A.S. Byatt, op zoek naar hereniging van intellect en passie, door Margot Dijkgraaf


logo-erasmusprijsWat maakt het werk van A.S. Byatt zo bijzonder, zo humanistisch en zo Europees? Margot Dijkgraaf, de afgelopen tien jaar vice-voorzitter van het bestuur dat Byatt dit jaar de Erasmusprijs toekende, probeert er haar vinger erop te leggen. Een laudatio.

Essay uit dBNg 2016#6, door Margot Dijkgraaf
 Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement

  • A.S. Byatt, On Histories and Stories: Selected Essays (Chatto & Windus 2000; Vintage 2001; Harvard University Press 2010), 208 blz. (bestel)
  • A.S. Byatt, Portraits in Fiction (Chatto & Windus 2001; Vintage 2002), 112 blz. (bestel)
  • A.S. Byatt, Possession: A Romance (Chatto & Windus 1990; Vintage 2007), 528 blz. (bestel)
  • vertaald als: Obsessie (Altamira 1991; De Bezige Bij 2016; vert. Gerda Baardman & Marian Lameris), 656 blz. (bestel)
  • A.S. Byatt, The Children’s Book: A Novel (Chatto & Windus 2009), 675 blz. (bestel)
  • vertaald als: Het boek van de kinderen (De Bezige Bij 2010; vert. Gerda Baardman & Marian Lameris), 752 blz. (bestel)
  • A.S. Byatt, Ragnarok: The End of the Gods (Canongate 2011), 192 blz. (bestel)
  • vertaald als: Ragnarok: de ondergang van de goden (De Bezige Bij 2011; vert. Gerda Baardman & Marian Lameris), 192 blz. (uitverkocht)
  • A.S. Byatt, Peacock & Vine: Fortuny and Morris in Life and at Work (Chatto & Windus 2016), 192 blz. (bestel)
  • vertaald als: Pauw en Wijnrank: over Jugendstil-kunstenaars William Morris en Mariano Fortuny (De Bezige Bij 2016; vert. Huub Stegeman), 192 blz. (bestel)

beeld-dijkgraaf-op-zoek-naar-hereniging-van-intellect-en-passie

In het korte verhaal ‘A Lamia in the Cévennes’ verhuist een Britse schilder, Bernard, van Londen naar de Cevennen. Hij koopt een stenen huis met een atelier en laat een zwembad aanleggen. Een mooi blauw zwembad, op de wanden een mozaïek van dolfijnen. Hij bestudeert het blauw, dat naarmate het weer verandert, eindeloos wisselt van kleur. Het wordt een obsessie die kleur te vangen in een schilderij. ‘Why does this matter so much?’ vraagt hij zich af, wat maakt het uit of ik erin slaag of niet? Een algenplaag treft het zwembad, het wordt geleegd en opnieuw gevuld, dit keer met water uit de rivier. Er komen kleine visjes mee, kikkers. Maar ook ‘something very large, something coiled in two intertwined figures of eight and like no snake he had ever seen, a velvety-black, it seemed, with long bars of crimson and peacock-eyed spots, gold, green, blue, mixed with silver moonshapes, all of which appeared to dim and brighten and breathe under the deep water’. Het verhaal verandert in een sprookje: een kus zal de slang, een Lamia, een betoverde geest, doen veranderen in een mooie vrouw. Bernard wil maar één ding: de Lamia portretteren, het kleurenpalet van het zwembadwater is opnieuw veranderd, eindeloos probeert hij de kleuren te vangen met zijn verf en penseel. Uiteindelijk wordt een vriend van Bernard door de Lamia gekust, stralend vertrekken ze samen, na het ontbijt. Op de achtergelaten perzikschillen ziet Bernard een vlinder zitten, ‘it was a rich, gleaming intense purple, and then it was orange-gold and purple-veiled, and then it was purple again, and then it folded its wings and the undersides had a purple eye and a soft green streak, and tan, and white edged with charcoal.’ Zijn passie vindt een nieuwe invulling, nu gaat het hem om het weergeven van de kleuren van de vlindervleugels. Hij gaat er helemaal in op. ‘He was happy, in one of the ways in which human beings are happy’.

