De persoonlijke herinnering ís geschiedenis: een weerwoord

  • 6
    Shares

Kester Freriks reageert op Remco Rabens zeer kritische bespreking van zijn pamflet Tempo doeloe, een omhelzing: ‘De vele duizenden lezers van de boeken van Haasse, van Rob Nieuwenhuys en zijn fotoboeken over Tempo doeloe, een verzonken wereld 1870-1920 (1981), lezers van F. Springer en Van Dis, maar ook van Alfred Birney en Pramoedya Ananta Toer hebben één ding met elkaar gemeen: ze voelen zich verbonden met Nederlands-Indië. Deze mensen kan niet zomaar verweten worden dat ze onderdeel uitmaken van een door en door kwalijk systeem. Als je, zoals Van Walsum benadrukt, ‘de overzeese geschiedenis uitsluitend een oefening in hedendaags moralisme’ noemt, dan sluit je de ogen voor de betekenis van die geschiedenis voor de mensen die ermee verbonden zijn.’


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *

Kester Freriks, Tempo doeloe, een omhelzing (Athenaeum-Polak & Van Gennep 2018), 111 blz.

Ter inleiding
De herinnering aan de voormalige kolonie Nederlands-Indië staat de laatste tijd zeer in de belangstelling, wellicht meer dan ooit. Daarbij voeren begrippen als slavernij, uitbuiting, racisme en geweld jegens de gekoloniseerden de boventoon. Nu de levende herinnering aan ‘Indië’ naar de achtergrond verdwijnt, wordt onze houding ten aanzien van het koloniale verleden in steeds grotere mate door wetenschappelijk onderzoek bepaald. Onderzoek naar de koloniale oorlogen met hun verschrikkelijke vernietigende krachten van Nederlandse zijde – maar ook van Indonesische zijde, zoals wetenschappelijk verantwoord is.

Mijn belangstelling voor het onderwerp is groot: ik las vrijwel alles wat over het onderwerp te vinden is, van Hella S. Haasse tot Alfred Birney, van Multatuli tot Adriaan van Dis. Ik schreef twee biografieën, een over de Nederlands-Indische schrijfster Maria Dermoût, de tweede over Madelon Székely-Lulofs. Ik interviewde in Jakarta en Yogjakarta Indonesische vrijheidsstrijders van destijds, de pemuda’s, over het gewelddadige Nederlandse ingrijpen tijdens de Indonesische vrijheidsstrijd. Van mijn anti-koloniale gedachten deed ik verslag in Echo’s van Indië. De Indonesische onafhankelijkheid in verhalen en herinneringen (2015).

Mijn begrip voor het Indonesische antikolonialisme ten spijt, begon ik me de laatste tijd zorgen te maken. De begrijpelijke en in veel opzichten terechte nadruk op geweld en racisme deed in mijn overtuiging de balans doorslaan naar een uitsluitend negatieve benadering van de koloniale tijd. Met mijn pamflet Tempo doeloe, een omhelzing, dat in oktober 2018 verscheen, heb ik het zwarte beeld enigszins willen nuanceren. Of, zoals Sander van Walsum terecht opmerkt in de Volkskrant (3 januari 2019): mijn pamflet beoogt geen ‘correctie’ te zijn van dat beeld, maar is bedoeld ‘als aanvulling’, vanuit ‘ de notie … dat Indonesië ook het vaderland is geweest van vele duizenden Nederlanders die in de geest van hun tijd meenden het goede te doen.’

