Auke Hulst over verval in Amerika
🖋 Auke Hulst


Wie leeft tussen de overblijfselen van een beter verleden, gelooft graag een charlatan die een terugkeer naar datzelfde verleden belooft.

Essay uit DBNg 2016#5, door Auke Hulst
Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement!


  • Matthew Christopher, Abandoned America: Dismantling The Dream, Carpet Bombing Culture 2016, 24 blz.
  • Jordy Meow, Abandoned Japan, JonGlez Publishing 2015, 256 blz.
  • Matthew Christopher, Abandoned America: The Age of Consequence, JonGlez Publishing 2014, 240 blz.

christopher-1 meow christopher-2

AL HET MENSELIJKE ZAL OOIT GESCHIEDENIS ZIJN

1

Aan de rand van Salem, Oregon, ligt een uitgestrekt terrein waar de natuur zich heeft ontfermd over ziekenhuisgebouwen, een roestige watertoren en de bakstenen schoorsteen van de warmtedistributie. Vanaf de weg – Reed Road of Stagecoach Way – kun je er een glimp van opvangen, maar het is verboden dichterbij te komen. Wat ik dus wil. Ik parkeer mijn auto langs een toegangsweggetje dat is afgezet met blokkades en vors de omgeving – het is bijna veertig graden in de zon, en er is geen mens te bekennen. Toch ben ik nerveus, of misschien juist daarom. Verre stadsgeluiden komen nauwelijks uit boven de castagnetten van cicaden, en in de berm zijn borden aan palen gespijkerd: NO TRESPASSING, PRIVATE PROPERTY.

Dit is Fairview Training Center, een psychiatrisch ziekenhuis dat in 1907 werd geopend als het State Institution for the Feeble-Minded. Wat begon met 39 patiënten die waren overgeplaatst uit een nabij gesticht, groeide uit tot een instelling waar 1300 patiënten behandeld werden. En vaak ook: mishandeld. Ze werden afgeranseld met aanzetriem en bullwhip en nog tot diep in de jaren zeventig gedwongen tot sterilisatie, castratie of hysterectomie. Om de bewoners in toom te houden werden extreme doseringen kalmeringsmiddelen en psychotropica toegediend. Voor al die misstanden bood gouverneur John Kitzhaber in 2002 officieel excuses aan, twee jaar nadat Fairview eindelijk was gesloten. Het gerucht gaat dat het in de ruïnes nog altijd spookt.

Ik klik de auto op slot en snel schielijk een heuveltje over, eerst via een verhard wandelpad, dan over een indianenpaadje. Een kousenbandslang ritselt in het gras, knaagdiertjes schieten weg, de halmen reiken tot aan mijn middel. Rond de gebouwen zelf rukken de doornstruiken op. Ik herinner me dat we in het bos waar ik opgroeide ook zo’n struik hadden – hij was zo groot geworden dat we er gangen in konden uithakken met onze zakmessen. Die herinnering baart direct een tweede: aan een van de eerste boeken die ik met vreugde verslond: Harry Harrisons Doodstrijd op Pyrrus (1960), over een planeet waar moorddadige vegetatie zich verzette tegen onwelkome bezoekers – struiken sterker dan tanks braken door de muren van de mensenstad. Ik las erover in badwater met een subtiele geur van roest, in een ruimte zonder ramen. In mijn hoofd houden al die dingen verband. Vroeger. Nu. Straks.