Het is een typisch Byatt-verhaal, met meesterhand geschreven, compact, suggestief, en zonder een woord te veel. Een verhaal waarin emoties of psychologie er niet toe doen, het gaat om de analyse van een idee, om een zoektocht. Het is een verhaal dat vanuit een realistisch begin ineens een ander register bespeelt, van de werkelijkheid in een sprookje verandert. Een verhaal ook dat draait om een van de kernthema’s uit Byatts oeuvre, haar obsessie voor het scheppen, haar passie voor het kijken. ‘I am obsessed by light’, zegt Byatt in een documentaire over haar leven en werk, ‘colour defeats language’. [1] Bernard is niet geïnteresseerd in het zwemmen op zich, niet in de vrouw die hem ten deel kan vallen, hij wil met zijn penseel de kleuren vatten, eindeloos experimenteren, doorgaan tot hij er is. Steeds weer opnieuw. In Byatts werk wemelt het van de kunstenaars met een passie, van Obsessie tot Pauw en wijnrank, van The Matisse Stories tot Elementals, de bundel waarin dit verhaal staat, steeds cirkelt Byatt rond dit thema. Voortdurend vernieuwend, eindeloos variërend.

Wording

Wie haar ontmoet is onder de indruk van haar waardigheid, haar scherpe geest, haar wetenschappelijke interesse, haar brede kennis van de literatuur, haar eruditie. In de loop der jaren viel dat geluk mij meermalen ten deel, één keer voor een openbaar interview in Lyon. Zoals voor ieder optreden dronk ze eerst een glas champagne. Daarna voerden we een gesprek over haar ‘fantômes littéraires’, de literaire helden die haar gevormd hebben. Het panorama liep van Borges naar Lévy-Strauss, van Zinoviev naar Mary McCarthy, van Patricia Highsmith naar Marguerite Yourcenar, van Arthur Koestler naar Octavio Paz. ‘Mijn hele oeuvre is een zoektocht naar het verloren paradijs, waar het intellect en de passie opnieuw herenigd zijn’, zei ze bij die gelegenheid.

Byatt (1936) groeide op in York, in een gezin met vier kinderen (een ervan is de schrijfster Margaret Drabble). Haar vader was kantonrechter, haar moeder, die een letterenstudie had gedaan, was huisvrouw. Ze was er diep ongelukkig over, iets waarover Byatt vaak heeft gesproken. In het gezin waren veel spanningen en conflicten, haar moeder was ongelukkig omdat ze niet mocht werken en het gevoel had dat ze niets van haar leven kon maken. [2] Sporen van die frustratie vind je overal in Byatts werk terug. Byatt: ‘I had this image of coming out from under and seeing the light for a bit and then being shut in a kitchen, which I think happened to women of my generation.’ [3] In 1959 trouwde ze met Ian Charles Byatt, met wie ze een dochter en een zoon kreeg. Hun zoon verongelukte op elfjarige leeftijd, het huwelijk eindigde in 1969. Ze hertrouwde met beleggingsadviseur Peter Duffy, met wie ze nog twee dochters kreeg.

Als kind was Byatt astmatisch en moest ze vaak het bed houden. Zo ontstond haar passie voor lezen. Zo werd ze ook echt Europees, schreef ze eens. [4] In die tijd las ze ongelofelijk veel: de Ilias en de Odyssee, de Arthur-legenden, Noorse en IJslandse sagen, Cicero, Livius maar ook Virgilius, Racine en Thomas Mann. Byatt: ‘I’ve always wanted to be a European simply, you know, for a trivial and profound reason, which is that I’m good at languages. I love countries because I love their languages. I did French, German, Latin, and English at school, and then I learned Italian at Cambridge in order to do Dante. This means that I can actually read European literature with its own rhythms even if I have to have a side-by-side text for the difficult bits.’ [5]

Tijdens haar studie verbleef ze een tijdje in de VS en verdiepte ze zich in de Amerikaanse literatuur. Toen besefte ze pas goed hoe Europees ze was. Hoewel de Amerikaanse literatuur haar boeide, gingen de Amerikaanse schrijvers met wie ze zich bezig hield geen deel uitmaken van haar eigen literaire wereld. Ze kwamen niet echt dichtbij. Dat was wel het geval met schrijvers als Italo Calvino, Umberto Eco, Ismael Kadare, Claudia Magris, Thomas Mann, Cees Nooteboom en Marcel Proust, gelaagde, goed geconstrueerde romans die je op verschillende niveau’s kunt lezen. Het zijn boeken die verwijzen naar de Europese geschiedenis en cultuur – je zou het Byatts definitie van een Europese roman kunnen noemen. Uit heel haar oeuvre blijkt hoezeer ze zich verbonden voelt met het complexe, culturele netwerk van Europa, het Europa dat zoveel historische lagen en culturele kruisbestuiving in zich draagt.

