinderliteratuur zo ontzettend belangrijk is. Maar dat is een andere kwestie en een punt dat elders gemaakt kan worden. Wat er hier toe doet, is dit: alle creativiteit is de vrucht van concentratie en verbeelding. Lezen is een oefening in beide, en dus van de allergrootste betekenis. Mochten we in staat zijn om meer mensen te overtuigen van deze gewichtige waarheid, dan zou literatuur misschien weer een grotere rol in ons onderwijssysteem, in ons privéleven en in onze samenleving gaan spelen.

En er is meer: lezen versterkt niet alleen onze geest. Er is een ander domein waarin lezen tot groei leidt: ons hart. Ik heb het hier over de psychologische meerwaarde van lezen. Literatuur heeft een bepalende invloed op de ontwikkeling van onze interpersoonlijke en psychologische vaardigheden. Filosofen, schrijvers en literatuurliefhebbers weten dit al sinds mensenheugenis, maar nu bestaat er ook steeds meer wetenschappelijk bewijs om de these te onderbouwen: het lezen van goed geschreven boeken met een bepaalde sociologische en psychologische diepgang bevordert onze empathische vaardigheden ten aanzien van onze medemens. Literatuur bevordert ons vermogen om mee te voelen met het lijden van anderen. Boeken versterken ons begrip van en voor van anderen.

Het centrale woord is hier: empathie. Lezen is een oefening in empathie. Empathie is niet louter een kwestie van kennisneming, en evenmin is het een louter emotionele reactie op wat er in het leven van een ander gebeurt. Empathie is een kwestie van betrokken zijn bij de denkwerelden en levens van anderen. Empathie is de kwaliteit die het mogelijk maakt om ons leven ten volle te leven: niet naast de ander, al zeker niet ten koste van de ander, maar samen met de ander.

En hier komt de immense waarde van vertalingen tevoorschijn, want vertalingen openen onze harten en hoofden voor een wereld voorbij de onze. Zij zijn de conditio sine qua non van ons vermogen tot medemenselijkheid over de grenzen van talen en culturen heen. Ze openen niet enkel onze hoofden, maar ook onze harten. Dankzij vertalers kunnen we meeleven met een wereld en mensen veraf, en zijn we in staat om een ‘ex-centrisch perspectief’ in te nemen, als ik even de terminologie van Olga Tokarczuk mag lenen.

Tokarczuk, die met recht en reden een van de meest Europese van de hedendaagse Europese schrijvers genoemd kan worden – in haar toon en thematiek, in haar bewoording en bezieling – heeft meermaals benadrukt hoe belangrijk vertalers zijn. Toen ze de Nobelprijs kreeg, stond ze erop dat haar vertalers mee in de eer zouden delen. Ze zouden meer erkenning moeten genieten, niet enkel omdat ze haar werk voorbij de grenzen van de Poolse taal begrijpelijk maakten, maar ook omdat ze haar eigen schrijfwerk simpelweg beter maakten. Sindsdien heeft Tokarczuk het geld van haar Nobelprijs gebruikt om vertalers te ondersteunen, en de voorbije jaren schreef zij inzichtelijk over de eigenaardigheden van het eentalig zijn, over de Poolse taal, over multiculturalisme als de essentie van de Poolse en Europese geschiedenis, en over het belang van vertalers. 

In een essay benadrukte ze ooit dat we zonder vertalers anderen niet zouden kunnen kennen, en onszelf evenmin, en dat we zonder hen niet zouden kunnen samenwerken met elkaar. Vertalers helpen ons om onze egocentricisme te overstijgen en nodigen ons uit om een ex-centrisch standpunt in te nemen: we kunnen naar de wereld kijken via het perspectief van de ander, en precies hierin ligt de pacificerende kracht van literatuur en vertalen. Ze vergroten ons begrip van elkaar, en hoe beter we elkaar begrijpen, hoe kleiner de kans dat we elkaar zullen ruïneren. Vertalers tonen ons dat we zoveel meer zijn dan de Hobbesiaanse homo homini lupus.

De mens is een wolf voor zijn medemens.

Bruggenbouwers van Europa

De mens is in staat, zo leren zowel de geschiedenis als het heden ons op pijnlijke wijze, om de ander te verdingelijken en te verdierlijken, om de ander te verontmenselijken. Het ergste kwaad begint wanneer we in een ander geen mens meer zien. Maar tegelijk zijn wij in staat om elkaar te vermenselijken, om de dehumaniserende krachten in de wereld te bestrijden, om elkaar te humaniseren.

De mens is voortdurend speelbal van humaniserende en dehumaniserende krachten. Precies hierin schuilt de rol die kunst in het algemeen, de literatuur in het bijzonder, en vertalers bij uitstek, spelen.

