De slavernij voorbij?, door Marijke Huisman


‘You have seen how a man was made a slave; you shall see how a slave was made a man.’ Deze sleutelzin uit de autobiografie van Frederick Douglass vertelt in een notendop het verhaal van de man die in 1818 in slavernij was geboren op een plantage in Maryland, maar zijn zinnen al jong op vrijheid zette, zichzelf leerde lezen en schrijven, en in 1838 wist te ontsnappen naar de staat New York. Daar sloot hij zich aan bij de American Anti-Slavery Society, die zijn autobiografie publiceerde als Narrative of the life of Frederick Douglass, an American slave. Written by himself (1845).

Essay uit dBNg 2016#6, door Marijke Huisman
 Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement


  • Catherine A. Stewart, Long Past Slavery. Representing Race in the Federal Writers’ Project (University of North Carolina Press 2016), 372 blz. (bestel)

9781469626277

Douglass was de eerste Amerikaanse ex-slaaf die zijn eigen levensgeschiedenis schreef, maar de (auto)biografie was al langer in zwang als abolitionistisch propagandamiddel. De eerste levensverhalen, veelal opgetekend door anti-slavernij activisten, verschenen vanaf 1760 in Groot-Brittannië. Na de Britse afschaffing van de slavernij (1833) verschoof het zwaartepunt naar de VS, waar abolitionisten gevluchte slaven als Douglass inhuurden om hun levensgeschiedenis live te vertellen tijdens anti-slavernij bijeenkomsten. Om een groter publiek tot het abolitionisme te bekeren werden dergelijke verhalen ook gepubliceerd. Tot de afschaffing van de Amerikaanse slavernij (1865) verschenen in Groot-Brittannië en de VS samen ruim honderd (auto)biografieën van ex-slaven. De teller stijgt echter tot circa zesduizend als ook rekening wordt gehouden met bijvoorbeeld biografische portretten van gevluchte slaven in abolitionistische media, getuigenissen van ex-slaven voor rechtbanken, de memoires en autobiografieën die geëmancipeerde Amerikaanse slaven na 1865 publiceerden, en met de meer dan tweeduizend interviews die het Ex-Slave Project (1936-1939) van het Federal Writers’ Project (FWP) opleverde.

Slave narratives, het diffuse corpus (auto)biografische teksten van ex-slaven uit het Engelse taalgebied, hebben vanaf de jaren 1960 grote invloed gehad op de historiografie over de Amerikaanse slavernij. Historici die zich, in het spoor van de burgerrechtenbeweging, richtten op de black experience met slavernij, en dus niet op de boekhouding van witte slavenhouders, vonden hier hun bronnen. Deze geschiedschrijving wordt echter ook beheerst door eindeloze discussies over de betrouw- en bruikbaarheid van autobiografisch materiaal. Catherine A. Stewart, hoogleraar geschiedenis aan Cornell University en auteur van Long Past Slavery. Representing Race in the Federal Writers’ Project (2016), bleef gelukkig weg van dit belegen debat. Zij onderzocht niet wat de FWP-interviews met ex-slaven al dan niet onthullen over de realiteit van het slavernijverleden, maar wat die slave narratives zeggen over de omgang met dat verleden in het Amerika van de jaren dertig. Het resultaat is een fascinerende studie over het Ex-Slave Project, opgevat als arena voor contemporaine discussies over geschiedenis, identiteit en burgerschap.

Gekleurde getuigenissen

Het Ex-Slave Project was deel van Roosevelts New Deal. Miljoenen werklozen werden ingeschakeld voor publieke werken, zoals de aanleg van wegen en bruggen. Schrijvers, journalisten, wetenschappers en andere witte-boordenwerkers konden vanaf 1935 terecht bij het Federal Writers’ Project (FWP). In een tijd waarin segregatie en nostalgie naar ‘the Old South’ hoogtij vierden, was de diversiteitsdoelstelling radicaal, maar op basis van brieven en rapporten van het hoofd van het FWP Office on Negro Affairs, schetst Stewart desalniettemin een ontluisterend beeld van de kloof tussen de pluralistische ideologie van de federale overheid en de racistische praktijken van schrijvers, redacteuren en FWP-directies in de staten.