Obsessie

byatt-1Zoeken, speuren, graven in het verleden – het is het beroep van de twee literaire onderzoekers uit Obsessie (1990), het boek waarmee Byatt beroemd werd. De één houdt zich bezig met het leven en werk van een victoriaanse dichter, de ander met dat van een dichteres uit diezelfde tijd. In bibliotheekarchieven diepen zij brieven en kladjes op die suggereren dat deze dichters een gepassioneerde liefdesrelatie gehad zouden kunnen hebben, waarop ze hun verrassende zoektocht gezamenlijk vervolgen. Zelden werd in een roman zo prachtig geïllustreerd hoe werkelijkheid en literatuur door elkaar kunnen lopen, hoe dun de spiegelwand kan zijn tussen realiteit en verbeelding. Voeg daarbij de spanning van een thriller, een dubbel liefdesverhaal en Byatts enorme kennis van het victoriaanse tijdperk en je begrijpt waar het nog steeds voortdurende enthousiasme voor deze roman vandaan komt.

byatt-2Of, zoals de jonge Britse schrijfster Melissa Harrison me zei: ‘Ik las Obsessie en er ging een wereld voor me open. Ik wist niet dat er zoiets was als een academische wereld, ik wist niet wat literatuurkritiek was. Ik kon niet geloven dat een leven kon bestaan uit lezen, nadenken en schrijven. Maar Antonia’s boek liet me zien dat dat kon.’ Later ontmoette ze Byatt: ‘Ze is geestig en nooit pretentieus, het gaat nooit over háár. Ze is ook geen talking head, ze heeft zich niet laten annexeren door de feministische of de ecologische beweging, terwijl ze die wel degelijk een warm hart toedraagt. Alleen in haar kunst, in alles wat ze schrijft, is ze geëngageerd. Ze is altijd nieuwsgierig, stelt vragen, dat is misschien haar belangrijkste eigenschap.’

Vragen stellen, leren en ontdekken, nadenken – Byatt wordt erdoor gedreven. ‘Of je nu een roman leest, of er een schrijft – in beide gevallen doe je een poging iets of iemand te begrijpen’, zei Byatt me ooit. [6] Ze voegde eraan toe dat ze De biograaf, haar boek over de relatie tussen de auteur en het object van de biografie, had geschreven als antwoord op, als tegenstem tegen Obsessie. Ze moest constateren dat ze in beide gevallen uitkwam op hetzelfde: op de onmogelijkheid de ander te kennen. Juist degene die je dierbaar is, is het moeilijkst te doorgronden. Juist hij, of zij, draagt de grootste geheimen met zich mee.

Onderzoekend schrijven, schrijvend onderzoeken

Vrijwel tegelijk met De biograaf verscheen haar essaybundel On Histories and Stories (2000). Daarin verwoordt ze, na jaren Engelse en Amerikaanse literatuur aan de universiteit te hebben gedoceerd, haar kritiek op het postmodernisme. Byatt heeft zichzelf nooit als een echte academica beschouwd: ‘All my academic work has been done for one or two reasons. One was to sort out something I needed to think about as a writer. I never, I think, ever saw it as anything other than a way to earn enough money to write a novel and have a bit of independence, though I do see scholarship as an extremely important and wonderful thing.’

Het schrijverschap ging boven alles, al haar activiteiten dienden dat doel, cirkelden daar omheen. Dat geldt ook voor haar literatuurkritiek. Byatt: ‘I think of my criticism as being “writer’s criticism.” I taught an extramural class for about ten years in London University, and I loved that because that was where I learned the novels you don’t read in an English literature degree. We did Dostoyevsky, Camus, Kafka, Beckett, and we did Thomas Mann, and we did Ulysses, and by the end of it I knew the novel, not just the English novel; I also understood that people of very varying backgrounds when reading novels were interested in almost everything. It teaches you respect for the lay reader.’ [7]

Haar academische carrière heeft haar schrijverschap wel degelijk beïnvloed: ‘I did a lot of my writing as though I was an academic, doing some piece of research as perfectly as possible’. [8] Ze doet veel meer onderzoek dan eigenlijk nodig is, vertelt ze, maar daar heb je alleen maar voordeel van. Hoe meer je studeert, hoe meer je op je gemak bent in de wereld die je beschrijft. ‘It doesn’t encumber you, it makes you free.’ [9]