2

Toen de Nazi’s in 1934 onder toezicht van Albert Speer begonnen aan de aanleg van de Reichparteitaggelände in Neurenberg, moest er eerst het nodige worden afgebroken. Zo stond op de voorgenomen plek van het Zeppelinfeld – het latere decor van massabijeenkomsten – een tramremise. Kort nadat die remise was opgeblazen, liep Speer langs de puinhopen, geschokt. ‘De ijzeren versterkingen staken uit het puin en waren al beginnen te roesten,’ schreef hij in zijn Erinnerungen (1969). Moderne bouw, meende Speer, was ongeschikt om te laten vervallen – de heroïsche uitstraling die Hitler nastreefde zou enkel langdurig gegarandeerd zijn als er in materiaalkeuze en constructie al rekening zou worden gehouden met de latere ruïne. Daarmee sloot Speer aan bij het adagium van John Ruskin: ‘Als we bouwen, dan voor de eeuwigheid.’ Om zijn Ruinenwerttheorie te visualiseren liet Speer een romantische tekening maken waarin de geplande bouwwerken op het Zeppelinfeld ‘overgroeid waren met klimop, de pilaren omgetuimeld, de muren hier en daar afgebrokkeld, de contouren nog steeds zichtbaar.’ Bij het leggen van de eerste steen verklaarde Hitler: ‘Als onze Beweging ooit het zwijgen wordt opgelegd, zal zelfs na duizenden jaren deze getuige spreken. Te midden van een heilige gaard van oude eiken zullen de mensen van die tijd in gewijde verbazing de eerste gigant onder de gebouwen van het Derde Rijk bewonderen.’

Dergelijke Ruinenlust associeer ik vooral met de Romantiek, waaraan het nationaalsocialisme in meerdere opzichten schatplichtig is. Romantici voelden zich tot de overblijfselen van oudheid en middeleeuwen aangetrokken vanwege de symboliek en het vermogen het sublieme op te roepen. Caspar David Friedrich, die opgroeide nabij de ruïnes van het klooster Eldena, probeerde dat sublieme in schilderijen te vangen. Of wat te denken van de imitatie-ruïnes die in de 18e en 19e eeuw tuinlandschappen opleukten? Maar zoals de Australische architectuurcriticus Naomi Stead opmerkt, geeft de pittoreske schoonheid van oude ruïnes weinig inzicht in geschiedenis. Integendeel, er wordt een mythische, valse historie opgeroepen, die als instrument wordt ingezet. De toeschouwer kan waarden, symbolen of zelfs een nationaal idee op de ruïne projecteren omdat de oorsprong ervan toch in mistige verten ligt.

De moderne ruïne van de tramremise voldeed in dat opzicht allerminst. Ze was in Speers beleving een esthetisch én moreel affront. Want wat is er subliem of heroïsch aan gruis en roest? Aan elementen die zo duidelijk van hun eigen tijd zijn? Ook daarom moeten moderne ruïnes vroeg of laat – bij voorkeur vroeg – plaatsmaken voor nieuwbouw, zeker daar waar grond schaars is, zoals in Nederland. Het zijn tijdelijke ruïnes, die voortdurend aan verandering onderhevig zijn in de vroege fase van het verval. De verf bladdert, het koperdraad en andere bruikbare materialen worden geplunderd, het metaal roest, het glas gaat aan diggelen, weer en wind krijgen vrij spel en ruimtes worden door hangjeugd met graffiti territoriaal afgebakend. Zulke ruïnes zijn dood én levend, artificieel én natuurlijk, en bovenal: verklikkers van een nabije geschiedenis die vaak nog gaande is. Ze verhalen van de-industrialisatie, desinvestering en demografische aardverschuivingen, of van misstanden die iedereen het liefst zou willen vergeten. Verhalen die ons ego niet oppompen, maar die ons werkelijk iets over onszelf en onze wereld vertellen. Dat maakt ze, in mijn ogen, veel interessanter.

3

Altijd weer verbaas ik me over de kracht van de natuur. In anderhalf decennium, een kosmische oogwenk, is de begroeiing tot ín de gebouwen van Fairview opgerukt. In een diep gelegen luchtplaats is de betonvloer nauwelijks nog zichtbaar onder mos en onkruid; doornstruiken hangen over de balustrade en bedekken deels pijnlijk vrolijke muurschilderingen rond de thema’s sport en spel (een skater, een basketballer een jockey te paard) en dierenwereld (een orka, een olifant, een beer, een gans). Ik zou me naar beneden kunnen laten zakken, maar zie geen mogelijkheid weer boven te komen. Dus zoek ik een andere ingang. Ik tuur naar binnen bij een grote ruimte waar, zo stel ik me voor, groepstherapie werd gegeven. De tegelvloer ziet fluorgroen, wilde bramen breken door de voegen, er ligt een geelgrijs uitgeslagen matras. Erboven een tag en de tekst Have you ever seen a spider? Ook hier: geen toegang.

