Onkunde, onbegrip en onbehagen: Turkije in Nederland nu


De vierhonderd jaar oude betrekkingen tussen Nederland en Turkije waren nog nooit zo nauw als nu, en nog nooit zo slecht. We zien een re-actualisatie van middeleeuwse vijandbeelden en cliché’s die het zicht op de culturele en politieke realiteit belemmeren. Dit betekent een gevaar voor onze samenleving en leidt tot onnodig veel spanningen tussen de ‘echte’ Nederlanders en de niet minder echte Turkse Nederlanders. Wat is er toch aan de hand? Een pleidooi tegen snelle meningen en reacties en voor kennis en onderzoek. Door Alexander H. de Groot.

Waar, is de vraag, ging het de afgelopen jaren dan mis met de aloude Nederlands-Turkse vriendschap? Meer dan in de betrekkingen op zich of de ontwikkelingen in Turkije, was dat bij de ontwikkelingen binnen de EU en Nederland. Het is redelijk noch verstandig om het eeuwenoude streven naar aansluiting bij het Westen en ‘Europa’ van de Turken ongegrond te verklaren op basis van gebrekkige historische feitenkennis en binnenlandspolitieke preoccupaties. Bovendien… of de Turken nu wel of niet thuishoren in dit deel van de wereld, ze zijn er allang, als landgenoten. Het laat zich aanzien dat het eerder loont ze beter dan slechter te begrijpen.


Essay uit dBNg 2016#5

  

  


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *

Na de Tweede Wereldoorlog leek het dat er tussen Nederland en Turkije een grote toenadering plaatsvond. In 1949 waren beide landen lid van de Raad van Europa. In 1952 trad Turkije toe tot de NAVO, en kreeg het als het ware het militair bondgenootschap met Nederland dat het al sinds het begin van de betrekkingen in 1612 gewenst had. In 1963 leidde de Associatie Overeenkomst van Turkije met de Europese Economische Gemeenschap tot een uitbreiding van de Nederlandse handel en bedrijvigheid in dat land.

In de jaren 1964-1974 begon de Nederlandse werving van arbeidskrachten uit Turkije op basis van het ter zake gesloten bilaterale verdrag van 19 Augustus 1964. Het bedrijfsleven trok de arbeiders vooral aan uit de laag ontwikkelde plattelandsgebieden van Centraal en Oost-Anatolië. De aard van deze meest sociaal en cultureel conservatieve arbeidsmigranten (‘gastarbeiders’) zou een negatieve stempel gaan drukken op het Nederlandse Turkenbeeld. Na 1980 kwamen hier nog politieke vluchtelingen bij, veelal intellectuelen en kunstenaars van linkse signatuur, die een kleine positieve inbreng leverden aan de beeldvorming. In 1986 werd tot voordeel van het bedrijfsleven een belastingverdrag tegen dubbele belastingheffing gesloten. De grote opbloei van de economische relaties kwam in 1995 met de door de Europese Unie met Turkije gesloten Douaneunie, waarmee het land in economisch opzicht  op de voet van lidstaat de Europese markt op kon, overigens met uitzondering van landbouwproducten. Nederland werd sindsdien een van de grootste investeerders in Turkije. Ook Nederlandse toeristen stroomden naar Turkije, tot wel anderhalf miljoen per jaar.

In 2001 bracht voor het eerst een Turks staatshoofd, de president Necdet Sezer, een staatsbezoek aan ons land. Koningin Beatrix ging in 2007 op tegenbezoek. De start van de onderhandelingen van het Turkse lidmaatschap van de EU in 2005, juist toen de tot dan toe bereikte uitbreiding van de Europese Unie tot een herbezinning van dit proces begon te leiden, bracht paradoxaal genoeg een bekoeling met zich mee van de pro-Turkse stemming in Europa en ook in Nederland. De onderhandelingen verliepen almaar stroever totdat ze in 2006 volledig vastliepen. Naast Frankrijk, Duitsland en Oostenrijk was nu ook Nederland Turkije-sceptisch geworden. Het feestje dat in 2012 (door, maar zonder noemenswaardige financiële ondersteuning van, het Ministerie van Buitenlandse Zaken) werd gegeven ter viering van de vierhonderdjarige diplomatieke betrekkingen tussen beide landen, had dan ook nauwelijks weerklank in Turkije. Wel bracht de Turkse president Abdullah Gül in april van dat jaar een officieel bezoek aan ons land, gevolgd door een tegenbezoek van de Koningin.