Juist die kant van gedegen onderzoek in een Europese context is wat literatuurcritica Erica Wagner aanspreekt. ‘Van Byatt leerde ik dat de Britse literatuur onderdeel is van een groter geheel’, zegt de voormalige chef literatuur van dagblad The Times, ‘Byatts werk heeft een enorme diepgang én immense breedte. Ze is een erg Britse schrijver en tegelijkertijd een volstrekt on-Britse schrijver’. Wagner, geboren in Amerika, studeerde in Cambridge, waar ze Obsessie las. ‘Dat boek maakte dat ik wilde schrijven. De complexiteit, de verbinding tussen het verleden en het heden – fantastisch’. Het Frederica kwartet (de vier romans The Virgin in the Garden, Still Life, Babel Tower en A Whistling Woman) noemt Wagner als voorbeeld van Byatts plek in een Britse literaire traditie. ‘Ze verbindt een dorp, een kleine constructie, met de grote wereld. En dan zijn er de mythen, de geschiedenis, de rijke, gedetailleerde stijl’, dat is de andere kant. Wagner interviewde haar meermaals, raakte met haar bevriend. ‘Voor mij is ze een gids. Als ze zich ergens voor interesseert kun je er zeker van zijn dat het ook interessant is.’

On Histories and Stories

9780674008335-lgIn haar essaybundel On Histories and Stories laat Byatt zien hoe haar eigen schrijverschap zich ontwikkelt. In het hoofdstuk getiteld Old tales, new forms vertelt ze dat ze in 1990 voorzitter werd van de jury van de eerste European Literature Prize. Zelf kenschetst Byatt zich als een ‘greedy reader’ [10], bij wie iedere vorm van lezen leidt tot schrijven, ‘alsof dit het enige adequate antwoord is op het plezier en de kracht van het boek’. Vandaar dat ze nieuwsgierig was naar wat er in hedendaags Europa werd geschreven, haar eigen schrijverschap was daar tenslotte ook onderdeel van. Op een avond begon ze in Le nozze di Cadmo e Armonia van de Italiaanse auteur Roberto Calasso en ze werd volledig gegrepen. Ze raakte in de ban van iets dat ze al kende – de Griekse mythologie – maar dat ze nog nooit zo verwoord had gezien, ‘briljante, verknoopte beschouwingen over mythe, verhaal, taal en werkelijkheid’. Ze las Die letzte Welt van de Oostenrijkse schrijver Christoph Ransmayr, Obabakoak van de Baskische auteur Atxaga, werk van Gesualdo Bufalino en Hans Magnus Enzensberger. Langzamerhand ontdekte ze een patroon, een Europese interesse voor ‘storytelling’ en de manier waarop er daarover werd nagedacht. Al die oeuvres speelden met mythen, met ‘het niet te onderdrukken leven van oude verhalen’.

Die auteurs nemen afstand van de klassieke roman, de roman die ‘het Zelf’ bestudeert, en ‘de relatie van dat Zelf tot de sociale en politieke cultuur die hem omgeeft’. Wie zich tegen die klassieke roman verzet, zoekt andere vormen. Van schrijvers wordt zo vaak verwacht dat ze iets beweren over hun tijd, schrijft Byatt, en wie dat niet wil kan anti-romans schrijven, zoals de nouveau romanciers in Frankrijk in de jaren zestig. Maar je kunt ook op zoek gaan naar verhalen die niet bestaan uit allerlei ‘psychologische subtiliteiten’ – zoals de romans die Byatt voor ogen staat – en waar niet meteen allerlei verwijzingen naar het heden uit zijn af te leiden. Dan kom je terecht bij de Vertellingen van duizend-en-een-nacht, bij Decamerone van Boccacio, bij The Canterbury Tales, de Metamorfosen van Ovidius, de sprookjes van Grimm, Hoffman en Hans Andersen. Vanaf dat moment werd Byatt opnieuw gegrepen door de verhalen uit haar kindertijd, de oude verhalen, mythen en sprookjes, en ging ze nader bestuderen in welke vorm, in welke metamorfose ze in de literatuur terugkwamen.

Zo komt Byatt, die zichzelf ooit zag als ‘a self-concious realist’ en zich bezighield met ‘the problems of the real in fiction’ [11], ertoe zich te wijden aan de ‘literary tale’ of de ‘fairy tale’, een genre dat in eerste instantie zover van haar eerste poëtica verwijderd is. Deze ‘alternatieve traditie’ stelt haar in staat op een andere, nieuwe manier te spreken en te schrijven over Europese literatuur en ook de tegenstelling te duiden met de zogenaamde ‘nationale literaturen’. [12]