Om de geschiedenis en cultuur van Afro-Amerikanen alsnog gedocumenteerd te krijgen, besloot de FWP-directie tot het Ex-Slave Project. Ruim zeventig jaar na de emancipatie moesten werklozen de laatste generatie ex-slaven in het zuiden interviewen over hun dagelijks leven tijdens de slavernij. Uit eerder onderzoek was al bekend dat de overgrote meerderheid van de interviewers wit was, waardoor zwarte geïnterviewden niet zelden sociaal wenselijke antwoorden gaven op vragen over bijvoorbeeld de sociale verhoudingen op de plantages. Stewart achterhaalde dat interviewers en FWP-directieleden in de zuidelijke staten niet zelden gelieerd waren aan de United Daughters of the Confederacy (UDC), een organisatie die een grote rol speelde in de herinneringspolitiek rondom de Civil War (1861-65). Midden jaren dertig, toen de federale overheid de burgeroorlog herdacht als een geslaagde strijd voor de afschaffing van slavernij, propageerde de UDC het beeld van de ‘happy slave’ in haar visie op de oorlog als historische strijd voor het recht van zuidelijke staten hun eigen identiteit en beleid te bepalen. Het Ex-Slave Project was een perfect voertuig voor deze politiek, zo maakt Stewart duidelijk op basis van uitgebreid onderzoek naar de uitvoering en resultaten van het project in Florida en Georgia.

Theorie en praktijk

Het Ex-Slave Project bood ook kansen voor ‘New Negroes’, intellectuelen en activisten die eisen voor volwaardig burgerschap combineerden met pleidooien voor de integratie van Afro-Amerikanen in de nationale geschiedenis en identiteit. Zij werden deels gesteund door de progressieve FWP-directie, die zuidelijke staten verplichtte ook zwarte interviewers in dienst te nemen. Dat gebeurde slechts mondjesmaat; van de 4.500 medewerkers waren er slechts 106 zwart. Die kleine groep wist wel heel andere resultaten te boeken. Zo spraken ex-slaven tegenover zwarte interviewers vaker over straffen en andere zaken die het beeld van de ‘happy slave’ ondermijnden. In een analyse van interviewverslagen uit Florida, waar een gesegregeerde Negro Writers’ Unit was ingesteld, maakt Stewart bovendien duidelijk dat zwarte interviewers ex-slaven nadrukkelijk presenteerden als potentiële burgers. Zij legden bijvoorbeeld de nadruk op het betrouwbare karakter van de geïnterviewden, en belichtten de successen die ze sinds 1865 op het terrein van opleiding en werk hadden geboekt. De herinneringspolitiek in deze verslagen stuitte echter op harde grenzen. Witte redacteuren die een ‘Negro bias’ signaleerden, lieten dezelfde persoon nog eens ondervragen door een witte interviewer of herschreven zelf het verslag voordat het naar het FWP-kantoor in Washington, D.C., ging.

1

De FWP-directie bediende zich voor alles van een sociaalwetenschappelijk ingeklede objectiviteitsretoriek, maar die verhulde nauwelijks de progressieve, pluralistische ideologie achter dit project. De uitvoering vertoonde daarentegen een diepgaande ambivalentie, zo blijkt uit Stewarts intrigerende analyse van FWP-instructies. Die tonen al snel een verschuiving van doelstelling, waardoor sociale geschiedenis werd vervangen door volkscultuur. Werden interviewers in 1936 nog geïnstrueerd naar werk, voeding en andere thema’s uit het dagelijks leven tijdens de slavernij te vragen, vanaf 1937 moesten ze vragen naar religieuze praktijken, kinderliedjes en dergelijke. Stewart maakt vervolgens goed inzichtelijk dat juist het thema volkscultuur zeer politiek geladen was. Creatie, behoud en overdracht van een eigen cultuur werd namelijk beschouwd als toegang tot burgerschap. Sporen van een authentieke Afro-Amerikaanse cultuur werden echter op twee manieren geduid: als argument voor rassengelijkheid en dus volwaardig burgerschap, of als bewijs voor het ‘primitivisme’ en daarmee ongeschiktheid voor burgerschap. De FWP-directie volgde in theorie de eerste redenering, maar uit Stewarts onderzoek blijkt dat de tweede redenering de praktijk van het project domineerde. Zo werd interviewers in het kader van de objectiviteit op het hart gedrukt om de woorden van geïnterviewden zo letterlijk mogelijk op te schrijven, oftewel gemodelleerd naar het taalgebruik van ‘happy slave’-karakters uit de populaire Old South-romans van schrijvers als Joel Chandler Harris.

2

Stewart verklaart de kloof tussen de FWP-theorie en praktijk door de economische belangen die met het Ex-Slave Project waren gemoeid. De slave narratives moesten verwerkt kunnen worden tot commerciële boekpublicaties; dat vereiste materiaal dat geschikt was voor een wit lezerspubliek. Het resultaat was dat gezocht werd naar levensverhalen van ex-slaven die leken op, en klonken als, zwarte personages uit de populaire cultuur. Het Ex-Slave Project reproduceerde op die manier de racistische clichébeelden die het in theorie wenste te bestrijden door Afro-Amerikanen zelf aan het woord te laten. In het aldus verzamelde materiaal ziet Stewart desondanks pogingen van geïnterviewden het master(’s) narrative over het nationale slavernijverleden te ondermijnen, bijvoorbeeld door de weigering van vele hoogbejaarden zich te laten reduceren tot voormalige slaven en te vertellen over hun leven als vrije mensen.

Digitale bronnen