Byatts wachtende wereld
🖋 Leen Huet


Life Writing is veeleer een nieuw academisch begrip dan een nieuw genre; weerspiegelt wellicht een nieuw inzicht van literatuurwetenschappers: een en dezelfde persoon kan wetenschapper en kunstenaar zijn, kunst bevrucht wetenschap en omgekeerd.

Essay uit dBNg 2016#6, door Leen Huet
Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement!


    • A.S. Byatt, Possession: A Romance (Chatto & Windus 1990; Vintage 2007), 528 blz. (bestel)
    • vertaald als: Obsessie (Altamira 1991; De Bezige Bij 2016; vert. Gerda Baardman & Marian Lameris), 656 blz. (bestel)
    • A.S. Byatt, The Children’s Book: A Novel (Chatto & Windus 2009), 675 blz. (bestel)
    • vertaald als: Het boek van de kinderen (De Bezige Bij 2010; vert. Gerda Baardman & Marian Lameris), 752 blz. (bestel)
    • A.S. Byatt, Ragnarok: The End of the Gods (Canongate 2011), 192 blz. (bestel)
    • vertaald als: Ragnarok: de ondergang van de goden (De Bezige Bij 2011; vert. Gerda Baardman & Marian Lameris), 192 blz. (uitverkocht)
    • A.S. Byatt, Peacock & Vine: Fortuny and Morris in Life and at Work (Chatto & Windus 2016), 192 blz. (bestel)
    • vertaald als: Pauw en Wijnrank: over Jugendstil-kunstenaars William Morris en Mariano Fortuny (De Bezige Bij 2016; vert. Huub Stegeman), 192 blz. (bestel)

byatt-1 byatt-2 byatt-3 byatt-4 byatt-5 byatt-6byatt-7 byatt-8

Sinds enkele jaren nemen de boeken van A.S. Byatt een bijzondere plaats in op mijn rekken en in mijn geheugen. Niet dat ik er als de kippen bij was om haar te ontdekken: The Children’s Book (2009), Ragnarok (2011) en Peacock & Vine (2016) las ik zodra ze verschenen. Daarna begon ik terug te gaan in Byatts scheppingstijd en haalde ik Possession (1990) in huis. Ik vermoed dat nu weldra het ogenblik zal aanbreken waarop ik The Biographer’s Tale bestel. Er zijn enkele schrijvers bij wie ik het betreur dat ik hun werk niet in chronologische volgorde heb gelezen, dat ik het niet heb gezien toen het aarzelend zijn weg in de wereld zocht. Waarom las ik The Patrick Melrose Novels pas als omnibus, waarom wist ik niet eerder af van het bestaan van Edward St. Aubyn, waarom heb ik zijn eerste roman er niet uitgepikt toen die onopvallend ergens in een boekhandel te wachten lag? Het is een bijzonder soort spijt, spijt waardoor je je gaat afvragen of de beste literaire verwezenlijkingen van je eigen tijd niet grotendeels onopgemerkt aan je voorbijgaan. Hoeveel tijdgenoten van Proust lazen Proust? Niet veel wellicht, maar genoeg om het werk de eer te bewijzen die het verdiende en het over te dragen aan de volgende generaties. Een elitaire bezigheid, dat waarderen, bewaren en vererven. Bestaan zulke elites nog en zo ja, hebben ze nog voldoende slagkracht om hun taak te vervullen? De Nobelprijs literatuur voor Bob Dylan heeft de vraag onlangs opnieuw scherp gesteld.