Homerus, Ovidius en de Noorse mythen en sagen zijn nog springlevend. Auteurs als Claudio Magris, Italo Calvino en Roberto Calasso herschrijven de oude verhalen, geven daarbij commentaar op wat ze doen én op wat storytelling eigenlijk is. Kinderen houden van sprookjes en verhalen, oudere mensen herontdekken ze, schrijft Byatt. [13] Mythen blijven levendig en krachtig, omdat ze eindeloos herhaald worden, ze worden steeds opnieuw vormgegeven. Ze hoeven niet ‘origineel’ of vernieuwend te zijn, of een uitdrukking van het gevoel van het individu, zoals men van een roman verwacht. Bovendien, zo schrijft Byatt, gaan ‘tales and stories’, anders dan romans, bijna altijd over de dood. Michel Butor zei dat we ‘narratieve wezens’ zijn omdat we leven in biologische tijd. En schreef Walter Benjamin niet in zijn essay The Storyteller dat het leven van een mens een verhaal wordt op het moment dat hij sterft? De grote verhalen zijn, net als de Vertellingen van duizend-en-een-nacht en A la recherche du temps perdu, verhalen die de dood uitstellen, die Magere Hein uitdagen. Cees Nooteboom is volgens Byatt een auteur die daarin excelleert, ze noemt met name In de bergen van Nederland en Het volgende verhaal. Deze laatste titel analyseert ze als ‘a collection of stories about and against death’ (On Histories, p. 136), ‘a narrative infinity (..) full of cross-references, connections, metamorphoses both biological and mythological’.

Het boek van de kinderen

byatt-3 Mythen en sagen vinden we in haar latere werk dan ook veel terug. Haar vuistdikke roman Het boek van de kinderen (1992) heeft veel lagen en laat een waaier aan thema’s zien, die draaien rond het begrip ‘verhaal’. Het boek begint op 19 juni 1895, in de Prince Consort Gallery van het South Kensington Museum (sinds 1899 het Victoria & Albert Museum). Twee jongens ontdekken dat een leeftijdsgenootje zich verbergt in de krochten van het museum. De jongen woont in de duistere gewelven, tussen beelden, cherubijnen, zuilen en vazen. Hij slaapt in een crypte, een kerker, tussen ‘gevangenen in de onderwereld of zelfs verdoemden’. Hij blijkt over een ongeëvenaard tekentalent te beschikken en laat een indrukwekkende collectie tekeningen zien, alle in het museum gemaakt. De moeder van een van de jongens, de schrijfster Olive Wellwood, nodigt hem uit mee te gaan naar hun landhuis, waar het midzomerfeest wordt voorbereid.

byatt-4Vanuit die setting, en losjes geïnspireerd op het leven van de schrijfster Edith Nesbitt, brengt Byatt een heel tijdperk in kaart, van 1895 tot en met de Eerste Wereldoorlog. Ze creëert tientallen personages afkomstig uit verschillende Engelse en Duitse families, die in de loop van de jaren ieder hun eigen karaktereigenschappen, hun eigen talenten ontwikkelen en hun eigen lot tegemoet gaan. In het centrum van deze wereld bevindt zich Olive Wellwood, ‘een autoriteit op het gebied van Britse sprookjes’, kostwinner van een altijd uitdijend gezin.

Voor elk van haar kinderen schrijft Olive een boek met verhalen, in een aparte kleur, met de hand versierd. Het zijn verhalen die toegang geven tot een betovering, ‘een ondergrondse wereld vol tunnels, gangen, mijnen en vreemde personen en wezens, goedgezind, kwaadaardig en alles daartussenin.’ De verhalen hebben geen einde, ‘als gesegmenteerde wormen, met haken en ogen waarmee ze aan het volgende, bewegende, kronkelende gedeelte bevestigd konden worden.’ Voor Olive, geboren in een mijnwerkersgezin, zijn haar verhalen ‘het innerlijk leven van het huis, een soort energie.’ Zij is ‘de spinnende fee op zolder, Moeder de Gans die zachtjes zit te snateren, degene die alles bij elkaar houdt’.

In de veelheid van verhaallijnen is er een, over Olive’s oudste zoon Tom, prominent aanwezig. De jongen is geliefd, sociaal, getalenteerd en lijkt voorbestemd voor een grote carrière. Als hij opgroeit trekt hij zich in zichzelf terug, dwaalt hij liever door de natuur dan zich voor te bereiden op toelatingsexamens van de universiteit. Als Olive ‘zijn’ verhaal, over een schaduwloze jongen, tot een toneelstuk maakt, lijkt hij de grond onder zijn voeten te verliezen. Wat eerst exclusief voor hem was, wat tot de verbeelding behoorde, is nu publiek bezit. ‘Hij deed zijn best om niet te denken, er was hem iets ontnomen’, ‘hij zat opgesloten in een kooi en kon niets doen’. Hij loopt het theater uit, het water in. Geheimen, frustraties, dreiging, dood, onderdrukte seksuele begeerte, gewelddadige neigingen – het boek is ervan doordrenkt.

