Aspecten van Ter Braak


Als Menno ter Braak in september 1939 voor het eerst in zijn leven een dagboek begint bij te houden, verliest hij de strakke compositie en de gecondenseerde stijl die zijn artikelen en essays kenmerken. Het is de maand van de oorlogsverklaring van Engeland, de Duitsers vallen Polen binnen, de Fransen doen iets in de Elzas maar niemand weet wat, vliegtuigen vliegen over – of en wanneer Nederland zal worden binnengevallen is onzeker. Ter Braak is duidelijk in de war en schrijft: ‘Het denken aan mijn roman, dat me de laatste maanden voortdurend bezig hield, is sedert het uitbreken van de oorlog geheel verdwenen. Men kan zich niet bezighou- den met fictieve guren, zolang deze oorlogstoestand ons behoort te trainen in het opgeven van ficties.’ Door Alexander Nieuwenhuis.


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Essay uit dBNg 2017#4

I

Wat nu gebeurt voelde ter Braak al jaren aankomen. Hij waarschuwde voor Hitler toen die nog niet aan de macht was, toen hij de bewoners van Den Haag hun vlaggen had zien uitsteken om de vrede van Münster te vieren schreef hij de nog altijd zeer scherpe tekst Het verraad der Vlaggen, hij riep studenten op om hun traditionele apolitieke houding te laten varen om de democratie te verdedigen – maar in september 1939 begint hij te vermoeden dat zulk soort verzet niet meer voldoende zal zijn tegen wat komen gaat.

Ter Braak had als twaalfjarige het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog nog meegemaakt en schrijft in zijn dagboek Journaal 1939 het volgende:

Wonderlijke gedachte: dat het nageslacht over de Septemberdagen van 1939 zo zal spreken als wij over Juli 1914: als dingen die uit elkaar logisch voort vloeiden, die zus of zoo moesten geschieden, omdat de verhoudingen zus of zoo lagen. Voor ons is er op dit ogenblik niets dan een zwart gat met speculaties. Wij weten alleen dat er een einde moet komen aan het regime van Hitler of een einde aan ons.

In 1939 is hij nog vastberaden:

Één gevoel alles overheersend: te blijven leven tot Hitler hangt. Dit zonder enig bijgevoel van wraakzucht. Ik haat dat individu niet, ik veracht het niet eens, maar het moet worden uitgeroeid. Daarna kan men verder zien. Mijn enige geloof, tot dusverre volkomen irrationeel: dat zulks gebeuren gaat, hoe dan ook. Als dit geloof gaat ontbreken, is ook de laatste reden om te leven verdwenen.

Maar we kennen de uitkomst bijna negen maanden later. Ter Braak nam op de dag van de Nederlandse capitulatie een esje vergif waardoor hij stierf en het is deze daad, in samenhang met zijn uitgesproken en heldere analyse van het opkomende fascisme, die nog altijd tot de verbeelding spreekt en Ter Braak zijn permanente plek in de geschiedenis heeft gegeven.

II

 

Waarom ik op een dag in het Literatuurmuseum in Den Haag was om stukken van Ter Braak te raadplegen, was mij niet helemaal duidelijk. Misschien wilde ik weten of de dilemma’s van Ter Braak inderdaad relevant zijn voor deze tijd, zoals vaak beweerd wordt. Misschien wilde ik ook zijn laatste dagen nog helderder voor me krijgen dan ik ergens anders had kunnen doen. Misschien zocht ik in Ter Braak naar sporen van mijzelf, waarvan ik de aanwezigheid vermoedde, maar die ik wilde bevestigen door de fysieke resten van zijn leven met mijn eigen handen aan te raken.

Nu lagen ze dan voor me: de handschriften van Ter Braak, zijn reispas, en foto’s van hem en zijn vrouw in Zwitserland en Venetië. Stuk voor stuk liet ik de materialen door mijn handen gaan en lang wist ik niet wat dat alles moest betekenen. De handschriften die ik hier nu zag, had ik allemaal al eens in drukvorm gelezen. Ze waren afkomstig uit de tijd dat er nog een ‘origineel’ bestond. En ik vroeg me af of het bestaan van een origineel op de een of andere manier verwant kon zijn aan de scherpte van denken toen ik de volgende passage uit ‘Het nationaalsocialisme als rancuneleer’ tegenkwam waarin Ter Braak Max Scheler citeert:

De ‘critiek van het ressentiment’ […], houdt in, dat een verbetering der toestanden, die ondraaglijk worden geoordeeld, nooit voldoening geeft, maar integendeel ontevredenheid uitlokt, voorzoover zij ingaat tegen de stijgende vreugde, die men beleeft in het alles verafschuwen en alles puur en simpel verwerpen. […] De ‘critiek van het ressentiment’ wordt gekenmerkt door het feit, dat zij niet ernstig ‘wil’ wat zij beweert te willen; zij critiseert niet om het kwaad te verdelgen, maar bedient zich van het kwaad als voorwendsel tot scheldwoorden.