Vrijwel alle ramen en deuren blijken vakkundig te zijn dichtgetimmerd met sloophout of gebarricadeerd met stortpuin. Dat doet onherroepelijk denken aan de getuigenissen over weerbarstige bewoners die met boeien aan betonblokken werden geketend. Ik haal mijn hand open aan doornen wanneer ik probeer met een stalen buis voldoende onkruid weg te hakken om bij de takken van een boom te kunnen. Ik hijs me naar een balkon, enkel om te ontdekken dat de deur daar is afgedekt met een tweede deur, die overdwars met bouten is vastgezet. Spring dus maar weer naar beneden, mijn vingers plakkerig van de hars. Misschien is er van het afsluiten zoveel werk gemaakt om vandalen buiten te houden, misschien wil men de beschamende geschiedenis verbergen. Maar hoogstwaarschijnlijk is het vanwege asbest. Aan de achterzijde van het hoofdgebouw is in elk geval een soort luchtdichte tent opgetrokken door een bedrijf gespecialiseerd in asbestverwijdering.

4

Een bouwwerk zegt iets over de cultuur die het heeft opgericht, maar de wijze waarop diezelfde cultuur weer afscheid neemt, zegt evengoed iets. Zijn louter economische factoren leidend? Of ziet de maatschappij mogelijkheden om een alternatieve bestemming te vinden voor het in onbruik geraakte gebouw, zoals dat bij de Westergasfabriek in Amsterdam of de DRU Fabriek in de Achterhoek gebeurd is? In Amerika is het antwoord duidelijk. Lokale overheden zijn arm, en overheidsbemoeienis staat in een kwade reuk. Bovendien is ruimte er minder schaars, waardoor een locatie gerust vergeten kan worden, gereduceerd tot terra nullius. Of een ruïne een lang- of kortdurend nabestaan is beschoren, hangt af van de investeringsbereidheid van private partijen, die in menig regio gering is. De kaalslag in het achterland – deels het gevolg van handelsverdragen – heeft sinds begin jaren tachtig de kolen- en staalindustrie uitgehold, en een landschap van verlaten fabrieken, scholen en huizen gecreëerd. In de Rust Belt, waar de verliezers zijn achtergebleven met hypotheken die onder water staan en nutteloos geworden vaardigheden, heeft Donald Trump verhoudingsgewijs veel aanhang. Wie leeft tussen de overblijfselen van een beter verleden, gelooft graag een charlatan die een terugkeer naar datzelfde verleden belooft.

Hét iconische voorbeeld van desinvestering, outsourcing, globalisering en White Flight is Detroit. Motor Town telde in 1950 bijna twee miljoen inwoners, en is inmiddels gekrompen tot een derde daarvan. Ik vermoed dat de opkomst van een hobby als urban exploration grofweg samenvalt met de teloorgang van die stad en de opkomst van Internet. Detroit is ’s werelds rijkste bron van ruïneporno, internet is het ideale middel die porno te verspreiden onder een gemeenschap van hedendaagse ontdekkingsreizigers.

De bekendste ‘urban explorer’ is fotograaf Matthew Christopher. Christopher houdt al jaren een website bij – abandonedamerica.us – en maakte fotoboeken met vervallen fabrieken, leegstaande filmtheaters en verlaten ziekenhuizen. Zijn Abandoned America: the Age of Consequence (2014) is een hoogtepunt in het genre, net als zijn nieuwste publicatie Abandoned America: Dismantling the Dream (2016). Maar wie denkt dat urban exploration een louter Amerikaanse aangelegenheid is, vergist zich. Zelfs in Europa, waar een bouwval sneller zal worden opgeruimd of een nieuwe bestemming zal krijgen, valt veel te ontdekken.