Indrukwekkend is het historische panorama dat Byatt schildert. Nauwgezet en met meesterhand schetst ze de opkomst van de suffragettes, de aanloop naar de wereldoorlog, de Fabian Society, de utopische politieke bewegingen uit die tijd en bijvoorbeeld het bezoek van de familie aan de wereldtentoonstelling in Parijs: het Petit Palais, de galeries, de speelgoedtheaters, marionettenspelen, poppenhuizen, de nieuwe voorzieningen van die tijd, maar vooral de nieuwe trend in de kunsten in die tijd, de art nouveau – alles komt voorbij alsof Byatt er zelf getuige van is geweest.

Ook Byatts feministische kant komt in het boek tot zijn recht. Haar personages constateren dat vrouwen in de samenleving moeten zijn zoals in romans: ‘heiligen, zondaressen, echtgenotes of moeders’, maar nooit ‘ politicus, bankdirecteur, arts of jurist’. Byatts vrouwen bezoeken lezingen over ‘de onrechtvaardige behandeling van vrouwen, die niet vertegenwoordigd waren in het parlement, niet konden stemmen over zaken die hun leven, hun werk, hun gezondheid betroffen’. Waar de wet het woord ‘vrouw’ vermeldt, ‘ging het altijd om een wet die de positie van vrouwen minder vrij, lastiger maakte’. En dan de zenuwziekten! Daar lijden vrouwen aan als ‘gevolg van het woekeren van ongebruikte intelligentie’. Vrouwen moeten het recht krijgen te studeren, eist een personage. Een van hen wil arts worden en komt terecht op een van de ‘vrouweninstituten’ die geen deel uitmaken van de universiteit. De vrouwen leggen er dezelfde examens af als de mannen, maar krijgen er er geen academische graad voor. Het boek eindigt nogal abrupt, net als het leven van de personages die de oorlog worden ingestuurd. Bijna niemand komt terug en wie terugkomt is onherkenbaar verminkt – lichamelijk en geestelijk.

Als lezer ben je onder de indruk van de compositie van Het boek van de kinderen, van de eruditie van de auteur, zonder dat je overigens in die honderden pagina’s een intense band met een van de personages hebt opgebouwd. Daarvoor houdt Byatt je net even te veel op afstand. ‘I wish there to be a literary world in which people are not writing books only about people’s feelings’ zegt Byatt regelmatig. Gevraagd naar haar voorkeur voor jonge Britse auteurs, noemt ze onder andere David Mitchell, Adam Thirlwell and Ali Smith. ‘If you notice, all the ones I like write also about ideas.’ [14] Ideeën, daar gaat het haar om, niet om gevoelens.

Een van de rode lijnen in Het boek van de kinderen is de ontwikkeling van de getalenteerde jonge tekenaar, die in de krochten van het museum ontdekt wordt. Via deze getormenteerde geest onderzoekt Byatt ook in dit boek de relatie tussen leven en kunst, een thema dat je terugvindt in veel van haar werk. Kunst, waanzin, obsessie, zelfmoord, dood – ze zijn in haar oeuvre met elkaar verknoopt, ze gaan in haar personages de strijd aan. Daarin schuilt Byatts manier van portretteren, van life writing, wat zie ik, welk inzicht geeft me dat en hoe verwoord ik dat beeldend in mijn overkoepelende onderzoek? Het zijn de vragen die Byatt zichzelf steeds weer lijkt te stellen.

Portraits in Fiction

9780099429845fsHet portret is een onderwerp waarvoor Byatt zich al haar leven lang interesseert. In haar essay Portraits in Fiction (2001) beschrijft ze hoe ze in 1968 in de ban raakte van de National Portrait Gallery in Londen, toen ze een roman wilde schrijven over de jaren ’50, de tijd van Elizabeth II. Het portret van de vorstin fascineerde haar, ze keerde er steeds naar terug, het werd een obsessie. Uiteindelijk werd het portret het uitgangspunt voor haar roman The Virgin in the Garden. Van kinds af aan, vertelt Byatt, werd ze gegrepen door beelden van de eenzame, intelligente vrouw, die ontsnapte aan haar moeders lot, door slim te zijn en niet te trouwen, maagd te blijven.