Re-actualisatie van het Turkenbeeld

Waar, is de vraag, ging het de afgelopen jaren dan mis met de aloude Nederlands-Turkse vriendschap? Meer dan in de betrekkingen op zich of de ontwikkelingen in Turkije, was dat bij de ontwikkelingen binnen de EU en Nederland.

Allereerst bevorderde het wereldwijd actieve islamistisch terrorisme ook hier een groeiende angst en afkeer van de islam. Turkije werd nu meer dan ooit sinds de stichting van de republiek (in 1923) vooral als deel van de islamitische wereld gezien, de Turken allereerst als moslims. De aanwezigheid van laagontwikkelde en matig geïntegreerde Turkse allochtonen boezemde daarbij wantrouwen in. Het kamerlid Geert Wilders, de populist en ‘profeet’ van de islamofobie, wakkert dat wantrouwen verder aan, daarbij handig gebruik makend van het inderdaad doeltreffende argument dat de meeste Turkse Nederlanders hun Turkse nationaliteit behielden. Maar ook de liberalen van de VVD schrokken niet terug voor het inspelen op anti-islam en anti-Turkse sentimenten. Argumenten werden in hun kring al ver voor Wilders aangedragen door (toenmalig) VVD-leider Frits Bolkestein. Zijn bijdrage was de opvatting dat Turkije per definitie geen deel uitmaakt van Europa en dat de Islam, die immers de jihad (de heilige oorlog, dat wil zeggen: terrorisme) tegen christenen als wetsartikel kent, daar al helemaal niet thuis hoort. Dat de islam sinds de 14de eeuw de godsdienst van aanzienlijke minderheden in Zuid-Oost Europa is, en sinds de 1960-er jaren  bovendien van een aanzienlijk deel van de Nederlandse bevolking, kon daarbij kennelijk niet deren.

Zo werd in Nederland in ras tempo de aloude angst voor de ‘Verschrikkelijke Turk’ en de ‘mohammedanen’ (veelzeggend genoeg dus niet aangeduid met de moderne term ‘moslims’) uit het culturele archief opgediept, en in het kielzog al de bijbehorende oude vooroordelen tegen de islam en Turkije. Het middeleeuwse vijandbeeld van de islam maakt nog altijd deel uit van het collectieve Europese geheugen. Naast de Arabier (de Saraceen van de Kruistochten) geldt de Turk daarin als aartsvijand van Europa.

Islam en moderniteit in Turkije

Het loont de moeite de voosheid van deze opvattingen, in feite niet meer dan erfstukken van een eeuwenoude West-Europese politieke en religieuze propaganda, aan te tonen. De opvattingen van populisten en meer serieus te nemen tegenstanders van de Islam en de Turken in Nederland komen mijns inziens vooral voort uit verregaande onwetendheid omtrent de historische werkelijkheid, die leidt tot onbegrip en onbehagen omtrent Turkije nu. De opvattingen van Bolkestein zijn hiervan misschien wel de sprekendste voorbeelden.

De fundamentele, essentialistische misvatting over het wezen van de islam is dat deze te zien is als een religieus-politiek stelsel, in de vroege middeleeuwen georganiseerd door de profeet Mohammed en zijn medestanders en daarna nauwelijks aan enigerlei historische ontwikkeling of verandering onderhevig. De islamitische wet, gebaseerd op de Koran en de heilige tradities omtrent het leven van de profeet, dus daterend uit zevende-eeuws Arabië, geldt volgens Bolkestein en de zijnen nog integraal en onverkort in de landen van de Islam. Zij geven hiermee vooral blijk de propaganda van de moslimse fundamentalisten als zoete koek te slikken. Bravo fundamentalisten! En lang leve de botsing der beschavingen!