Dan Japan, waar bevolkingskrimp en langdurige stagnatie heeft geleid tot de-industrialisatie, leeglopende stadjes en – een specifiek subgenre – failliete pretparken. Beoefenaars van haikyo, zoals Japanners het noemen, kiezen vooral zulke locaties uit, want je verlekkeren aan grotere rampspoed – tsunami-gebied, bijvoorbeeld – wordt niet kies geacht. Meer dan elders opereren nieuwsgierigen in Japan volgens het adagium ‘neem enkel foto’s mee, laat enkel voetstappen achter’, waardoor de ruïnes in verbazingwekkend goede conditie verkeren en nog altijd vol staan met de tekenen van een vroeger leven: boeken, speelgoed, keukengerei, meubels. Zo leggen urban exploration en haikyo, bewust of onbewust, een beeldgoudmijn aan voor toekomstige historici.

Onze natuurlijke aanvechting is verval als verlies te zien – verlies van schoonheid, van functie, van nut. De inmiddels ter ziele gegane Engelse Civic Trust, die zich ten doel had gesteld de kwaliteit van nieuwe en historische gebouwen te verbeteren, echode in dat kader Speer door te stellen dat ‘verwaarloosd land niet alleen deprimerend oogt, maar ook uitnodigt tot illegaal dumpen, graffiti en illegaal aanplakken, hetgeen de omgeving verder “verlelijkt”’ (een term die overigens de taal verlelijkt). Maar een ruïne biedt juist de mogelijkheid nieuwe schoonheid te zien, en emoties en gedachten te ervaren die los staan van de oorspronkelijke functie van het gebouw, dat daarmee alsnog nuttig wordt, zoals een autonoom kunstwerk dat is. Ik hou van de abstracte, Jackson Pollock-achtige schoonheid van roest en houtrot, en van het suggestieve van mededelingen gevonden op rondslingerend papier.

Tim Edensor, lector aan de Manchester Metropolitan University, zegt er in zijn boek Industrial Ruins het volgende over: ‘Nu de originele functie van geruïneerde gebouwen voorbij is, zijn er onbegrensde mogelijkheden ontstaan voor ontmoetingen met het vreemde, met ondoorgrondelijke mythen opgetekend op prikborden, en met eigenaardige objecten en vreemde ruimtes die een fantasierijke interpretatie toestaan, niet geremd door de aannames die van toepassing zijn op hoogst gecodeerde, gereguleerde ruimte.’ Naomi Stead haalt filosoof Walter Benjamin aan, die moderne ruïnes waardeerde om de tragiek van hun specifieke, individuele veranderlijkheid, die haaks staat op het algemene, symbolische en tijdloze van ruïnes uit de Oudheid. Een verhalende kwaliteit die veel rijker is dan de symbolische.

5

Nog voor ik ooit van urban exploration had gehoord, beoefende ik het. Langs het spoor in Hoogezand-Sappemeer, waar ik naar de middelbare school ging, stond een in onbruik geraakte machinefabriek, mogelijk collateral damage van de faillisementen in de scheepsbouw langs het Winschoterdiep. Je kon er komen door het spoor te volgen en je door dichte begroeiing te wurmen. De moloch – bakstenen muren doorschoten met weerlicht van breuklijnen, loden lijst rond gebarsten ruiten, onkruid dat uit de voegen barstte – kon worden betreden via een houten schuifdeur. Erachter lag een lege hal waar wat zwerfkatten woonden. De gedachte die me daar bekroop, herinner ik me nog goed: ‘Dit is hoe de wereld zal zijn na de bom, mooi van lelijkheid, akelig maar sereen.’