De National Portrait Gallery bezit ook een portret van A.S.Byatt, een abstract, kleurrijk schilderij dat bepaald niet levensecht is, maar waarin je Byatt in één oogopslag herkent. Het was een opdracht, een van de zes waartoe het museum jaarlijks besluit. Byatt stond erop dat de schilder Patrick Heron het zou maken. Het was een stoutmoedige keuze van Byatt, maar het is een ongelofelijk mooi portret geworden. Het gaf haar de gelegenheid om model te zitten, na te denken over wat het betekent dat je als model een object bent. Daarna schreef ze het essay Portraits in Fiction. Byatt was verguld dat ze werd opgenomen in het pantheon van de National Portrait Gallery: ‘It really mattered to me, in a curious way. Being in there means you’re part of the culture’. Haar portret vat ze, heel adequaat, samen als ‘a ghostly presence of me’ framed in ‘a somewhat unmanageable blaze of light’. [15]

Portretten in woorden en portretten in verf – in het werk van romanschrijvers komen geschilderde portretten op veel manieren voor. Ze spelen ermee, schrijft Byatt in Portaits in Fiction, soms gebruiken hun personages portretten uit andere tijden en andere plaatsen als spiegels, om zichzelf op een andere manier te bekijken. In A la recherche du temps perdu bijvoorbeeld is Charles Swann verliefd op Odette de Crécy, maar zijn verliefdheid krijgt een extra, esthetische dimensie omdat hij een gelijkenis ziet tussen haar en de vrouwen in de fresco’s van Botticelli. Odette zelf moet niets hebben van de gelijkenis, ze wil niets horen over Botticelli en zodra Swann het schilderij ter sprake brengt, keert Odette zich van hem af.

Die rivaliteit tussen leven en kunst, tussen een vrouw van vlees en bloed en een geschilderd exemplaar analyseert Byatt ook verderop in haar essay. Ze bespreekt Le chef-d’oeuvre inconnu van Balzac, een novelle uit 1831, die hij later invoegde in La Comédie humaine (1846). Ook dit verhaal draait om het schilderen van een portret. Balzacs hoofdpersoon, een schilder, werkt al tien jaar aan het portret van een vrouw. Zijn model voelt dat hij de voorkeur geeft aan de vrouw die hij schildert, boven haarzelf. Als de schilder zijn portret eindelijk laat zien, blijkt hij een chaotisch doek te hebben gemaakt, waarin alleen een voet herkenbaar is.

‘Leven en dood, vrouw, beeld, lijk’, schrijft Byatt, ‘geschreven portretten gaan tussen deze verschillende gedaanten heen en weer’. Dat illustreert ze vervolgens aan de hand van de relatie tussen de schilder Paul Cezanne en de schrijver Emile Zola, jeugdvrienden uit Aix-en-Provence. Cezanne was, vertellen zijn biografen, onder de indruk van Balzacs roman en identificeerde zich met diens schilder, de man die meer hield van zijn eigen creatie, de door hemzelf geschilderde vrouw, dan van de vrouw met wie hij zijn bed deelde.

In zijn roman L’Oeuvre portretteert Zola de groep kunstenaars met wie hij al jaren optrekt, onder wie Manet, Monet en Cezanne. Ook zelf is hij vermomd in het boek aanwezig. In wezen is L’Oeuvre een variant op de roman van Balzac, waarbij Zola de waanzin nog verder voert. De schilder uit de roman van Zola maakt een schilderij van een vrouw die werkelijk de rivaal van zijn vrouw wordt. Hun huwelijk wordt een ménage à trois, de levende vrouw wordt het slachtoffer van de vrouw die als kunstwerk is geschapen. Cezanne meent zich te herkennen in Zola’s waanzinnige schilder, voelt zich gekwetst en verbreekt de vriendschap.

Byatt leest Zola’s roman eerder als een zelfportret van Zola – de obsessieve werker die zich ervan bewust is dat hij zijn leven opoffert aan zijn werk. Zola schrijft zijn eigen ‘portrait of the artist as portrait-maker’, zegt Byatt. ‘Portret en zelfportret overlappen op veel plekken, het karakter is vloeiend en voortdurend in beweging’. Het is een vorm van life writing die subtieler is dan de biografie of de autobiografie, in deze vorm kan de auteur ook de twijfel laten zien, de vragen, de scheuren, hij kan onverwachte verbindingen leggen, gissen naar wat er zich in de schaduw afspeelt, buiten het bereik van het licht, dat voor Byatt zo belangrijk is.

Peacock and Vine

byatt-7 ‘A book starts when two things you thought were different come together’, zei Byatt eens [16]. Dat is zeker het geval in Peacock and Vine, Byatts meest recente boek, waarin ze twee zeer verschillende personages bij elkaar brengt: William Morris (Wales, 1834), ontwerper, socialist, erfgenaam van een tinmijn-fortuin; en Mariano Fortuny (Granada, 1871), modeontwerper uit een aristocratische Spaanse familie van schilders en kunstenaars.