Zoals ik hieronder betoog, is mijn pamflet vooral door wetenschappelijk geschoolde historici op een verbijsterend vooringenomen manier ontvangen, met argumenten die eerder een persoonlijke aanval zijn dan een verantwoorde weerlegging van mijn stellingname. Dat heeft me verbaasd en teleurgesteld in het niveau waarop het debat over de voormalige kolonie gevoerd wordt. De vele duizenden lezers van de boeken van Haasse, van Rob Nieuwenhuys en zijn fotoboeken over Tempo doeloe, een verzonken wereld 1870-1920 (1981), lezers van F. Springer en Van Dis, maar ook van Alfred Birney en Pramoedya Ananta Toer hebben één ding met elkaar gemeen: ze hebben belangstelling voor het land, toen en nu, een land waarmee ze zich verbonden voelen. Deze mensen kan niet zomaar verweten worden dat ze onderdeel uitmaken van een door en door kwalijk systeem. Dat verwijt is onrechtvaardig en bevordert een beter begrip voor de geschiedenis van die tijd in het geheel niet. De talloze Indische Nederlanders en Nederlanders die ik in de loop van de tijd heb gesproken, bezitten ook zonder deze kastijding heus voldoende zelfreflectie en kritiek. Als je, zoals Van Walsum benadrukt, ‘de overzeese geschiedenis uitsluitend een oefening in hedendaags moralisme’ noemt, dan sluit je de ogen voor de betekenis van die geschiedenis voor de mensen die ermee verbonden zijn.

De kritiek
Een hoogleraar koloniale en postkoloniale literatuur- en cultuurgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam die met puur venijn een pleidooi denkt te kunnen winnen. Een docent media en cultuur aan diezelfde universiteit die zo verblind is door zijn eigen gelijk, dat overdrijving en gebrek aan nuancering de overhand nemen. Ik heb het over Remco Raben en Reza Kartosen-Wong. Beiden hebben zich met verbijsterende neerbuigendheid en onwil over mijn pamflet Tempo doeloe, een omhelzing uitgelaten.

Raben schrijft in Nooit meer Indië: de zes denkfouten van Kester Freriks’ pamflet Tempo Doeloe: ‘Freriks is een belabberde pleitbezorger van het koloniale geluksgevoel. Hij schaart zich onder de cultuurpessimisten die grabbelend in het eigen geestelijk zaagsel houvast in de postkoloniale wereld zoeken.’ Elders in zijn kritiek schrijft Raben dat ik ‘stropoppen’ neerzet en heeft hij het kleinerend over ‘de kleine Kester’ en zijn dierbare herinneringen aan Indonesië. Geestelijk zaagsel, stropoppen en sentimentalisme: Raben doet een poging tot literaire polemiek, maar het resultaat is een hoogleraar onwaardig. Zoals ik hieronder zal laten zien diskwalificeert hij zich ermee als historicus en als kenner van de Nederlands-Indische literatuur en cultuur.

Ook Kartosen-Wong vaart in zijn opiniestukken nogal tegen mijn pamflet uit. In reactie op een voorpublicatie schrijft hij in NRC Handelsblad (13 oktober 2018) dat het ‘muffig’ ruikt als ‘de oude jati houten kledingkast’ van mijn ‘lieve Indische oma’. Arme oma, denk ik dan. In een volgend stuk (de Volkskrant, 3 januari 2019) gaat hij zover mijn pleitrede voor een herformulering van het koloniale verleden ‘hysterisch’ te noemen.

Wat ik deze critici nog het meest kwalijk neem, is dat zij zo scherp (ver)oordelen zonder kennis te hebben genomen van de rest van mijn werk, en dus van de plaats van het pamflet daarbinnen. Als zij dat wel hadden gedaan, hadden ze gezien dat in de ruim twintig jaar geleden verschenen bundel Eeuwig Indië een verhaal staat met de titel ‘Nooit meer Indië’. In dat verhaal wordt alle kritiek verwoordt die Raben nu in een gelijkgetitelde kritiek heeft op mijn pamflet.