Een ruïne is een tijdmachine die, zoals het een goeie tijdmachine betaamt, tweerichtingsverkeer toelaat. Je stapt het verleden in, maar krijgt ook een doorkijkje naar de toekomst, waarin alles teloor zal gaan. Zeker bij moderne ruïnes is de eerste associatie die met de post-apocalyps, al geldt dat misschien vooral voor diegenen die zijn opgegroeid met Tsjernobyl en de dreiging van de neutronenbom.

Een paar dagen voor ik Fairview bereikte, had ik een andere object in het vizier gehad: de Satsop Nuclear Power Plant in Washington State. Een curieus soort ruïne, omdat het de resten betreft van gebouwen die nooit voltooid zijn. In 1977 startte de Washington Public Power Supply System met de constructie van WNP-3 en WNP-5, zoals de reactoren officieel heetten, maar na overschrijdingen van het budget en een mislukte poging bijna een miljard dollar op te halen via de uitgifte van obligaties, werd de bouw stilgelegd. Nu verheffen zich uit bosrijk gebied twee koeltorens die bij nadere bestudering casco’s blijken te zijn. Rond een van de twee, gelegen naast een parkeerterrein dat weer bos probeert te worden, bleek een hek te zijn opgetrokken dat de afbakening vormde van een ‘wildlife mitigation zone’. Hier werd teruggeven aan de natuur wat voorheen de natuur had toebehoord. Erachter lag die omineuze toeter, met rouwranden rond de werkeloze mond, waarop niettemin waarschuwingslichtjes knipoogden naar de luchtvaart. Het beeld was toepasselijk post-apocalyptisch, omdat de apocalyps – zo was ons voorgehouden – nucleair van aard zou zijn. Helaas werd de illusie doorbroken door de metaalklanken van een aanpalend bedrijventerrein en het tuut-tuut-tuut van achteruit inparkerende big rigs. Al vraag ik me nu af waarom het me speet. Waarom ik de illusie koesterde.

In het lege turbinegebouw tussen de koeltorens was zowaar activiteit te bespeuren. Een filmcrew had er een set gebouwd voor een reclamefilmpje dat de regisseur desgevraagd omschreef als een ‘gay gun motorcycle superhero flick’. Het was prima als ik even door het gebouw dwaalde, zei hij, al ging hij er niet over – de producent had de locatie gehuurd van god-wist-wie. Het gevoel in een sciencefiction-film rond te wandelen was sterk: rookmachines puften, in zwart gestoken kerels scheurden rond op motorfietsen en schoten losse flodders af terwijl drones overvlogen voor de beste shots. Niet voor niets wordt in dystopische sf-films – van Blade Runner (1982) tot I Am Legend (2007) – vaak gebruik gemaakt van de beeldtaal van de industriële ruïne. In tegenstelling tot de romantische esthetiek, schrijft Edensor, ‘belichaamt de hedendaagse industriële ruïne modern gothic, deel van een breder sentiment dat voortkomt uit post-industriële nostalgie’.

Nooit waande ik me dichter bij de apocalyps dan in Pripyat, de spookstad bij de kerncentrale Tsjernobyl. Een jongen in camouflagekleding leidde me er rond, twee stralingsmeters in de hand. Op het centrale plein groeiden jonge bomen uit het beton, als om te bewijzen hoe goed de natuur zou gedijen na onze uitroeiing. Mijn gids wees naar de gebouwen. Daar: een van de eerste moderne supermarkten in de Sovjet Unie. En daar: de werkloze botsautootjes en de draaimolen in het pretpark. We hadden maar een paar uur, en de instructies waren strikt: nooit door je hurken gaan, niets aanraken. De meeste radioactieve stof zit in de bodem, en als je er iets van inademt ben je de pineut. ‘Het is veiliger als het geregend heeft,’ zei mijn gids. ‘Als het droog en stoffig is, zit er meer radioactiviteit in de lucht.’