Byatt bestudeert hun leven, hun huizen, hun vrouwen. Morris’ huwelijk was ongelukkig: zijn vrouw, Jane Burden, had een relatie met de kunstenaar Rossetti, maar dat was voor Morris geen aanleiding het huwelijk te beëindigen. Byatt analyseert de schilderijen die Rossetti van Jane maakte, en vergelijkt die met foto’s die er nog van haar zijn. Ze is van een ‘vreemde, melancholieke schoonheid’, ‘ze straalt ongeluk uit’. Fortuny, ondertussen, was gelukkig getrouwd met Henriëtte Begrin, kunstenares en partner in al zijn werk.

byatt-8Ze bezoekt de huizen van beide kunstenaars. The Red House, in Kent, ontworpen door Morris en gebouwd in 1859. Het is een typisch ‘English countryside house’, van rode baksteen, waar Morris een gemeenschap wilde vormen, een gilde van ambachtslui en kunstenaars. Hier ontwikkelde Morris zijn verf- en borduurtechniek, hier bedacht hij zijn fameuze bloemenpatronen voor gordijnen, sjaals en behang, hier bedacht hij een van zijn beroemdste uitspraken: ‘If you want a golden rule that will fit everybody this is it: have nothing in your houses that you do not know to be useful or believe to be beautiful’. En in Venetië bezoekt ze het Museo Fortuny, dat de Spaanse kunstenaar in 1899 kocht. Nauwgezet beschrijft ze wat ze ziet, wat haar interesseert: over Fortuny nadenken is nadenken over licht. Ze raakt gefascineerd door de Fortuny-jurken die bijvoorbeeld ook in het werk van Proust voorkomen. En in de voetsporen van Fortuny, die geboeid werd door de oude Griekse beschavingen, duikt Byatt in de literatuur over Kreta en de matriarchale beschavingen, leest ze hedendaagse studies over een feministische cultuur in Knossos. Alle boeken die maar enigszins van toepassing zijn bestudeert ze.

Byatt laat ons zien hoe haar denken over wat de twee mannen gemeen hebben zich ontwikkelt. Morris, ontdekt ze, ‘was niet op zijn gemak met de mens’, hij had een passie voor de natuur, voor groeiende planten’, terwijl Fortuny geboeid was door vrouwen. De favoriete motieven van Fortuny bestaan uit granaatappels, lelies, druiven, acanthusbladeren, pauwen, konijnen, aardbeien en sterren. Byatt onderzoekt waarom hij die motieven koos en wat ze betekenden.

Haar essay, toegespitst op twee kunstenaars, zou je tegelijkertijd kunnen beschouwen als een vermomd zelfportret. Wat boeit haar? Werk, onderzoek, passie, studie. ‘Wetenschap is realiteit die echter is dan de verbeelding’ [17], zei ze eens, ‘Life is about change and curiosity’. Ze bestudeert hier twee obsessieve werkers, die hun hele leven vernieuwend zijn, nieuwsgierig, nauwgezet en hartstochtelijk doorgaan. Van de plek waar ze woonden maakten ze de plek waar ze werkten. Allebei zijn ze inventief en gedreven, allebei zijn ze ‘briljant, gecompliceerd en eenvoudig’. De lijn tussen werk en huwelijk trekt Byatt niet door, hoewel de lezer die wel aangereikt krijgt. Byatt houdt zich, als altijd, verre van psychologische interpretatie. Het maakt Peacock & Vine in essentie tot een ode aan studie, aan creativiteit, aan scheppingskracht – de kern van Byatts oeuvre.

  1. A.S. Byatt, A curious mind, BBC Bookmark, 1996.
  2. Idem.
  3. The Guardian, 25 april 2009.
  4. Nexus nr. 42.
  5. The Paris Review, The Art of Fiction, 2001.
  6. AT5, Lezenetcetera, 2004.
  7. Paris Review, 2001.
  8. Idem.
  9. Aerogramme Writers Studio, Sept 2014.\
  10. A.S. Byatt, Passions of the Mind. Selected Writings, Vintage 1991.
  11. Idem.
  12. On Histories and Stories.
  13. Idem.
  14. The Guardian, 25 April 2009.
  15. The Independent, 7 November 1998.
  16. The Guardian, 25 April 2009.
  17. A.S. Byatt, A curious mind, BBC Bookmark, 1996.