Het eigenaardige aan zwangerschap, door Daan Stoffelsen


Maggie Nelsons De Argonauten verovert na de VS nu ook Nederland. Daan Stoffelsen legt het naast Pamela Erens’ Eleven hours en een aantal andere recente boeken over de vrouwelijke ervaring, en ontdekt hoe juist dit boek overtuigt – door te blijven vragen.

Essay uit dBNg 2016#6, door Daan Stoffelsen
Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement!


  • Mnelson-enaggie Nelson, The Argonauts (Graywolf Press 2015; 2016), 160 blz. (bestel)
  • Vnelson-nlertaald als: De argonauten (Atlas Contact 2016; vert. Nicolette Hoekmeijer), 176 blz. (bestel)
  • Perensamela Erens, Eleven Hours (Tin House Books 2016), 176 blz. (bestel)

 

‘Is er niet iets inherent queers aan zwanger zijn, in die zin dat een zwangerschap een ingrijpende verandering betekent van je “normale” staat van zijn, en leidt tot een verregaande intimiteit met – en een verregaande vervreemding van – je eigen lichaam?’ Die vraag stelt Maggie Nelson zich in haar essay De argonauten. Het boek werd bekroond met een National Book Critics Circle Award, en verschijnt nu in vertaling van Nicolette Hoekmeijer, die kernwoord queer – ‘homoseksueel’, maar ook ‘vreemd, eigenaardig’? – terecht onvertaald liet. Nelson denkt na over onconventionele liefde en sex, homoseksualiteit en genderfluïditeit, zwangerschap, ze stelt vergezochte interessante vragen en vertelt haar bevallingsverhaal. Die combinatie van feminisme, genderdiscussie, het onrecht en het lichamelijke, past in het najaar van 2016. Chimamanda Ngozi Adichie’s We moeten allemaal feminist zijn verscheen zojuist (in vertaling van Hien Montijn), net als Bregje Hofstedes De herontdekking van het lichaam. Adichie’s pamflet is de neerslag van haar TEDx-lezing, Hofstedes boek reflecteert op haar burn-out, maar beschrijft ook een reis door Israël waarop ze bekeken wordt en lastig gevallen, als ‘woman traveller’. En een aanranding – in Maastricht.

Terwijl ik dit schrijf, ligt het Times Literary Supplement van 28 oktober naast me, dat Sue Lloyd-Roberts’ The War on Women uitlicht, naast Peggy Orensteins studie Girls & Sex en een beschouwing van Elaine Showalter over hoe de campagne en het politieke leven van Hillary Clinton door misogynie getekend wordt. Aanranding, verminking, verkrachting, discriminatie – al die verhalen bij elkaar leiden impliciet naar Adichie’s pleidooi voor een cultuurverandering: ‘Mensen worden niet gevormd door cultuur. Cultuur wordt gevormd door mensen. Als het waar is dat het niet in onze cultuur ligt dat vrouwen volledig mens zijn, dan moeten we dat tot onze cultuur maken.’

De Argo

In dit deprimerende en activerende landschap van boeken is De Argonauten een buitenstaander. Veel meer dan Adichie, die gedwongen door het retorische format van haar TEDx-talk haar voorbeelden amper uitwerkt; en zelfs dan Hofstede, die het eigen lichaam vooral als illustratie bij haar betoog inzet, wordt Maggie Nelson persoonlijk, ongemakkelijk persoonlijk – het gaat ook over kontneuken. Dat maakt haar vragen niet minder pregnant of relevant, maar haar maatschappijkritiek is impliciet, het gaat haar in de eerste plaats om identiteit. Ze zoekt niet de discriminatie op gelijk te maken vlakken op – salaris, huishoudelijke taken, seksuele verhoudingen –, maar juist een toestand die voorbehouden is aan vrouwen. Om die vervolgens weer te bevragen. Dus: kan je negen maanden zwangerschap met een leven van queerness vergelijken? Ze weet aannemelijk te maken van wel: Nelsons zwangerschap valt samen met de periode waarin haar partner, de kunstenaar Harry Dodge, testosteron krijgt toegediend en haar borsten laat verwijderen. Ook de verandering aan Nelsons lichaam duurt voort: ‘Mijn borsten waren meer dan een jaar pijnlijk, en hoewel ze nu geen pijn meer doen, heb ik nog altijd het gevoel dat ze aan een ander toebehoren.’

In de afwisseling tussen argeloos en academisch die haar boek kenmerkt, bouwt Nelson voort op haar vraag: ‘Hoe kan een ervaring die zo ongekend vreemd en heftig en transformerend is tevens een ultieme vorm van conformisme symboliseren, of die zelfs zíjn? Of is dit gewoon de zoveelste diskwalificatie door het geprivilegieerde (in dit geval non-conformisme, of radicaliteit) van alles wat te nauw is verbonden met het vrouwelijke dier?’ Ze mijdt de grote, abstracte woorden niet.