Dame A. S. Byatt ontvangt dit jaar alvast de Praemium Erasmianum. Misschien doet het haar genoegen om een prijs te krijgen die ook Marguerite Yourcenar toeviel, in 1983. Ik zie wel wat gelijkenissen tussen beide grandes dames. Yourcenar schreef een fictieve autobiografie van keizer Hadrianus, een fictieve biografie (alias roman) over de humanist Zeno Ligre en een onvergetelijke geschiedenis van haar Belgisch-Franse familie in drie delen. Byatt schrijft romans over biografen en romans over hele generaties wier historische lotgevallen ze ons laat meebeleven: wie The Children’s Book leest en ziet hoe al de jonge mannelijke hoofdpersonen in de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog belanden, ervaart haast aan den lijve hoe het voelt wanneer de jeugd van een natie vernietigd wordt. Dankzij Byatt hebben we die jongens verdorie zien opgroeien! Daarnaast is A.S. Byatt ook als biografe en essayiste actief. Onder de kop ‘gronden van verlening’ lezen we dat zij de prijs krijgt omwille van haar bevlogen bijdrage aan het genre Life Writing, dat biografieën, historische romans en autobiografieën omvat. Life Writing is veeleer een nieuw academisch begrip dan een nieuw genre. Als academisch begrip weerspiegelt het wellicht een nieuw inzicht van literatuurwetenschappers: een en dezelfde persoon kan wetenschapper en kunstenaar zijn, kunst bevrucht wetenschap en omgekeerd. Zo is het eeuwenlang geweest, totdat de academische wereld het in de tweede helft van de twintigste eeuw uit het oog verloor. Byatts voorliefde voor biografieën en de lotgevallen van biografen herinnert me in elk geval op aangename wijze aan de uitgangspunten van Virginia Woolf, zelf de dochter van een superbiograaf (als je de uitgever van de Dictionary of National Biography zo mag noemen) en de schrijfster van de roman Orlando. A Biography, van een fictieve groepsbiografie (The Waves) en van twee biografieën: een van haar vriend, de kunstenaar  Roger Fry, en een van het hondje van de dichteres Elisabeth Barrett Browning (Flush).

Omwille van het intellectualistische karakter van haar werk wordt A.S. Byatt soms vergeleken met de negentiende-eeuwse schrijfster George Eliot, een filosofisch ingestelde auteur wier romans uitblinken in psychologische analyse. Niemand laat personages zulke morele dilemma’s doorworstelen als George Eliot, dilemma’s die je als lezer op een beklemmende manier meebeleeft. Een meisje gaat de trap af, vastbesloten een huwelijksaanzoek te weigeren, omdat ze weet dat dit huwelijk haar zal kapotmaken, en beneden aangekomen zegt ze ‘ja’. Het is alsof je langs de rand van de afgrond loopt, vastbesloten om vaste grond onder de voeten te houden, en dan toch springt, misschien een fractie van een seconde vol vreugde omdat je alles aan je laars lapt, ook zelfbehoud, rede, gevoel en instinct. In interviews bevestigt Byatt deze verwantschap en betuigt ze ook haar liefde voor George Eliots essays. Eliot was een geboren essayiste die later geniale romans schreef, een bemoedigende combinatie. In de literatuur van de twintigste eeuw verwijst Byatt naar de romans van D.H. Lawrence als bakens, omdat hij net als George Eliot het leven in de provincie, ver van Londen, in beeld bracht. Het meest wordt ze echter aangetrokken door het werk van Iris Murdoch. Murdoch schreef filosofische romans met een mythologische ondertoon. Byatts liefde voor sprookjes en mythen, met name de Noorse mythologie, is een heerlijke en verleidelijke constante op haar bladzijden. Van alle literaire voorouders die Byatt vermeldt, is Iris Murdoch de enige die ik niet in haar stamboom kan plaatsen. Wanneer ik een roman van Iris Murdoch lees, ben ik alles vijf minuten na de laatste woorden op de laatste bladzijde al vergeten. Niets beklijft. Terwijl ik uit Byatts boeken zoveel scènes onthoud, overdenk, en op de duur beschouw als vaste onderdelen van mijn mentale decor.

Possession

Possession is verfilmd met Gwyneth Paltrow in een hoofdrol; zonder twijfel is dit dus het boek waarmee A. S. Byatt bekend geraakte bij een groot publiek. Terecht, want wie zou vermoeden dat een roman die begint met een verwijzing naar Principj di Scienza nuova van Giambattista Vico en een stel negentiende-eeuwse dichters zo spannend kan zijn? Byatt leverde hier een opmerkelijke krachttoer, waarmee ze zowel de romantiek van het hedendaagse geleerdenbestaan vierde (een onbekende liefdesbrief ontdekken van een dode dichter, is er iets mooiers?) als de rijkdom van de Victoriaanse poëzie. Ze verrijkte het corpus van die Victoriaanse poëzie zelfs: de versregels die ze schreef in naam van haar personages Henry Randolph Ash en zijn geliefde Christabel LaMotte zouden niet misstaan in een bloemlezing van negentiende-eeuwse dichtkunst. Zulk een topprestatie heb ik niet meer gelezen sinds Vladimir Nabokov een lang gedicht schreef als hoofdbestanddeel van zijn roman Pale Fire (1962). Byatt voorzag haar personages bovendien van brieven, kladversies van die brieven en dagboekaantekeningen; voor het oeuvre van Christabel LaMotte bedacht ze een bundel sprookjes met een onmiskenbaar Victoriaanse inslag. Al die elementen leiden tot een tragisch liefdesverhaal van haast ondraaglijke intensiteit. De liefde tussen Ash en LaMotte herinnert losjes aan de lotgevallen van Robert Browning en Elisabeth Barrett, maar ook aan die van George Eliot en de gehuwde man met wie ze jarenlang haar leven deelde. De echte George Eliot ontmoeten we overigens al in het eerste hoofdstuk. Hoofdpersoon Roland Michell mijmert over zijn liefde voor de London Library. ‘Hier was Carlyle naartoe gekomen, hier had George Eliot tussen de boekenrekken geschreden. Roland zag haar zwarte zijden rokken, haar fluwelen slepen samengedrukt voortzwieren tussen de Kerkvaders, en hoorde haar vaste voet weerklinken op metaal tussen de Duitse dichters.’