Dit mechanisme, dat op het moment van schrijven duidelijk zichtbaar is in de Verenigde Staten, heb ik nog niet eerder zo helder verwoord gezien. Ook de rest van het essay, waarin Ter Braak het ressentiment als ‘een van de meest essentiële verschijnselen van onze cultuur’ typeert, is het lezen meer dan waard. Hij betoogt daarin dat het ressentiment van de ene groep tegen de andere telkens door wisselende politieke partijen wordt gekanaliseerd als onderdeel van het democratische proces. Maar wie er talent voor heeft, kan het ressentiment bij voortduring kanaliseren, als monopolie opeisen en op basis hiervan, en niet op basis van een politiek programma, de macht grijpen. Hiermee opent hij volgens Ter Braak echter ook de deur voor misbruik en catastrofe omdat men de ressentimentsdorst, die onlesbaar is, moet blijven voeden terwijl men zelf aan de macht is. Een tragische paradox.

III

Ter Braak werd na de oorlog als held gezien omdat hij ferm tegen het fascisme was opgestaan en er zelfmoord om had gepleegd. Maar bij het lezen van zijn dagboek werd mij steeds duidelijker hoe de om zijn kritieken gevreesde schrijver zelf eigenlijk niet goed wist hoe hij zich tot de wereld van 1939 moest verhouden. In zijn septemberdagboek schrijft hij over van alles: nieuwsberichten, het eten van een haantje, de Verenigde Staten van Europa die misschien zouden kunnen ontstaan als het fascisme is verslagen. Hij is geërgerd omdat André Gide over zijn eigen urine schrijft, hij voelt schaamte over de neutraliteit van Nederland, hij vergelijkt de absurditeiten van het fascisme met die van het christendom en reflecteert op de rol van de kerken in de oorlog. Hij verbaast zich over het feit dat de gedachte ‘er is oorlog’ binnen twee weken al normaal is geworden. Hij spreekt de hoop uit dat hij over cyaankali zal beschikken wanneer dat nodig mocht zijn. Hij heeft soms sterk het gevoel dat hij bestemd is om de zwijnerij die komen gaat te overleven, dan weer denkt hij dat dit gevoel een vorm van zelfbedrog is. De volksuniversiteit van Rotterdam, waar hij lesgeeft, vindt hij eigenlijk erger dan Hitler, maar hij vindt dat de prioriteit nu ligt bij de bestrijding van het fascisme. Daarna kan men, wie weet, ook de volksuniversiteit hervormen.

Uit alles komt een man naar voren die maar wat probeert, schrijft en denkt. Een schrijver die zich naar de buitenwereld stellig opstelt, maar wanneer hij voor zichzelf schrijft door allerlei twijfels wordt geplaagd. Iemand die zich nooit bij een antifascistische knokploeg zou kunnen aansluiten, maar die waarschijnlijk beter dan alle anderen inzag wat er op het spel stond. En het was wellicht dit gevoel dat zich ontlaadde toen ik het Ubens kalenderblok opende waarin Ant ter Braak-Faber, twee jaar na de dood van haar man, enkele pagina’s met overpeinzingen heeft neergeschreven. Het volgende citaat daaruit wist mij, door Ter Braak-Fabers diepe inzichten en de heldere, zakelijke toon, in het archief van het Literatuurmuseum tot stille tranen te brengen, iets wat ik eigenlijk ontoelaatbaar vind.

Ter Braak, die men zich allerminst als ‘een kerel uit één stuk’ moet voorstellen, die veel van het broze en tastende had, zoveel intelligente naturen eigen, heeft met het bewust aanvaarden van het risico dat hij met zijn strijd liep een voorbeeldig ideaal van moed en durf gegeven. Zijn dood was de dood van een speler, die met de hoogste inzet heeft gespeeld. Ter Braak was een magische spelersnatuur, een ongekwelde geest, die zijn levensovervloed in spelactiviteit omzette. […] Maar speler zijn betekent los staan van die bepaalde ernst die eigenlijk zwaarwichtigheid heet, betekent afgerekend hebben met het valse pathos uit een gevoel van levens en denk-onmacht om terug te keren tot de ernst van het spel.