De historische werkelijkheid is echter anders. Om aan de eisen van de tijd te kunnen blijven voldoen, ontwikkelden de overheden van historische islamitische staten al snel een pragmatische seculiere wetgeving en een de facto scheiding van godsdienst en staat. Het Ottomaanse (‘Turkse’) rijk ging als enige zelfs zo ver al in de zestiende eeuw de instellingen van de islam formeel ondergeschikt te maken aan het staatsgezag van de sultan. Sultans wet stond er dus al eeuwen boven de wet van de islam. In de loop van de negentiende eeuw ging het Ottomaanse Rijk over tot een algemene staatshervorming, die leidde tot de algemene invoering van Westers recht van verschillende herkomst, met uitzondering van het Islamitisch burgerlijk recht en het familierecht (dat echter wel hervormd werd in moderne zin).

Uiteindelijk werd ook het islamitisch familierecht in 1916 afgeschaft, wat leidde tot een grote verbetering in de rechtspositie van de moslimse vrouw. Ottomaans Turkije kende vrijwel de gehele laatste eeuw van zijn bestaan (van 1839 tot 1923) een moderne, Westerse staatsinrichting met een de facto scheiding van kerk en staat. Een Westerse grondwet werd in 1876 ingevoerd, alsook een twee-kamerparlement. Het was in diezelfde 19de eeuw dat ook de Verlichting Turkije bereikte. De studenten van de –Westers – ingerichte faculteiten van Istanbul lazen met rooie konen de ‘revolutionaire’ geschriften van Voltaire, Rousseau en de overige achttiende-eeuwse Franse denkers, in het Frans of in Turkse vertaling. Het besef was algemeen in het weldenkend deel van de Ottomaanse elite, dat een inhaalslag geboden was tegenover Europa.

Het was tenslotte de stichter van de Republiek Turkije, Mustafa Kemal Atatürk, die in 1924 de wet van de islam volledig buiten werking stelde in zijn in grote meerderheid door moslims bewoonde staat. In zijn plaats werd een Westers recht ingevoerd dat volledig ontleend was aan de rechtsstelsels van verscheidene West-Europese staten als Zwitserland, België en Frankrijk.

Het is redelijk noch verstandig om het eeuwenoude streven naar aansluiting bij het Westen en ‘Europa’ van de Turken ongegrond te verklaren op basis van gebrekkige historische feitenkennis en binnenlandspolitieke preoccupaties. Bovendien… of de Turken nu wel of niet thuishoren in dit deel van de wereld, ze zijn er allang, als landgenoten. Het laat zich aanzien dat het eerder loont ze beter dan slechter te begrijpen.

To be European or not to be

Het tweede front dat populisten en slecht geïnformeerde conservatieven en liberalen tegen Turkije openden, betreft de bepaling van de grenzen van Europa. De EU heeft discussie over deze kwestie bij de gestage uitbreidingspolitiek in het Oosten van Europa handig weten te vermijden. Waar Cyprus eigenlijk ligt – in Europa of in het Midden-Oosten – lijken weinigen zich af te vragen. Wellicht is de grens tussen Oost en West eerder die tussen westers (Latijns) en oosters (Orthodox) christendom dan die tussen islam en christendom. Lagere-schoolwijsheid zegt dat Turkije in Azië (West-Azië of het Midden-Oosten) ligt en dat de grens de Bosporus is. Dat, staande aan de oevers van de Zee-engten in Turkije, er geen zichtbaar verschil valt op te merken tussen deze kant en de overkant, daaraan zal geen opiniemaker zich iets gelegen laten liggen.

Hier hebben we niet te maken met een miskenning van één tot twee eeuwen recente Turkse geschiedenis, maar van maar liefst zes eeuwen Europese geschiedenis, namelijk die waarin ‘Turkije’ (dat wil zeggen het Ottomaanse Rijk) een mogendheid van betekenis was in Zuid, Zuidoost en Centraal Europa. De ‘Turken’ stonden in 1529 en 1683 niet pardoes voor de poorten van Wenen, zij arriveerden daar vanuit hun slechts enkele honderden kilometers verderop gelegen Hongaarse en Slavische territoria. De Republiek Turkije is de rechtstreekse opvolger van de Ottomaanse staat, waarvan het centrale deel tot 1912 niet diep in het Nabije of het Midden-Oosten gelegen was, maar juist in de Balkanprovincies Albanië, Macedonië, Bulgarije en Griekenland. Het verlies van het Europese vaderland door miljoenen Turkse Moslims die na een massale genocide in de jaren 1876-1912 werden uitgedreven, is diep verankerd in het collectief geheugen en het politiek besef van het huidige Turkse volk.