De mens is voortdurend speelbal van humaniserende en dehumaniserende krachten. Precies hierin schuilt de rol die kunst in het algemeen, de literatuur in het bijzonder, en vertalers bij uitstek, spelen. Zij vormen een humaniserend bolwerk tegen de verontmenselijking en de existentiële vervreemding. Dankzij de literatuur en het werk van literaire vertalers kunnen we ons inleven in, en verbonden voelen met, mensen in heel andere leefwerelden. Vertalers maken het verre dichtbij, het vreemde vertrouwd. En pas zo kan er sprake zijn van een Europese identiteit, een Europese cultuur, een Europese literatuur. We maken ons eigen wat vreemd is, en zien onszelf in de ander en de ander in onszelf weerspiegeld. 

Enkele jaren terug werd mij voor een essaybundel gevraagd om over de Europese ziel te schrijven. Europa eine Seele Geben, heette die bundel, en dat was dus ook de centrale vraag: hoe beziel je Europa? Dit werd aan verschillende kunstenaars, schrijvers en academici voorgelegd. Gyorgy Konrad schreef een stuk over de noodzaak van meertaligheid en een ode aan het leren van talen: “Der lernende Mensch ist Europas Wappen”, aldus de grote Hongaarse – of zou ik zeggen, Europese? – schrijver. De Duitse regisseur Wim Wenders schreef dan weer vanuit zijn eigen achtergrond als filmmaker een poëtische lofzang op de Europese cinematografie. Niet in de ‘lernende Mensch’, maar in de film zit Europa’s wezen, en Europa’s krachtigste wapen. Volgens Wenders zijn niet woorden, maar ‘Bilder die mächtgiste Waffe’ om te waken over onze gedeelde Europese identiteit en cultuur.

Wat film met literatuur gemeen heeft, is dat zij beide vehikels van verhalen bij uitstek zijn. Van Konrads Wappen naar Wenders’ Waffe; het zijn slechts enkele letters verschil, maar er zit een veelzeggende betekenis in verscholen: onze meertalige, nieuwsgierige, lerende, verhalen-vertellende essentie is ons sterkste wapen en de trots van ons wapenschild.  

Gevraagd naar de bezieling en bezielers van Europa had ik het zelf toen, net zoals vandaag, over vertalers. Wat ik in mijn essay toen schreef, lijkt mij dan ook een mooie afsluiter voor deze reflectie.

‘Traduire, c’est construire.’ Übersetzen heißt Brücken zu bauen zwischen Völkern und Kulturen. Wenn man übersetzt, dann übersetzt man nicht nur Worte. Man übersetzt Welten. Dank der Arbeit von Autoren und übersetzern eröffnet sich dem Leser eine neue Welt.

Vertalers zijn de bruggenbouwers en bezielers van Europa, ze verbinden ons met elkaar over al onze verschillen heen. Meertaligheid moeten we inderdaad cultiveren, maar er zijn altijd meer talen en culturen dan we ons eigen kunnen maken. En precies daarom zijn vertalers van zo’n onschatbare waarde. En precies daarom is er in onze tijd een grote urgentie om hun werk te herwaarderen. 

Vertalen is geen louter literaire bezigheid; het is een humaniserende taak van de grootste morele en maatschappelijke betekenis. Ja, ons continent wordt geteisterd door een bloedige oorlog. Ja, de retoriek van exclusie, van verontmenselijking van de ander en de vreemde, is overal hoorbaar. Ja, er is reden om te klagen over cultureel en moreel verval. Maar, er is ook altijd en overal, ergens, een vertaler die zich in een kleine kamer buigt over de woorden van een ander mens, die zich geroepen voelt om die woorden om te zetten en over te brengen naar andere mensen, vanuit de overtuiging dat er intrinsieke waarde in die arbeid zit. Ik bewonder vertalers: voor hun geduld en toewijding. Zoals een priester geroepen is tot God, zo is een vertaler geroepen tot het geschreven woord. Zo’n roeping vergt altijd een grote mate van zelfopoffering, van dienstbaarheid naar de ander. Niemand wordt rijk van vertalen; vertalen kan alleen bestaan bij gratie van de intrinsieke waardering ervoor. 

Gezien de betekenis van zijn arbeid, is een collectieve herwaardering van de vertaalkunst allerminst frivool of naïef, en dus herneem ik nogmaals de vraag van daarnet: zou er niet meer vrede zijn, mochten we voor elke euro die in defensie geïnvesteerd wordt, ook een euro in boeken en vertalingen investeren? Der übersetzende Mensch ist Europas Wappen und Waffe. // Teraz rozumiesz dlaczego piszę.