De liefde tussen Ash en Christabel volstaat om een lezer wekenlang in trance te houden. Hoofdpersoon Roland Michell biedt een goed beeld van een wat treurig universitair milieu in 1986, met te weinig middelen, te kleine werkbeurzen, uitzichtloze baantjes. ‘Hij beschouwde zichzelf als een laatkomer. Hij was te laat gekomen voor dingen die nog in de lucht hingen maar verdwenen waren, die hele gisting en helderheid en reislust en jeugd van de sixties, de zalige dageraad van wat hij en zijn leeftijdsgenoten beleefden als een nogal lege dag.’ Byatt schittert ook met nevenpersonages. Zo is er de literatuurhistorica van meer dan middelbare leeftijd, dr. Beatrice Nest, gespecialiseerd in de nalatenschap van de vrouw van Henry Randolph Ash. Het leven van dr. Nest is verpest door haar immense boezem, en meer nog door het feit dat dokters tijdens haar jeugd adviseerden om zulke boezems geen extra ondersteuning te verlenen. ‘Een andere vrouw had ermee kunnen pronken, had ze trots voor zich uit kunnen dragen, grandioos in een decolleté gemodelleerd. Beatrice Nest propte ze in een grootmoederlijke, neerwaarts neigende soutien-gorge en spande er zelfgebreide truien over…’. Wie kent er geen half-tragische Beatrice Nest? Voorts zijn er de Baileys, verarmde kasteelbewoners, een oude man en zijn verlamde vrouw die in een paar kamers leven op hun afgelegen domein. Zonder in veel details te treden laat Byatt je voelen hoe moeilijk hun dagelijks leven is, hoe dapper en koppig ze doorgaan met alles.

Byatt doet nog meer dan twee verschillende historische periodes – de victoriaanse tijd en het jaar 1986 waarin Roland Michell en Maud Bailey op zoek gaan naar sporen van Ash en LaMotte – op een briljante manier reconstrueren. Ze suggereert ook iets duisters en zeer persoonlijks in het leven van Christabel LaMotte: Christabels onoverwinnelijke afkeer van haar zwangerschap en de geboorte van haar kind, de slavernij en vernedering waartoe een vrouw herleid wordt door die ingrijpende lichamelijke verschijnselen, het gevoel dat haar vrijheid en haar artistieke talent bruusk afgenomen werden. In onze tijd van geïdealiseerd moederschap is het een al even verrassende wending als in de negentiende eeuw, met als symbool de voluptueuze en voortdurend barende koningin Victoria.