Maar Nelson stelt meer vragen, prikkelt en gaat met zichzelf in discussie. Zo komt haar titel van een overweging van Roland Barthes: het telkens uitspreken van ‘Ik hou van je’ moet je begrijpen als ‘de Argonaut die tijdens de reis het schip vernieuwt zonder de naam te veranderen’. Nelson: ‘Net zoals in de loop der tijd de onderdelen van de boot worden vernieuwd terwijl de boot nog altijd de Argo heet, zal de geliefde bij ieder gebruik van de zinsnede “Ik hou van je” de betekenis moeten vernieuwen, aangezien “het doel van liefde en taal nu juist is om een en dezelfde zinsnede zo aan te wenden dat die voor altijd nieuw zal zijn.”’ Dan: ‘Ik vond het een romantische passage. Jij las het als een mogelijke herroeping. Achteraf gezien was het beide, denk ik.’ Het bouwt bovendien voort op wat denkers als Plato, Plutarchus en Hobbes schreven over identiteit in beweging: is Theseus’ schip nog steeds de Argo als de onderdelen vervangen worden?

Bevallingen in fictie

Is Nelson nog ‘normaal’ als ze zwanger is, is Harry vrouw of man? Terwijl onderdelen vernieuwd en toegevoegd worden, veranderen hun lichamen onder invloed van hormonen. Maar ook de samenstelling van hun gezin verandert, en Nelsons bevalling is daarin een belangrijke schakel. Dat is geen vanzelfsprekendheid: het geldende cliché is dat je in romans nooit meer over bevallingen leest dan een paar zinnen. Laat staan in essays. Het werd onlangs nog door de Amerikaanse schrijfster Pamela Erens beweerd, op Slate.com. Ze trok de vergelijking met gedetailleerde slagveldscènes, die wél uitgebreid in fictie terugkeren. Zijn mannen huiverig voor alles wat ‘daar beneden’ gebeurt, of kunnen ze gewoon niet omgaan met de metaforen van huis, tuin, keuken, hysterie en geboorte?

Ik twijfel of Erens tevreden zou zijn met hoe specifiek ze zijn, maar hoewel bevallingsscènes minder voorkomen dan sterfscènes, zijn er meer van dan beschrijvingen van geslachtsveranderingen. In de Nederlandse fictie vind je bevallingen bij onder vele anderen Anna Enquist, Kristien Hemmerechts, Heleen van Royen, Nelleke Noordervliet, Hella Haasse, Laura Broekhuysen, maar ook bij A.F.Th. van der Heijden (viermaal in zijn fictie), Ian McEwan (aansluitend aan een seksscène), Margaret Atwood en zelfs bij klassieke auteurs als Hemingway, Tolstoj, Tsjechov en Belcampo. Afwisselend van buitenaf bekeken, en als een psychische strijd, zelden in een gedetailleerd uitgewerkt verslag als van een slagveld. Vasili Grossman combineerde de mannen- en vrouwenzaak in zijn verhaal ‘In de stad Berditsjev’ (1934) – maar is terughoudend in de fysieke details. Op een ander vlak is de bevalling wel het literaire equivalent van het slagveld: het gaat vaak mis. Doodgeboortes komen in fictie vaker voor dan in werkelijkheid.

Erens zelf vermijdt de slagveldmetaforen in haar meest geloofwaardige argument in deze discussie: de roman Eleven Hours, over elf uur van eerste weeën tot kind, 165 pagina’s. Fictie, ja, maar fysieke en vrouwelijke fictie, zozeer dat erover schrijven als man als toe-eigening voelt. Toch leent het boek zich evengoed voor literatuurkritiek als voor (het begin van) maatschappijkritiek. Misschien bestaan mensen als de bevallende Lore en haar verpleegster Franckline slechts in fictie, zo duidelijk als ze de kampen in de geboortezorg vertegenwoordigen. ‘These girls with their birth plans, thinks Franckline, as if much of anything about a birth can be planned,’ schrijft Erens in haar roman. Die meisjes met hun bevalplannen van pagina’s lang zijn er ook genoeg in Nederland, met hun voorkeur voor natuurlijk bevallen: weinig apparaten, geen medische ingrepen tenzij strikt noodzakelijk. Maar Lore is bovenmenselijk realistisch: het plan bevat ook aanwijzingen voor bij het overlijden van moeder en kind. En Franckline heeft ook juist een achtergrond in het natuurlijk bevallen – voor haar opleiding in de V.S. was ze traditional birth assistant in Haïti. Zo laat ze haar patiënt een handtekening zetten om juridische aansprakelijkheid te vermijden, maar gaat ze wel mee in haar wensen. Ook zij is zwanger, pril, en angstig, want ze verloor al eens een kind.

