Fictie / non-fictie: een kritiek, door Maarten Asscher


Hoewel het begrip life writing een zeker nut heeft, verhult het als we niet uitkijken meer dan het verheldert. Over het contract met de lezer en over moraal op de dunne lijn tussen fictie en non-fictie, aan de hand van Anne Frank en Christophe Boltanski.

Essay uit dBNg 2016#6, door Maarten Asscher
Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement


  • Christophe Boltanski, La Cache (Stock 2015), 344 blz. (bestel)
  • vertaald als: De schuilplaats (Cossee 2016; vert. Prescilla van Zoest), 288 blz. (bestel)

boltanski-1

Is Het achterhuis van Anne Frank een ‘roman’? Nee, natuurlijk niet, zo zal ieder verstandig mens direct antwoorden. Anne Franks dagboek is een autobiografisch werk. Zeker, er is in een (gedeeltelijke) redactie en herschikking een bewust literaire vorm aan gegeven, ook doordat de auteur haar aantekeningen tot een fictieve vriendin Kitty richt. Toch lijdt het geen twijfel dat de jeugdige schrijfster de bedoeling had – en die ook heeft uitgevoerd – de door haar ervaren werkelijkheid te beschrijven, als lid van een joods gezin dat tijdens de Duitse bezetting van Nederland in de jaren ’40-’45 moet onderduiken. Ook wanneer een boek als Het achterhuis vandaag de dag zou uitkomen, zou het niet als roman worden uitgegeven, maar als dagboek, als autobiografisch boek, als persoonlijke geschiedenis of familiegeschiedenis, in elk geval als non-fictie. Aan het woord roman kleeft de associatie van verzinsels, van fantasie, en de kracht van de getuigenis van Anne Frank is juist de authenticiteit, het feit dat wat centraal staat de waarheid is, althans oprechtheid en niets dan oprechtheid, zoals dat bij getuigenissen hoort.

boltanski-2Nu is het rare dat deze observaties, waaraan een zekere vanzelfsprekendheid niet kan worden ontzegd – zozeer zelfs dat het open deuren lijken – in de hedendaagse Franse literaire wereld volstrekt anders worden ervaren. Neem het veelgeprezen boek La Cache (De schuilplaats) van Christophe Boltanski. Ook in dat geval gaat het om een persoonlijk, autobiografisch werk. Het is een familiegeschiedenis, geschreven door een lid van een bekende Frans-joodse familie, die wetenschappers, kunstenaars, dokters en journalisten heeft voortgebracht, en die een appartement bewoonde in een fraai huis aan de rue de Grenelle in het Parijse 7de arrondissement. Toevallig was ook in dat huis, net als in het geval van de Prinsengracht 263 in Amsterdam, in de bezettingsjaren sprake van een onderduikplaats, een gegeven dat in de titel van het boek tot uitdrukking wordt gebracht – afgezien van de meer overdrachtelijke verwijzing naar de beklemmende beschutting die de verteller van kinds af aan in het huis als geheel heeft ondervonden. Vanaf zijn eerste publicatie in Frankrijk in de herfst van 2015 is het boek van Boltanski zonder reserve als roman betiteld en door literaire recensenten en jury’s ook als zodanig opgevat. Het kreeg zelfs de prestigieuze Prix Femina 2015, terwijl voor literaire non-fictie ieder jaar nadrukkelijk een aparte essay-versie van de Prix Femina wordt toegekend.

De vraag is dan: is hier sprake van een verschil tussen de Franse en de Nederlandse literaire cultuur? Wordt hetzelfde soort boek in het ene Europese land als roman gezien en in het andere als non-fictie? Of heeft deze ogenschijnlijke discrepantie te maken met de vijfenzeventig jaren die de publicatie van Boltanski’s roman scheiden van de eerste verschijning van Anne Franks Achterhuis?

https___commons-m-wikimedia-org_wiki_file_p1110287_paris_vii_rue_de_grenelle_n100_rwk beste-prinsengracht-263-amsterdam-img_9191
100 Rue de Grenelle, Parijs                                              Prinsengracht 263, Amsterdam