The Children’s Book

Byatts magnum opus The Children’s Book behandelt de volgende generatie: niet langer de victorianen, maar de vroege edwardianen. Ditmaal treden er plastische kunstenaars voor het voetlicht, onder wie een opmerkelijke pottenbakker, Benedict Fludd. Keramiek is een lievelingsthema van Byatt: haar voorouders waren pottenbakkers uit de streek van Staffordshire. De roman begint met de ontdekking, of vangst, van een jonge zwerver in het Victoria & Albert Museum. Philip Warren is weggelopen uit Burslem om te schetsen en dingen te leren in het museum. Hij wordt opgevangen door een kunstzinnig gezin, de Wellwoods, weldenkende aanhangers van The Fabian Society en voorvechters van rationele sociale rechtvaardigheid. Lezers die dachten dat idealisme, anarchisme, socialisme en vrije liefde een uitvinding van de jaren 1960 zijn, zullen met dit boek vreemde uren beleven. The Fabians waren de soixante-huitards van de negentiende eeuw, vaak even moreel zelfvoldaan en veeleisend als hun opvolgers uit de tweede helft van de twintigste eeuw. De sfeer is doordrenkt van de kunstwerken van de prerafaëlieten, William Morris en de Arts & Crafts Movement. De kinderen uit de titel betalen de rekening van de erotische experimenteerdrift en het verborgen egoïsme van hun ouders: niet alleen moeten ze allemaal in het reine zien te komen met de nieuwe vormen van hypocrisie en taboe waaraan ze worden onderworpen, de jongens moeten ook nog eens de Eerste Wereldoorlog gaan uitvechten. The Children’s Book is een boek over de manieren waarop kinderen door hun ouders met de beste bedoelingen (of misschien ook niet) worden mismeesterd en opgeofferd. Een enkel voorbeeld: de jonge Philip Warren gaat in de leer bij Benedict Fludd en komt er al snel achter dat Fludd incest pleegt met zijn dochters. Het verhaal is wellicht gebaseerd op de levensloop van de beeldhouwer en typograaf Eric Gill. Philip Warren is overigens de echte held in deze roman: ‘I want to make something,’ zegt hij wanneer hij betrapt wordt in het museum. Dat diepe streven deelt hij met de schrijfster.

Ragnarok, Peacock & Vine en verder

Boeken brengen andere boeken voort, het is een duidelijk waarneembaar proces bij A.S. Byatt. In Possession schonk ze haar victoriaanse dichter Henry Randolph Ash een meesterwerk met de titel Ragnarok. In 2011 publiceerde Byatt zélf een boek met de titel Ragnarok. The End of the Gods. Byatts Ragnarok biedt fascinerende lectuur en herkenning (om de waarheid te zeggen had ik uit mijn eigen jeugdboeken over Noorse mythologie alleen de hengst Sleipnir onthouden, en het verhaal van Baldur en Loki). Vooral haar mythologische monsters zijn doeltreffend: de sensuele slang Jörmungandr blijft door mijn gedachten kronkelen. Byatt beschrijft hoe ze als kind de verhalen over de wilde jacht las en daarbij dacht aan haar vader, een RAF-piloot hoog in het nachtelijke luchtruim, strijdend tegen de nazi’s. Wat Byatt sinds die tijd in de Noorse mythologie aanspreekt, is de mogelijkheid, ja de onafwendbaarheid van ondergang en einde. Er komt een eindstrijd, waarin reuzen, goden, de hele geschapen wereld en alle natuurwetten ten onder gaan. En daarna is het afgelopen. Deze mythologie van de totale vernietiging vindt in onze tijd zeker weerklank. Kan ecologisch bewustzijn onze wereld redden?

In afwachting van de totale vernietiging kan een mens nog altijd nadenken en genoegen beleven aan het werk van bewonderde kunstenaars. Byatts recente onderzoek naar gelijkenis en verschil tussen haar held William Morris en de Venetiaanse ontwerper Mariano Fortuny mondde uit in het elegant kronkelende essay Peacock & Vine. De lezer reist mee van Kelmscott Manor naar Palazzo Fortuny in Venetië, ziet zwoele prerafaëlitische vrouwen in groen fluweel en blauwe zijde en Amerikaanse actrices in de beroemde gewaden van Fortuny. Peacock & Vine is een juweel voor Anglofielen en aanbidders van de lagunestad, opmerkelijk mooi vormgegeven voor een commerciële uitgave.

Vind ik het erg dat ik A.S. Byatt laat heb ontdekt en haar ontwikkeling niet heb gevolgd? Nee. Ik weet nu dat er nog een hele wereld op me ligt te wachten: zorgvuldig opgebouwd, vol van intelligent design, verrukkelijke details, nieuwe ontdekkingen. A.S. Byatt maakte die wereld en ik kan hem betreden wanneer ik zin heb. De idee van de kunstenaar als een gulle schenker behoort tot mijn persoonlijke mythologie (‘gij hebt het om niet ontvangen, geeft het om niet’) en A.S. Byatt beantwoordt in alle opzichten aan de mooiste voorbeelden van het type. Dankbaarheid is, voor zover ik kan zien, in die situatie de enige passende gemoedstoestand.