Erens kiest voor beide perspectieven en wisselt ze heel vanzelfsprekend af, en dat werkt. Haar literaire prestatie is precies die combinatie van realisme en empathie, en het contrast tussen twee persoonlijkheden en culturen – zonder dat je de literaire kunstgrepen opmerkt. Niet voor niets sprak de New York Times van ‘one of the most realistic and harrowing portrayals of birth’. En zoals alle geslaagde literatuur gaat Eleven Hours niet alleen over de personages. Het gaat ook over mij en de moeder van mijn kinderen en onze maatschappij. Je kunt je Erens’ roman ook in Nederland voorstellen, met de tegenstellingen in de Nederlandse verloskunde: enerzijds zwangerschap als normale (‘heteronormatieve’?), natuurlijke staat, die beter op gevoel en op gemak tot een einde wordt gebracht, en anderzijds zwangerschap als medisch afwijkende toestand, streng te controleren, strikt te begeleiden binnen een ziekenhuisomgeving. En je kunt in Erens’ roman ook een belangrijke overeenkomst lezen: de wens controle te hebben. Bevalplannen en protocollen zijn manieren om de angsten rond een bevalling te bezweren. Erens’ Lore heeft haar bevalling gepland, ontspant zich, maar dat blijkt onterecht. We zien, omgekeerd, Maggie Nelson worstelen met de gedachte dat poepen tijdens de bevalling baren betekent, maar ook ‘eeuwig vallen, volledig uiteenvallen’ – en de bevalling verloopt traag maar goed. Hoewel: ‘Als alles goed gaat, komt de baby er levend uit, en jij zelf ook. Maar ondertussen heb je wel de dood in de ogen gekeken. Je hebt je gerealiseerd dat de dood ook jou zal treffen, onafwendbaar en genadeloos.’

Is het bevallingsverhaal dan de controle achteraf?

De Argo baren

Schrijver Jan van Mersbergen, auteur van de rauwe kraamroman Zo begint het (2009) en net weer vader, schreef het op zijn blog: ‘Als vanzelf komen de horrorverhalen over bevallingen voorbij, vooral op het schoolplein. Iedereen daar weet er iets van, heeft het zelf meegemaakt, of heeft het van horen zeggen.’ Vader in de file, taxi’s, massa’s mensen om je bed, poep, troep. Iedereen heeft zo’n verhaal achteraf, waarin de levensgebeurtenis herverteld wordt als iets gruwelijks of vredigs, een geluk of een ongeluk. Pijn vergeet je, de gebeurtenissen kun je vormen naar je eigen wens. Dus Erens’ vraag blijft zinnig: ‘Women tell each other the details of labor and delivery, but we don’t use these as material for literary art. Why?’

Maggie Nelson doet het wel, en opvallend genoeg minder zelfbevragend dan in het overgrote deel van haar boek. Hier schrijft de argeloze, niet de academische schrijfster, lineair en conventioneel, maar niet ongepolijst: ‘De pijngrot heeft een wet, de wet een zwarte huivering. Ik begin te tellen, merk dat het telkens zo’n twintig seconden is. Het moet mogelijk zijn willekeurig welke pijn twintig seconden lang te verdragen, denk ik, negentien, dertien, zes. Ik maak geen enkel geluid meer. Het is een verschrikking.’ En ze is aards, geestig: ‘Ik ben als de dood voor de wc. [Verloskundige] Jessica wil steeds maar dat ik ga plassen, maar het is ondenkbaar dat ik ga zitten of hurken. Ze zegt steeds dat ik de weeën niet kan tegenhouden door volkomen roerloos te blijven, maar ik denk van wel.’

Nelson beschrijft het eerlijk, ze corrigeert de onzin niet, ze komt bovendien met originele beelden en verwerkt ook een verhaal van Harry over zijn stervende moeder. Deze tien pagina’s zijn meer dan een schoolpleinverhaal, meer dan een simplificatie om die bovenmenselijke ervaring onder controle te krijgen. Het is sterke literaire memoir, genesteld in het essay: ‘Er wordt gezegd dat vrouwen de pijn van het baren vergeten, dankzij een door God gegeven geheugenverlies dat zorgt dat de soort zich blijft voortplanten. Maar dat klopt niet helemaal – want wat zegt het nou uiteindelijk dat pijn “gedenkwaardig” is? Je hebt pijn of je hebt geen pijn. En het is niet de pijn die je vergeet. Het is de dood die je in de ogen kijkt.’

Dan gaat het weer over de vrouwelijke of zelfs menselijke ervaring, niet de individuele van Maggie Nelson. Door over haar bevalling te schrijven en die direct te onderwerpen aan haar twijfels, verdedigt ze haar queerness, haar afwijkendheid, haar eigenheid. In die zin mengt ze zich in het gesprek van Adichie, Hofstede, Lloyd-Roberts, Erens: verhalen van vrouwen die oproepen tot erkenning, empathie, cultuurverandering.

That’s why. Toch is Nelsons boek geen antwoord op Erens’ vraag: de enige intrinsieke reden om dit zo intieme, fysieke verslag op te nemen in haar boek, is dat het haar identiteit vormt. Dit is haar eigen verhaal, dat het beeld completeert van één mens, één gezin: deze Argo baart een nieuwe Argo. En nieuwe vragen. Nelson legt haar verhaal niet vast, ze legt het open, ze geeft de controle nogmaals uit handen. De meest literaire bijdrage aan een discussie over het vrouwelijk lichaam roept de meeste vragen op – en overstijgt daarmee het individuele bevallingsverhaal.