En dan is er nog mijn boek Echo’s van Indië (2015), met als ondertitel De Indonesische onafhankelijkheid in verhalen en herinneringen. Op 17 augustus van dat jaar is het zeventig jaar geleden dat president Soekarno en zijn rechterhand Mohammed Hatta op de galerij van Soekarno’s huis in het toenmalige Batavia, nu Jakarta, de Indonesische onafhankelijkheid uitriepen, de Proklamasi. Een van de redenen tot het schrijven van dat boek is dat Nederlandse historici bij herhaling stellen dat Soekarno en Hatta ‘eenzijdig’ de onafhankelijkheid van Indonesië verklaarden. Een historische onzinnigheid: vanzelfsprekend was dat eenzijdig, want het Nederlandse bestuur gaf geen enkele toestemming. Echo’s van Indië is dan ook een uiterst kritisch boek over het koloniale verleden, zo kritisch zelfs dat mij werd verweten een ‘zwart beeld te schetsen van de kolonisator’. Het boek gaat over Indonesische vrijheidsstrijders, over de excessen tijdens de politionele acties en de koloniale oorlogen, over uitbuiting, over de halsstarrige onwil van Nederland het gerechtigde vrijheidsverlangen en nationalisme van de Indonesiërs te honoreren. Van Raben en Kartosen-Wong heb ik toen niet vernomen.

De witte stem
De stilte van de ‘kritische’ historici destijds, is des te pijnlijker omdat geen van hen heeft ingezien dat Echo’s van Indië en Tempo doeloe, een omhelzing elkaars spiegelbeeld zijn. De boeken vormen een tweeluik, zelfs tot het omslag aan toe. Raben en Kartosen-Wong hebben er zelfs geen notie van genomen. Het maakt hun kritiek van nu misplaatst en overtrokken.

Als een wetenschapper woorden als ‘belabberd’, ‘geestelijk zaagsel’ en ‘hysterisch’ nodig heeft om zijn kritiek kracht bij te zetten, neemt hij omstandig zijn wetenschappelijke masker af om over te gaan tot kritiek ad hominem. Kartosen-Wong zet persoonlijke herinneringen in om zijn visie te onderbouwen dat er geen breed maatschappelijk debat is over de negatieve kanten van het kolonialisme en doet voorkomen alsof alleen de witte stem overheerst. Ondertussen zijn er volop boeken verschenen die het koloniale verleden kritisch belichten, die waren er al in de negentiende eeuw – zoals Een ereschuld van Conrad Th. van Deventer uit 1899, of mijn eigen Echo’s van Indië dus.

Veel belangwekkender dan de gewraakte witte stem van alles de schuld te geven is een onderzoek naar die witte stem. Over de reeks theatervoorstellingen De Indië Monologen stelt Kartosen-Wong (alweer in het opiniestuk in NRC) dat die overheerst wordt door het witte perspectief. Dat klopt niet. Ook Herman Keppy, Marion Bloem, Astrid Seriese, Reggie Baay, Ernst Jansz en Mei Li Vos treden op. Het is gewoonweg niet waar wat daar geponeerd wordt.

Bovendien: hoe wit is de witte stem uit Indië? Bij het stuk van Kartosen-Wong in de Volkskrant staat een foto afgedrukt van kinderen in Nederlands-Indië die toneelspelen, op Java, ergens tussen 1880-1910. Zijn dat alleen Nederlandse kinderen, wit dus? Nee. Van de zes meisjes die staan afgebeeld, is minstens de helft van Indische afkomst. Kartosen-Wong heeft het telkens over racisme in de voormalige kolonie. Daar heb ik weinig tegenin te brengen, maar zo polemisch en op het scherpst van de snede het gesprek over Indië voeren, kan alleen maar leiden tot nodeloos conflict in plaats van tot wederzijds begrip. De maatschappij van toen was oneindig geschakeerd en gemêleerd, van Indonesisch tot Nederlands-Indisch tot blank. Het witte perspectief daarentegen is een geestverschijning van Kartosen-Wong zelf. Na zijn onjuiste (en voor de betrokkenen kwetsende) kritiek op De Indië Monologen had hij op zijn minst het fatsoen kunnen hebben het gesprek echt aan te gaan en te reageren op de openlijke vragen van regisseur Bo Tarenskeen. Die bleven echter onbeantwoord. Kennelijk gaat het er niet om een gesprek te hebben, maar om op luide toon het eigen gelijk te eisen.