Dat misvattingen over de rol van de (wet van de) islam en het al dan niet Europese karakter van Turkije leidden tot de bestaande negatieve houding tegenover Nederlanders van Turkse afkomst is pijnlijk. De Turkse Islam heeft namelijk juist een uitgesproken gematigd-conservatief en pragmatisch karakter. Theologische disputen zijn er onbekend. De roep om hervorming in moderne zin wordt zelden gehoord. De wet van de islam (sharia) is er al sinds de zestiende eeuw volstrekt ondergeschikt aan het staatsbelang van sociale en politieke rust en orde. Slechts de uitoefening van de eredienst is er nog van over.

Sterker: de scheiding van godsdienst en staat is één van de pijlers van het moderne Turkije. Een staatsorganisatie, het Directoraat van Godsdienstzaken (de ‘Diyanet’), rechtstreeks ondergeschikt aan de eerste minister, is belast met de zorg dat de islam blijft als hij is – oftewel soennitisch, gematigd orthodox, en wars van fundamentalisme of vernieuwende hervormingen. In Nederland betekent dit dat deze organisatie de Turkse Nederlanders voorziet door de aanstelling van in Turkije academisch opgeleide imams. Deze ‘lange arm’ van Ankara (of nu steeds vaker: Erdoğan) zorgt er juist al decennia voor dat de Turkse Nederlanders een gematigd rechtzinnige islam belijden.

Het is dan ook merkwaardig dat dit niet beseft wordt door de Nederlandse overheden. Zij wantrouwen de ‘Diyanet’  en zien liever zogenaamd ‘vrije’ islamitische organisaties met eigen imams en moskeeën. Juist bij deze door politici en overheden vaak als vormen van ‘autochtone’ zelforganisatie gewaardeerde groepen is de kans groot dat het organisaties van een fundamentalistische en radicaal-extremistische gezindte zijn, die kans zien hier vrijelijk te werven voor hun in Turkije gedwarsboomde antiseculiere en antiwesterse aspiraties. De ook in ons land actieve Islamistische bewegingen van de Nurcu’s en de door Fethullah Gülen geïnspireerde instellingen en verenigingen zijn voorbeelden van antiwesterse en antisecularistische groeperingen die alleen al wegens het gebrek aan transparantie van hun organisaties niet de waardering verdienen die ze thans krijgen.

Onneembare hindernissen

Het sterke nationaal besef, het felle nationalisme van de Turken vormt een andere steen des aanstoots bij de Nederlanders, die nog nauwelijks besef hebben van de eigen nationale identiteit, tenzij bij internationaal voetbal of Eurovisie Songfestival. Het Turks nationalisme is daarom zo fel, omdat het nog jong is. Het werd in de jaren 1920 onder leiding van Ataturk ontwikkeld om een nieuwe basis te creëren voor de relatief kleine veilige haven die de Turken nog restte na het kolossale verlies van grondgebied in de jaren 1912-1922, en die geen islamitische grondslag meer mocht hebben.

Dit Turks nationalisme maakt een oplossing van de kwestie van de Armeense genocide vrijwel onmogelijk. Territoriale concessies zijn ondenkbaar, en acceptatie van een van het Ottomaanse Rijk (de rechtsvoorganger) overgeërfde aansprakelijkheid lijkt evenmin te worden aanvaard – mede wegens de angst voor eventuele herstelbetalingen. Ten overvloede moet gezegd worden dat de Turks-Armeense kwestie er één is van concurrerende nationale aspiraties op eenzelfde territorium en slechts schijnbaar een interreligieus conflict. In het pre-nationalistische Ottomaanse verleden leefde de Armeense religieuze gemeenschap zo’n vier à vijfhonderd jaar onder een tolerant regime in betrekkelijke rust en vrede en golden de Armeniërs als de ‘trouwe natie’. Maar in de jaren dat miljoenen Moslimse Turken onder het toeziend oog van de Westerse mogendheden uit de Balkanprovincies werden verderven, was afscheiding van een aantal Anatolische provincies volstrekt onaanvaardbaar. De Armeense nationale aspiraties waren dan ook gedoemd te mislukken.