Nonfictionaliseren

Voordat op die vragen een mogelijk antwoord kan komen, is er eerst iets anders dat de aandacht opeist en dat is de constatering dat verhalend literair proza, in het bijzonder het daarin dominante genre van de roman, in onze tijd steeds meer lijkt te ‘nonfictionaliseren’. Zowel in Frankrijk als in Nederland worden romans in de publiciteit en zelfs in de literatuurkritiek bij voorkeur aangeduid met het onderwerp dat in het verzonnen verhaal centraal staat en ze worden steeds minder gerangschikt naar stijl, naar vorm of naar het subgenre waartoe ze behoren (zoals de ideeënroman, de Bildungsroman, de autobiografische of de historische roman). Men spreekt van een roman die ‘gaat over’ een zeker onderwerp: over een groepje mensen dat… of over een jonge vrouw die… alsof het niet een werk van de verbeelding betreft, maar een boek dat in de vorm van een of meer verhalen een onderwerp ‘behandelt’. Zie bijvoorbeeld de manier waarop de recente roman De meisjes van Emma Cline bijna als een uitgeschreven documentaire in plaats van een literair werk werd ingehaald. Dit is een algemene tendens, waarvan zowel uit de Europese als uit de Amerikaanse literatuur vele voorbeelden van te geven zijn.

Schrijvers zelf dragen bij aan deze ontwikkeling, met de zeer nadrukkelijke nieuwswaardige of expliciet door de (contemporaine) geschiedenis gevoede wijze waarop zij hun romans opzetten. Literair engagement lijkt soms synoniem met nieuws- en onthullingswaarde, in plaats van met een in taal uitgedrukte betrokkenheid op de wereld. Op haar beurt verwacht die wereld tegenwoordig van schrijvers dat ze zich binnen enkele jaren in een nieuw werk verhouden tot grote actuele gebeurtenissen als 9/11, de ramp met de MH17 of de vluchtelingenproblematiek.

Tegen die achtergrond komt alles wat in hoofdzaak de eigen of andermans levensgeschiedenis betreft in één en dezelfde categorie terecht, of het nu om fictie gaat of om non-fictie. Deze brede categorie ‘geschriften over menselijke lotgevallen’ wordt de laatste jaren op steeds meer plaatsen, binnen en buiten de universiteit, omschreven als life writing. Met die term worden niet alleen memoires, biografieën en dagboeken aangeduid, maar ook autobiografische romans, fictieve verhalen waarin een historisch personage een belangrijke rol vervult en romans waarvan het geheugen van de verteller de drijvende kracht is. Wat er ook verder te zeggen valt van de term life writing als vergaarbak van persoonlijke of op personen gerichte non-fictie en fictie, het is in elk geval een tamelijk gemakkelijk hanteerbaar begrip, dat dan ook zowel in de Angelsaksische als in de continentaal-Europese literatuur door wetenschapper en critici steeds gemakkelijker in de mond wordt genomen.

De vraag is wel of een dergelijke indeling in life writing versus non-life writing wel enig betekenisvol doel dient, ook in inhoudelijk, menselijk of liever nog moreel opzicht. De vraag of een boek door de auteur wel of geen roman wordt genoemd heeft immers niet slechts literair-terminologische aspecten, maar is ook verbonden met de drijfveren, de betrouwbaarheid en dus het morele gehalte van een boek. Het achterhuis van Anne Frank en De schuilplaats van Christophe Boltanski behoren beide tot deze nieuwe categorie van life writing, maar wat zegt mij dat?

De voordelen van een roman

Dat niemand erover zou piekeren om Anne Franks onderduikdagboek toen of nu als roman te betitelen is zo duidelijk als wat en behoeft geen verdere argumentatie. Dat werd en wordt in Frankrijk bij publicatie van dergelijke authentieke dagboeken ook niet gedaan, getuige bijvoorbeeld de sprankelende dagboekaantekeningen van Denise Bardet, een jonge schoolonderwijzeres uit het noodlottige dorpje Oradour-sur-Glane, die ook meer dan vijftig jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog gewoon als Cahiers de Jeunesse werden uitgegeven (Éditions Lucien Souny, 2002). Maar de vraag waarom het autobiografische familieboek van Christophe Boltanski wél als roman de wereld in gestuurd wordt, ligt ingewikkelder. Zoals gezegd hebben we hier te maken met een pure familiegeschiedenis, gevuld met grootouders, ouders, een broer en een zus, ooms en tantes, sommigen onbekend, anderen tamelijk beroemd, zoals de oom van de auteur, de kunstenaar Christian Boltanski. Waarom zou je een boek dat zo overduidelijk uit de reëel bestaande werkelijkheid voortkomt, als roman de wereld in sturen? Volgens mij zijn daar vier redenen voor te bedenken.