Ik kende de beelden al uit documentaires en foto’s, maar toch greep het me meer aan dan ik verwacht had. ‘Tsjernobyl’ was een beladen klank uit mijn jeugd. Ik was tien jaar oud toen op 26 april 1986 kernreactor 4 ontplofte en een wolk van radioactief stof over Europa dreef. We waren bang voor de wind en we waren bang voor spinazie – die ik gelukkig toch niet bliefde – en die wolk ging een kruisbestuiving aan met de doembeelden die ons jarenlang waren ingeprent. ‘En als de bom valt / Lig ik in mijn nette pak / Diploma’s en mijn checks op zak / Mijn polis en mijn woordenschat / Onder de flatgebouwen van de stad / Naast jou…’ En dan las ik ook nog eens stapels sciencefiction, waar de post-apocalyps een terugkerend thema was. En zou blijven. Van George R. Stewarts Earth Abides (1949) tot Cormac McCarthy’s The Road (2006), en alle ontvolkte aardes daartussen. Toen ik me begon te interesseren voor foto’s van verlaten gebouwen, was de eerste associatie die met de wereld na de onze. Maar een foto is maar een foto. Daadwerkelijk de post-apocalyps bezoeken, is een ander verhaal.

6

‘Welkom in de hel.’

Eindelijk heb ik een gebouw gevonden waar ik naar binnen kan. De gemeenschappelijke eetzaal, naar ik vermoed. Alle ruitjes zijn ingegooid, vieze gordijntjes hangen half naar buiten, de natuur leunt half naar binnen. Muren zijn bedekt met een wandtapijt van graffiti. Waaronder dus dat naargeestige welkomstwoord. Middenin de hal ligt een orgel op de kop: een bizar objet trouvé. Ook dat orgel is volgekliederd. ‘Be young, be dope’, staat erop. En: ‘Fuck you, T-Dog.’ Het advies van een idealistische tagger – ‘paint art, not profanity’ – wordt grotendeels in de wind geslagen. De beeltenis van een felrode duivel staart me uitdagend aan.

Ik merk dat deze ruimte me nerveus maakt. Dat dit gebouw toegankelijk is, schept een nieuwe mogelijkheid: dat er andere mensen zijn. Daklozen. Baldadige jongeren. Een voortvluchtige met een wapen. Een oud-patiënt die het verleden niet los kan laten. Ik schrik op bij elk geluid dat ik hoor, al blijkt het steeds weer een eekhoorn of opvliegend vogeltje te zijn.

Ook ben ik me opeens bewuster van de lugubere geschiedenis van deze plek. Al die mensen die hier leefden en leden… Dat gevoel had ik niet in Satsop. Niet eens in Tsjernobyl. Verklaart dat waarom zoveel urban explorers zich juist in ziekenhuizen en gestichten specialiseren? Uit een soort ramptoerisme? Niet dat ze per se de gruwelijke geschiedenis van Fairview hebben, van One Flew Over The Cuckoo’s Nest. Fotograaf Ian Ference ziet gestichten juist als vredige, mooie plekken. ‘Als er een verhaal is,’ zei hij ooit in een interview, ‘dan niet eentje van gruwelen, maar van mensen die hun best probeerden te doen voor de uitvinding van chloorpromazine, dat kan worden ingezet bij het in toom houden van schizofrenie, bipolaire stoornissen en psychoses. Er zit een evident optimisme in de architectuur, vooral in de psychiatrische instellingen van de 19e eeuw. Wat vooral droevig is, is dat we zoveel ziekenhuizen ontruimd hebben in een tijd waarin mensen weer de maatschappij in werden gestuurd voor ze daar aan toe waren. (…) Het gevolg is dat nu de gevangenissen feitelijk de psychiatrische instellingen zijn geworden.’