IV

Een ander document uit het archief van Ter Braak reikte mij nog een motief voor zijn zelfmoord aan en wel in de vorm van het proces-verbaal van Ter Braaks uitgever Leopold. Deze uitgever werd voor het gerecht gedaagd vanwege het publiceren van Rauschnings Hitlers eigen woorden, dat door Ter Braak was vertaald. Het Nederlandse Openbaar Ministerie nam aanstoot aan dit werk omdat er onder andere in staat dat Hitler zichzelf een machtspoliticus vond die niet terugdeinsde voor list, bedrog en het breken van verdragen. Dit werd onder het beledigen van een bevriend staatshoofd gerekend. Een klein detail in dit proces-verbaal dat in het Literatuurmuseum mijn aandacht trok, was de datum van de rechtszaak: 14 mei, de dag waarop Ter Braak vergif innam om te kunnen sterven.

Op 9 mei werd de rechtszaak om onbekende redenen geannuleerd. Ik stelde me voor hoe de schrijver op die dag het nieuws vernam, hoe op 10 mei de nazi’s binnenvielen en hoe op 14 mei Nederland capituleerde. Het leek me dat uit het feit van de rechtszaak alleen al bleek hoe het ministerie van Justitie, nog voordat de nazi’s binnenvielen, zijn rug al niet kon rechthouden ten opzichte van Hitler – laat staan dat ze dat na de capitulatie nog zou kunnen doen. Ik stelde me voor dat Ter Braak zich hierdoor onverdedigd voelde en besefte dat hij er alleen voor stond.

Uit het onverklaarbare feit dat de zaak een dag voor de bezetting werd afgezegd leek mij iets te spreken. Had de afzegging iets te maken met de bezetting de dag erop? Wist men op het ministerie van Justitie iets wat anderen niet wisten? Alhoewel dit pure speculatie is, valt niet uit te sluiten dat Ter Braak deze vragen tussen 10 en 14 mei gesteld kan hebben. Of ze nu wel of niet realistisch moeten worden genoemd, ze zouden van invloed kunnen zijn geweest op zijn beslissing om uit het leven te stappen.

Aangezien de verjaringstermijn van de documenten over deze gebeurtenissen recent is verstreken, probeerde ik bij het ministerie van Justitie en het Nationaal Archief opheldering te verkrijgen. Er was inderdaad sprake van een stuk dat over het afzeggen van de rechtszaak zou gaan. Maar ook bleek dit stuk, dat onderdeel van de Geheime Archieven van het ministerie van Justitie was geweest, momenteel onvindbaar. Hierdoor moeten alle ideeën die wij zouden kunnen hebben speculatief blijven. Tenzij natuurlijk, zoals dat in Nederland al vaker is gebeurd, sensitieve informatie jaren later toch nog opduikt.

V

De laatste dagen van Menno ter Braak: hij ging plichtsgetrouw naar zijn werk, waar hij een artikel onder ogen kreeg dat hij enige dagen daarvoor had geschreven en dat die dag was gedrukt. ‘Wonderlijk’, zei hij terwijl het bombardement op Rotterdam volop bezig was, ‘dat wij ons nog zo lang druk hebben gemaakt over die dingen.’ Hij ging naar de haven om te informeren naar de prijs van een overtocht naar Engeland die hij aan de hoge kant vond en die hij in ieder geval nooit zou kunnen betalen. Hij is nog gezien terwijl hij in zijn straat, die verder geen enkel strategisch belang had, een barricade opwierp van stoeptegels, materialen uit de tuin en stapels krantenpapier. Ter Braak, die altijd strak in het pak was gestoken, stond daar met opgerolde hemdsmouwen, een bevlekt overhemd en bezweet voorhoofd in de zon en zei dat hij, die zich een leven lang aan zijn geboorteland geërgerd had, zich nu pas werkelijk Nederlander voelde. Later op de avond is hij naar zijn broer Wim, neuroloog van beroep, gegaan om te sterven en heeft daar een heel kort briefje aan zijn vrouw gegeven waarop stond dat alles goed was zoals het was. Hij keek haar daarbij niet aan, gaf haar geen kus of zelfs maar een hand. Eerder die dag had hij voorgesteld om samen met haar te sterven, maar de domineesdochter Ant ter Braak-Faber gaf daarop het antwoord dat samen sterven niet mogelijk is omdat men nu eenmaal alleen sterft.

voor Melle Kromhout

 

Verantwoording

Voor het schrijven van dit lemma van de Intuïtieve Encyclopedie heb ik geput uit de biografie van Ter Braak Sterven als een polemist door Leon Hanssen en archieven in het Literatuurmuseum in Den Haag alsook in het NIOD in Amsterdam. Tevens ben ik dank verschuldigd aan Mischa Andriessen voor zijn begeleiding, bemiddeld door De Nieuwe Garde.