1) In het boek van Boltanski komen twee tradities uit de Franse literatuur samen. De ene is de literaire traditie van het persoonlijke geschrift, de ‘eenpersoonsreflectie’ op de wereld en op de eigen herkomst, positie en betekenis daarin. Die traditie dateert al uit de zestiende eeuw (Montaigne) en kreeg aan het eind van de achttiende eeuw met Rousseau een breder toepasbare vorm, waarin de innerlijke roerselen van een auteur als verhaal van een leven worden verteld. De tweede traditie is die van Proust, die de grote negentiende-eeuwse Franse roman omvormde tot een allesomvattend herinneringsonderzoek naar de wereld waarin hij leefde. La Cache van Boltanski ontleent aan de essayistisch-autobiografische traditie van Montaigne/Rousseau de belofte aan de lezer dat de familieherinneringen die hij gaat lezen een persoonlijke waarheid weerspiegelen. Aan het voorbeeld van Proust (en diens navolgers, zoals Georges Perec) dankt Boltanski de mogelijkheid om zijn strikt persoonlijke herinneringen op gelijke wijze geloofwaardig en in kunstzinnig opzicht even aanvaardbaar te maken als de verzinsels in een roman. Of zoals Le Figaro het als een vanzelfsprekendheid formuleerde in zijn bespreking van het boek: ‘L’histoire est vraie, les personnages existent, mais ce récit ne pouvait tenir que dans un roman.’

2) De tweede reden voor Boltanski om La Cache een roman te noemen is banaler en heeft te maken met het prestige van de romanschrijver in het Franse openbare en culturele leven. Boltanski is van beroep journalist, hij is verslaggever bij het weekblad Le Nouvel Observateur. Door de geschiedenis van zijn familie en het huis van zijn grootouders een roman te noemen, betreedt hij in intellectueel-cultureel opzicht een hoger maatschappelijk plateau. De neerbuigende connotatie van het woord roman (of zelfs ‘romannetje’), zoals die in het Nederland bestaat (avontuurlijke en sentimentele verzinsels, onwetenschappelijkheid, tijdverspilling) bestaat als zodanig in Frankrijk niet. Een oud-président als Valéry Giscard d’Estaing heeft sinds het einde van zijn presidentschap diverse romans geschreven. Of die nou goed zijn of niet, zelfs voor een voormalig president van de Republiek wordt het publiceren van romans als een stap omhoog gezien.

3) Een met dat prestige samenhangend, maar daar wel van te onderscheiden aspect is dat een boek waar roman op staat in Frankrijk beter verkoopt. Het wordt beter bij aanbieding ingekocht, het komt meer onder de aandacht van literaire jury’s, het ligt prominenter op tafels en in etalages van de boekhandel, het maakt deel uit van de rentrée met alle andere nieuwe romans, er wordt in recensies uitvoeriger op ingegaan, enzovoort. Ik betwijfel of dat ook in Nederland zo is (misschien geldt bij ons zelfs het omgekeerde), maar dat het in Frankrijk het geval is, staat buiten kijf, en deze opportunistische status van het begrip roman wordt ook door Franse uitgevers niet ontkend.

4) De vierde en meest interessante reden waarom Christophe Boltanski zijn boek La Cache een roman heeft genoemd is dat je als auteur onder de vlag van een roman veel meer ruimte hebt ten opzichte van zowel de feiten als de gevoeligheden in de geschiedenissen die je gaat beschrijven. Dat effect speelt in de Nederlandse literaire cultuur precies zo, getuige de boeken van nadrukkelijk autobiografische auteurs als Adriaan van Dis, Lieve Joris, Boudewijn Büch en vele anderen. Niet de aantoonbare juistheid van de gepresenteerde feiten is hier het criterium voor geloofwaardigheid, maar de kunstzinnige aannemelijkheid, het beeldend taalvermogen en de algehele overtuigingskracht van een tekst. Wanneer je als auteur je eigen familiegeschiedenis een roman noemt, kun je in feite – indien je er het schrijverschap voor in huis hebt – overal mee wegkomen, zelfs met de waarheid.

Life writing

Als er in de academische wereld, en vooral bij de onderzoeksfinanciering van en bestuurlijke omgang met de literatuurwetenschap voordelen te behalen zijn door het hanteren van een concept als life writing, dan ben ik daar beslist niet tegen, net als in het geval van de epidemische opwinding over het fenomeen ‘digital humanities’, dat vele mogelijkheden heeft gecreëerd. Als we maar voor ogen houden dat een zuivere beoordeling van literaire teksten, in het bijzonder de vergelijkende, historische en zelfs morele aspecten die daarbij een rol spelen, niet gediend is met toepassing van een allesomvattende categorie ‘life writing’. Het is een beetje als een fles ketchup op tafel zetten: je kunt het overal op doen, maar alles gaat hetzelfde smaken.