In ditzelfde kader moet men de weerbarstige houding van Turkije inzake de kwestie Cyprus begrijpen. Cyprus, ooit deel van het Ottomaanse Rijk, heeft een bevolkingssamenstelling van zo’n 80% Grieken, 20% Turken en nog kleine minderheden van Armeniërs en Maronieten. Het is een voor veel Turken ondraaglijke gedachte dat ‘volksgenoten’ die er al sinds eind zestiende eeuw gevestigd zijn hun land zouden moeten verliezen in een soort replay van wat er begin twintigste eeuw op Kreta gebeurde – toen de daar wonende Moslims-Turkse minderheid daar met instemming van de Grote Mogendheden door de Grieken verdreven werd en het eiland met Griekenland verenigd. De Turkse gemeenschap accepteert geen minderheidsstatus, maar eist een vast aandeel in het bestuur van Cyprus naast de Grieken in één staat.

Ook de Koerdische Kwestie, die de Turken hier ook al niet populairder maakt, is er vooral een van conflicterende nationalismen. Ook hier gaat het over de betwisting van een gemeenschappelijk grondgebied met een implicatie van separatisme, dus verlies van een stuk Turkije. Daarbij komt nog dat Turkije de Koerdisch sprekende burgers, Moslims zijnde, niet als minderheid erkent zoals de Armeniërs (die krachtens het Verdrag van Lausanne de status van religieuze minderheid bezitten). Het verlenen van een vorm van culturele autonomie botst met het traditionele nationalistische eenheidsbeleid van de Turkse staat. Ook in deze kwestie valt een spoedige oplossing niet te verwachten.

Dit alles wil niet zeggen dat de Turkse behandeling van de Armeense, Cypriotische en Koerdische kwesties constructief is of zelfs lof verdient. Wel geldt, om met Joost Lagendijk te spreken, ‘dat trachten te begrijpen niet hetzelfde is als goedpraten of verdedigen.’ (Erdoğan, p. 143)

Voor een beter begrip

Het bovenstaande is bedoeld om duidelijk te maken dat een mate van achtergrondkennis van Turkije en de Turken vereist is om te kunnen begrijpen dat we niets hebben aan generalisaties en clichébeelden van de Islam en de Turken, die we immers niet op één hoop kunnen gooien met de Islam en de Moslims van elders. De Islam heeft in de geschiedenis van Turkije een geheel eigen ontwikkeling gehad. In de Ottomaanse tijd is de onderschikking van de Islam aan het staatsgezag van grote betekenis geweest voor de politieke en culturele ontwikkeling van niet alleen Turkije, maar ook van de staatkundige ontwikkeling van het door de Ottomanen bestuurde Arabische Midden-Oosten. Deze Ottomaanse opvatting over de verhouding tussen de staat en religie heerst nog altijd in Turkije, ook onder Erdoğan. Daarmee heeft de Turkse Islam (wellicht afgezien van Indonesië) een unieke positie binnen de Islam in de wereld. Wie dat niet kan of wil begrijpen, begrijpt in wezen niets van Turkije en de Turken, en al helemaal niet van het fenomeen Erdoğan en de bedreiging die hij realistischerwijs wel én niet vormt.

Het is dan ook zorgwekkend dat de bezuinigingen op het gebied van de studie van de (zich van China tot in de Maghreb en bij ons uitstrekkende) Turkse taal, geschiedenis en cultuur, en ook van de Turkse islam, aan de universiteiten van ons land ertoe hebben geleid dat thans alleen nog aan de Leidse universiteit een complete opleiding te krijgen is. Het mag gelden als een zoveelste treurig voorbeeld van de kortzichtigheid van het vigerende wetenschapsbeleid op het gebied van de ‘niet-Westerse’ culturen en geschiedenis. Kennis van de Islam en de geschiedenis van Turkije is juist nu harder nodig dan ooit tevoren, ook in het voortgezet onderwijs. Nederlanders, autochtoon en allochtoon, moeten op onze scholen en universiteiten gefundeerde basiskennis kunnen verwerven opdat zij geen speelbal blijven van slechte journalistiek en politieke propagandisten – of van de wijdverbreide opvatting dat elke ‘native speaker’ van nature deskundig is op het gebied van zijn cultuur en geschiedenis van herkomst.