Vijandige lezing
Nu dan is er
Tempo doeloe, een omhelzing.

Bij herhaling schrijft Raben dat ik in het pamflet geen oog heb voor de negatieve kanten van het kolonialisme en dat ik de Indonesische kant onbelicht laat. Kunnen Raben en Kartosen-Wong wel lezen? De kleine honderd bladzijden die het pamflet behelst, staan vol zwarte passages en kritische bladzijden over het koloniale verleden. Ik schrijf over de ruïnes van slavernij en uitbuiting, daarbij geïnspireerd door de indrukwekkende studie Op de ruïnes van het imperialisme: de opstand tegen het Westen en het nieuwe Azië (2013) van de Indiase auteur Pankaj Mishra. Ik citeer er met instemming uit. Ook betoon ik eer aan Multatuli’s Max Havelaar (1860) en de striemende, antikoloniale passages uit Madelon Székely-Lulofs’ Rubber (1936) over de ‘vloek van Indië’. En nog veel meer.

Toch zijn mijn critici ervan overtuigd dat ik de kolonie en het koloniale verleden verheerlijk. Raben noteert: ‘Bovendien is het argument dat het kolonialisme ook iets goeds deed buitengewoon vals. Mao deed ook goede dingen en toch stierven er miljoenen.’ Voor een hooggeleerd historicus is dit, zacht gezegd, een vreemde vergelijking. Mao heeft niets met het kolonialisme te maken, hij was een Chinees partijleider en communistisch dictator. Hem langs deze indirecte weg betrekken in een vergelijking met Nederlandse koloniale bestuurders in de Oost is niet minder dan een ahistorische drogredenering. Raben en Kartosen-Wong weigeren het kolonialisme in de tijd van toen te bekijken en doen geen enkele poging de toenmalige maatstaven bij de analyse van misstanden te betrekken. Voor wetenschappers die het verleden bestuderen is dat opmerkelijk.

De zes denkfouten die Raben mij in reactie op mijn pamflet aanwrijft zijn te herleiden tot slechts één stelling, maar dan eindeloos herhaald en gevarieerd: het koloniale systeem deugt niet en is gebaseerd op uitbuiting. Ik vermoed dat zich hier een zekere obsessie met de term tempo doeloe wreekt. Deze critici kunnen er niets anders in lezen dan nostalgie, heimwee, sentiment, een wit perspectief – en stormen in razernij op die rode lap af.

Tijdens een debat in het Indisch Herinneringscentrum in Den Haag op 25 november vorig jaar met Tempo doeloe, een omhelzing als inzet ging Raben er in zijn inleiding prat op geen enkele persoonlijke band met Indië of Indonesië te hebben. Het zij hem vergeven, maar om vervolgens met zo’n bitse verongelijktheid te spreken over mensen die wel een band met Indië of Indonesië hebben? Zijn nogal simpele en enggeestige uitgangspunt is dat persoonlijke herinneringen geen bijdrage mogen leveren aan de geschiedenis. Misschien moet ik hier ter illustratie Rabens wat warrige tegenwerping aanhalen: ‘Vraagt Freriks zich werkelijk af wat de miljoenen Indonesiërs vonden van het koloniale bestuur? Ja, een elite profiteerde van de koloniale privileges – en wilde toch onafhankelijkheid.’ Dit klopt niet. Die zogenaamde elite die van de privileges profiteerde, wenste geen onafhankelijkheid.

Het is een even ontmoedigende als onmogelijke exercitie uit de argumenten van Raben en Kartosen-Wong een heldere visie te destilleren. Raben betoogt de ene keer dat ik de tijdgeest niet begrijp, elders meent hij dat ik me bedreigd zou voelen door de ‘antikoloniale kritiek’ en dat zou weer ‘tekenend voor de tijd zijn’. Dat is dus de huidige tijd. Die ik dus perfect begrijp, in zijn eigen bewoordingen.