Nadat ik nog snel een paar foto’s heb gemaakt, verlaat ik de hal, en neem het pad terug naar waar de auto staat. Er staat er nog eentje, zie ik – twee mannen lopen om de mijne heen en turen ingespannen in de richting van Fairview. Ze zien er niet uit als agenten, maar mogelijk betreft het particuliere beveiligers. Ik verschuil me in bossages tot het tweetal weer instapt en wegrijdt. Zodra de auto uit zicht is, ren ik naar mijn eigen auto, mezelf vervloekend dat ik het risico heb genomen.

Maar natuurlijk heb ik het risico genomen. Mijn hele reis van de Oost- naar de Westkust van de VS staat op een bepaalde manier in het teken van de dood – met een bezoek aan het graf van F. Scott Fitzgerald, de rivier waar Jeff Buckley verdronk, het huis waar Hemingway zelfmoord pleegde –, en is de ruïne daar niet het ultieme symbool voor, een vanitassymbool indringender dan welke schedel ook?

Ruïnes, schrijft Stead, Walter Benjamins Ursprung des deutschen Trauerspiel (1928) aanhalend, hebben unieke waarde ‘als fysieke manifestatie van de vernietigende effecten van de tijd, en daarmee van de geschiedenis zelf. (…) Het individu ziet in het ‘oerlandschap’ van de ruïne een beeld van de eigen dood, de ‘extreemste onderwerping’ aan de natuur. (…) Als zelfs de duurzaamste menselijke creaties, opgetrokken in steen, gedoemd zijn tot verval, dan is het zwakke menselijke vlees dubbel verdoemd.’ En ook fotograaf Matthew Christopher verklaart onomwonden dat het fotograferen van ruïnes ‘in de kern over de dood gaat. Hoewel urban exploration steunt op vele peilers , waaronder kunstkritiek, geschiedschrijving, monumentenzorg en sociologie, is het fundament toch dat het foto’s betreft van verlaten – functioneel dode – ruimten. (…) Een vervallen gebouw is de facto geen lijk, maar in bepaalde opzichten is het net zo significant. Een dood lichaam is verbonden met de mensen die de overledene gekend en geliefd hebben. Op dezelfde manier kan een dode fabriek persoonlijke betekenis hebben voor honderden, zo niet duizenden arbeiders.’ Het fotograferen van dergelijk ruïnes, schrijft hij, moet meer zijn dan een oppervlakkige lamentatie voor een nostalgisch, geïdealiseerd verleden, of het wentelen in een verlies dat door anderen is geleden. Het moet persoonlijk zijn. En dus: een confrontatie met de eigen sterfelijkheid.

Ondanks alles wat Fairview oproept, is het vooral dat wat ik meeneem. Het pijnlijke besef dat alles vergaat. Dat al het menselijke ooit geschiedenis zal zijn.

overige bronnen

  • Tim Edensor, Industrial Ruins: Space, Aesthetics and Materiality, (Berg, 2005).
  • Naomi Stead, ‘The Value of Ruins: Allegories of Destruction in Benjamin and Speer’, Form/Work: An Interdisciplinary Journal of the Built Environment (2003).
  • Cornelis Holtorf, A Theory of Ruin-Value (University of Toronto, 2004).
  • Albert Speer, Erinnerungen (1969).
  • Lauren Davis, ‘Why are we so fascinated by photographs of decaying buildings?’, http://io9.gizmodo.com/why-are-we-so-fascinated-by-photographs-of-decaying-bui-1473075079 (2013).
  • Rodney Harrison en John Schofield, After Modernity: Archeological Approaches to the Contemporary (Oxford University Press, 2010).
  • Asynith Helen Palmer, Re-Constructing the Rust Belt: An Exploration of Industrial Ruin in Blogs, Fiction and Poetry (University of Michigan, 2014).
  • Cormac McCarthy, The Road (Alfred A. Knopf, 2006).
  • George R. Stewart, Earth Abides (Random House, 1949).
  • abandonedamerica.us
  • thatoregonlife.com
  • ‘De Bom’, Doe Maar, tekst en muziek Ernst Jansz (1982).