Verder lezen?

Afgelopen maand verscheen bij Prometheus Joost Lagendijks Erdoğan in een notendop (176 blz.), een beknopt maar uiterst gebalanceerd en zorgvuldig kritisch overzicht van wat er de afgelopen twintig jaar in Turkije onder het huidige regime is gebeurd. De inmiddels in Turkije wonende en werkende Lagendijk leidde als europarlementariër jarenlang de Turkse EU-toetredingsonderhandelingen en is bijzonder goed gekwalificeerd en gepositioneerd om de recente Turkse geschiedenis en de rol van Erdoğan en zijn AKP daarin te duiden. Net als het eerder met zijn Turkse echtgenote, journaliste Nevin Süngür, geschreven De Turken komen eraan! Alles wat iedereen over Turkije moet weten (Prometheus 2013, 237 blz.), leest het boek bovendien als een trein. Zeer warm aanbevolen aan iedereen die de journalistiek voorbij wil om snel en effectief tot meer inzicht te komen over wat Turkije en de Turken nu werkelijk beweegt.

Dit jaar verscheen ook nog een andere Erdoğan-biografie, van de hand van een Duitse journaliste van Turkse afkomst Ciğdem Akyol: Erdoğan. Die Biografie (Herder 2016, 383 blz.). Een zeer uitvoerig boek, met veel achtergrondinformatie, dat een fel-kritisch overzicht geeft van leven en daden van de huidige machthebber en zijn stijl van regeren, voorafgegaan door een korte schets van de historische betekenis van de figuur van Atatürk en diens regime van 1922 tot 1938. Het is gebaseerd op omvangrijke bibliografische kennis. Een heel goed boek.

Betsy Udink, bekend van haar zeer leesbare ervaringsverslagen over landen van de Islam, publiceerde vorig jaar haar – wat in de Britse literaire cultuur ‘Turkeybook’ heet – Meisjes van Ataturk, Zonen van de Sultan. Verhalen uit Turkije (AtlasContact, 320 blz, met uitvoerige bibliografie). Zoals altijd is de auteur heel geestig en amusant maar ook altijd serieus. Udink voerde tijdens haar leven in Turkije in de jaren 2005-2009 en 2013-2014 vele  gesprekken met belangwekkende personen en levert een verrassend geïnformeerd boek op basis van autopsie en degelijk lectuuronderzoek in het Engels en het Nederlands. Turkije’s geschiedenis van Atatürk tot Erdoğan komt aan bod, met daarbij uitweidingen over de Armeense genocide, het probleem van de Koerden, de positie van de weinige overgebleven christenen in het land en de figuur van Fethullah Gülen. Een erg leuk boek met hier en daar behoorlijk wat diepgang.

Vanzelfsprekend mag hier het voor een degelijke achtergrondkennis onmisbare werk niet ontbreken, dat inmiddels internationaal als de standaardgeschiedenis van het laat-Ottomaanse Rijk en het moderne Turkije geldt: Erik-Jan Zürcher’s Turkije. Een Moderne Geschiedenis (Amsterdam University Press 2015, 511 blz.). Dit is een uitgebreide en herziene editie van verscheidene eerdere Nederlandse drukken van het oorspronkelijk in het Engels uitgegeven Turkey. A modern History (I.B. Tauris 1993, 381 blz.).

Tot slot nog het meesterwerk van een van de meest fijngevoelige en erudiete historici van het Ottomaanse Rijk, de Amerikaan Roger Davison, die het proces van de negentiende-eeuwse ‘verwestersing’ van de Ottomaanse maatschappij en staat meesterlijk beschreef in zijn beroemd geworden Reform in the Ottoman Empire. 1856-1876 (1963; Princeton University Press 2016, 494 blz.)