Hoe het debat wél te voeren
Een van de belangrijkste vragen die ik in Tempo doeloe, een omhelzing stel is hoe we om moeten gaan met het koloniale verleden. Hoe lezen we anno 2019 de boeken van Hella S. Haasse en F. Springer? Of die van Alfred Birney of Vincent Mahieu alias Tjalie Robinson? De boeken van al deze schrijvers zijn stuk voor stuk diepgeworteld in het koloniale systeem. Ik voel me geenszins bedreigd door anti-koloniale kritiek. Waarom zou ik? Wel ben ik ervan overtuigd dat als je, zoals Raben al schimpend doet, bij elke zinsnede over het vroegere Indië Mao Zedong en de miljoenen doden erbij haalt, dat je dan heel het verleden zwart maakt, en daarmee ontoegankelijk.

Het is, denk ik, de vraag of het wel zo klip en klaar is wat Raben zoal zegt. Neem nu deze uitsmijter op Twitter: ‘Er schijnt in dit bedreigde universum geen plaats te zijn voor erkenning van het eigen privilege en dus van postkoloniale deemoed. Exit Freriks.’ Eerder liet Raben weten dat de blanke elite welbewust gebruik maakte van haar privileges, wat toch een zekere erkenning lijkt in te houden. En postkoloniale deemoed – wat is dat? Inzien dat alles aan Indië fout was en dat de kolonie niet had mogen bestaan? Over de vraag hoe met die erfenis om te gaan gaat Echo’s van Indië in belangrijke mate, maar Raben en Kartosen-Wong negeren het liever, samen met ongeveer alles wat ik verder heb geschreven over het Indonesische perspectief op de koloniale geschiedenis. Dat heet dus een debat voeren op universitair niveau. Dit is geen wetenschap, maar misleiding.

Wat Raben en Kartosen-Wong en ook andere felle tegenstanders van mijn pamflet bewerkstelligen, is een zeer enggeestige polarisatie van het denken over het koloniale verleden. Serieuze kritiek kan ik aanvaarden, maar de vileine en kleinerende toon van hun argumentatie dient geen ander doel dan te grieven en te provoceren. Het is een toon die niet alleen ik zeer betreur, maar velen met mij. Ik ontving honderden brieven en reacties over mijn boek van mensen die het ‘een verademing’ vinden. Nog één keer Raben: hij neemt mij kwalijk dat ik ‘de analytische categorieën van herinnering, geschiedenis en moraliteit door elkaar haal’. Om te beginnen is een ‘moraliteit’ een middeleeuws toneelspel dat wordt opgevoerd in de volkstaal (bijvoorbeeld Elckerlijc), wat niets met de koloniale geschiedenis te maken heeft. De rest klinkt ook heel interessant maar betekent weinig meer dan dat herinneringen kennelijk niet tot de geschiedenis mogen behoren. Dat lijkt me voor een historicus een onhoudbaar uitgangspunt. Geschiedenis begint zelfs met mensen die in die tijd en in die geschiedenis geleefd hebben, zoals de historica Elsbeth Locher-Scholten schrijft in haar belangwekkende en zinnige essay Land van ooit, land van nu. Koloniale herinneringen in Nederland 1980-2001 (2002): ‘Belangrijkste drager van de koloniale herinnering zijn zij die het koloniale verleden hebben meegemaakt.’ Ik citeer het in mijn pamflet met instemming.

Nederlands-Indië is een deel van de geschiedenis van Nederland en ieder heeft recht op zijn of haar plaats plaats daarin, zijn of haar persoonlijke herinneringen, zeker ook met oog voor de negatieve aspecten. Herinneringen terzijde schuiven als niet ter zake doend voor de geschiedschrijving, is pijnlijk en onrechtvaardig. In plaats van een strikte scheiding aan te willen brengen tussen ‘herinnering, geschiedenis en moraal’ zouden we er verstandiger aan doen ons volop bewust te zijn van de verhouding tussen hedendaagse moraal, historiografie, historische moraal en herinnering – om zo des te beter en steeds opnieuw met die altijd veranderende verhouding om te leren gaan.

 


  • 6
    Shares