Byatt lezen in drie stappen
🖋 Christien Franken


Na ooit als onbevangen lezer gevangen te zijn door Byatts The Game, en na zich vervolgens als wetenschapper decennialang op Byatt en haar oeuvre te hebben gestort, komt Christien Franken tot de conclusie dat er langs de afgelegde weg ergens iets verloren ging. Maar niet voorgoed!

Essay uit dBNg 2016#6, door Christien Franken
Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement

  • A.S. Byatt, The Game (Penguin 1983; Vintage 1992), 288 blz. (bestel)
  • Christien Franken, A.S. Byatt: Art, Authorship, Creativity: Art, Authorship and Creativity (Palgrave 2001), 182 blz. (bestel)

beeld-portret-byatt-photographer-michael-trevillion-clr
Foto: Michael Trevillion

In september 1985 vertrok ik naar Sheffield in het noorden van Engeland om daar mijn laatste studiejaar door te brengen. Als brave Utrechtse studente Engels kwam ik terecht in een ongepolijste industriestad waar de woede over het afbraakbeleid van Margaret Thatcher en de sluiting van de mijnen zwaar in de lucht hing. Elke ochtend wandelde ik van Broomhill, de enige wijk van Sheffield met een conservatieve meerderheid, naar de universiteit, waar leden van de Socialist Workers Party luidkeels hun trotskistische partijblad aanprezen. In die politiek geladen sfeer liep ik in een kleine boekhandel tegen een boek aan dat voor mij al snel de intensiteit van mijn nieuwe omgeving zou weerspiegelen.

byatt Het was liefde op het
eerste gezicht tussen A.S. Byatts roman The Game en mij. Haar beschrijving van
de symbiotische relatie tussen twee
ambitieuze zussen – de wetenschapster Cassandra Corbett en de schrijfster Julia Corbett – leek in geen enkel opzicht op de romans die ik voor mijn studie Engels had gelezen. The Game stelde vragen over ethiek, creativiteit en schrijverschap waar frankenik als vijfentwintigjarige nog niet over na had gedacht. Moeilijke, interessante vragen. Mogen schrijvers altijd en overal, op welke manier dan ook, fictie schrijven over hun dierbaren? Of alleen als ze daar goede redenen voor hebben? Met andere woorden, gaat de verbeelding altijd boven de moraal? En zo niet, waar houdt dan de verbeelding op?

Daarnaast maakte ik door The Game voor het eerst kennis met A.S. Byatts geëmancipeerde kijk op vrouwen, vrouwelijkheid en sekseverhoudingen. Uit heel haar werk spreekt een afschuw van de beperkingen die vrouwen opgelegd krijgen of zichzelf opleggen. Die beperkingen kent ze uit eigen ervaring: in interviews vertelt Byatt vaak over haar intelligente moeder die na een studie Engels in Cambridge doodongelukkig werd als huisvrouw in Sheffield en dat afreageerde op haar dochters. Byatt zelf maakte mee hoe ze haar onderzoekbeurs verloor toen ze trouwde. Haar voorwoord bij een herdruk van The Shadow of the Sun beschrijft treffend haar angst dat ze niet in staat zou zijn om te schrijven, niet zou kunnen ontsnappen aan haar omgeving.

Het is dus geen wonder dat haar romans worden bevolkt door vrouwen die gepassioneerd werken, denken en liefhebben. Die moederschap, liefde, seksualiteit en creativiteit willen combineren in een man-made world. En daarbij soms zelf ook slachtoffers maken, want Byatt is geen schrijfster die vrouwen idealiseert. Ze heeft een scherp oog voor menselijke tekortkomingen. Dat maakt haar portretten zo rijk en gelaagd, denk ik. Om nog maar te zwijgen over het grote plezier waarmee ze bekende sprookjes en mythen herschrijft vanuit een vrouwelijk perspectief. Ik had in haar, in Sheffield, een rolmodel gevonden.

In promotieonderzoek verdiepte mijn fascinatie zich verder. A.S. Byatt reageerde genereus op mijn onderzoeksvragen. Ze gaf me toegang tot haar archief met ongepubliceerd materiaal en bekeek mijn uitgebreide bibliografie van haar werk uit de periode 1965-2000. Ze stemde toe in een interview bij de Vakgroep Vrouwenstudies waar ik mijn onderzoek deed, en was ook aanwezig bij de promotie, waar ze op de eerste rij op haar gemak de leden van de corona bekeek.

Daarna ging het mis (en dat had niet met Byatt zelf te maken). Zonder het echt goed door te hebben, veranderde ik langzaam van een enthousiaste, onbevangen liefhebber in een wetenschappelijke lezer. A.S. Byatts werk werd iets om uit te leggen in hoorcolleges en werkgroepen, om studenten over te laten praten, om te tentamineren, om een kritische mening over te hebben en kennis aan te ontlenen. Paradoxaal genoeg werd mijn afstand tot haar werk daardoor veel groter, te groot zelfs. Nadat ik ontslag had genomen aan de universiteit om mijn eigen bedrijf te beginnen volgde ik een aantal jaren haar ontwikkeling als schrijfster uit de verte.

Nu ik al vijftien jaar geen professionele literatuurwetenschapper meer ben, is de derde periode in mijn lezersleven aangebroken. Ik herlees Byatts korte verhalen en geniet er weer van hoe de Engelse taal onder haar handen kneedbaar en dansant wordt. Haar vrouwelijke karakters worden met haar ouder, wat me ook gezien mijn eigen leeftijd goed uitkomt. Ze worden nog steeds met energie en passie beschreven door een inmiddels gelauwerde auteur die een halve eeuw schrijven, prijzen en eredoctoraten achter de rug heeft. Nu geniet ik (zonder de geschiedenis te verloochenen) als common reader van haar vakmanschap en is het opnieuw feest. Zoals Byatt vrolijk dichtte bij mijn promotie:

The reader lives on, dear Christien

The powerful, the femme divine

The tower-erecting Melusine

Virginia’s perfect androgyne 

 

So, let us dance, one, two and three

The reader (you), the text and me