Hoe een bibliotheek wordt geboren


Om een bibliotheek te stichten zijn vier dingen onontbeerlijk, wist Thomas Bodley, de oervader van Oxfords universiteitsbibliotheek: kennis, geld, vrienden en vrije tijd. Zijn tijdgenoot, de Leidse Johannes Thysius (1622-1653) werd amper 31, maar kon bij de opbouw van zijn eigen roemruchte bibliotheek niettemin ruimschoots in alle vier voorzien. Door Kristof Smeyers.

Johannes Thysius was een jurist met een gedegen opvoeding, een erfenis gespekt met VOC-aandelen en een ruime kennissenkring in het boekenvak. Hij werd niet gehinderd door een geleerdencarrière of een gezin. Hij voldeed dus aan Bodleys vier basisvoorwaarden. Bovendien werd hij gedreven door een bibliomanie avant la lettre. Althans, dat is een verleidelijke gedachte wanneer je zijn bibliotheek, op de hoek van de Leidse Steenschuur en de Groenhazengracht, binnenwandelt. Al bijna vierhonderd jaar staat daar Thysius’ levenswerk, opgetrokken uit baksteen, maar vooral uit meer dan 3.000 verweerde boekruggen die de vakjurist in zijn korte leven bij elkaar sprokkelde (pamfletten niet meegerekend). Binnen kijken in de Bibliotheca Thysiana is als onder een historische stolp gluren. Achter de gevel leeft de Gouden Eeuw gewoon verder. Of eerder: staat die er al die tijd stil.


Essay uit dBNg 2017#2


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *

Thysius’ bibliotheek spreekt al lang tot de verbeelding van historici en bibliofielen. Vorsers bogen zich over verschillende versies van de catalogi en over de soms troebele herkomst van sommige pronkstukken in de collectie. Boudewijn Büch noemde de Bibliotheca een ‘wereldwonder aan de gracht’. De prachtig uitgegeven studie van Esther Mourits, Een kamer gevuld met de mooiste boeken (2017), toont overtuigend aan dat Büchs lof nauwelijks overdreven is. Niet zozeer omwille van de historische stolp – het gebouw is speciaal voor de functie van bibliotheek opgetrokken, zoals gestipuleerd in het testament van Thysius – maar vooral omwille van het karakter van de bibliotheek. Een zinsnede uit het testament komt in het boek van Mourits herhaaldelijk voor: de collectie moest ‘tot publijcque dienst der studie’ ter beschikking worden gesteld, ‘ten eeuwigen dagen’ bovendien. Dat was een unicum, zeker in de zeventiende-eeuwse Republiek: een particulier die met zijn vele boeken zelf een publiek toegankelijke bibliotheek uit de grond stampt.

De verleiding die ik gewaar word onder de stolp van de Bibliotheca, is daarmee meteen die van een historische hoofdzonde: het anachronisme. Hoe verklaar je een imposante boekencollectie van een jongeman, die ook nog eens resulteerde in een ambitieuze bibliotheek ‘tot publijcque dienst der studie’, anders dan vanuit een teleologische rechtlijnigheid: Johannes leven in dienst van zijn bibliotheek? Die verraderlijke these wint helemaal aan overredingskracht wanneer Mourits twee documenten beschrijft uit Thysius’ jeugd. Het eerste is een nieuwjaarsbrief uit 1629 van de zesjarige Johannes aan zijn oom: ‘… met Godes hulpe soo wel te leezen dat mijn lieve oom tegen toecomende jaer best sal vinden mij te vereeren met een goede boeck in plaets van een koeck.’ Een tweede archiefstuk, een schoolgedicht in het Latijn uit 1635 of 1636, met als titel ‘Ad bibliothecam?’, lijkt ons vermoeden te bevestigen: ‘De bibliotheek zal schatten geven waar geen veroudering afbreuk aan zal doen / en die ook de geldkist van Midas niet kan geven,’ schreef de dertienjarige Thysius.

Maar dat is effectieve plagerij van Mourits. Zij trekt meteen het tapijt onder onze voeten weg. De nieuwjaarsbrief noch het gedicht bevatten de genese van de Bibliotheca Thysiana. Voor haar beschrijving van de boekencollectie vertrekt Mourits van twee andere, voor de historicus betrouwbaardere archiefstukken. Enerzijds het vermelde testament, waarin Thysius’ bedoeling kernachtig uiteen wordt gezet: een bibliotheek ‘tot publijcque dienst der studie’ op een ‘bequame plaats’. Anderzijds verschaft een tweede document, het kasboek, inzicht in de manier waarop de collectie tot stand kwam. In het kasboek komt het verhaal van de Bibliotheca tot leven. Thysius noteerde zorgvuldig de datum en prijs van zijn aankopen en wanneer bekend ook de ‘provenance’, de herkomst van elk boek dat Thysius tot 1648 aan zijn collectie toevoegde. De levens van boeken traceren vooraleer ze ‘definitief’ in de boekenkasten aan de Rapenburg belanden, betekent jagen op veiling- en bibliotheekcatalogi, aankoopfacturen en prijslijsten, correspondentie en kriebels in de boeken.

Deze jacht geeft geen sluitend antwoord op de vraag ‘Waarom?’, maar biedt wel een inzicht in de manier waarop een bibliotheek ontstaat en aangroeit: organisch, geroutineerd, of systematisch. Na 1648 schakelde Thysius een versnelling hoger en kon hij het kasboek niet langer navenant aanvullen. Wanneer daagde het voor Thysius dat zijn boekenlust best kon worden aangewend om een publieke bibliotheek in te richten? In 1648? Op zijn sterfbed? Of toch al veel vroeger? Het zijn vragen die nazinderen, net omdat de antwoorden niet langer te achterhalen zijn.

Kennisinfrastructuur 

De waarde van Een kamer gevuld met de mooiste boeken ligt in de kracht waarmee uit het bronnenmateriaal, dat een droge opsomming van bedragen en kostenposten lijkt, een hele wereld te suggereren. Johannes Thysius en zijn posthume bibliotheek waren immers middenin een levendige, boekvriendelijke omgeving geplant. Het Leiden van de Gouden Eeuw werd bevolkt door studenten en geleerden (René Descartes woonde drie huizen verderop), boekhandelaars, uitgevers, veilers en enthousiastelingen in de marge. Zo’n kennisinfrastructuur bood vanzelfsprekend ook een vruchtbare bodem voor een studiebibliotheek.

Mourits verlaat af en toe de bibliotheek om dat Leidse kennislandschap te verkennen. Daarbij volgt ze Thysius, die na 1648 van hot naar her liep: van een ‘cleijn partijken boucken’ bij Abraham Commelin naar de geleerdenbibliotheek van een arts of predikant die onder de hamer ging, van het Haagse Binnenhof waar een boekverkoper winkel hield, naar de geveilde bibliotheek van de bewindhebber van de West-Indische Compagnie, Johannes de Laet, of naar de boekbinderij van Wolter de Haes in Leiden, die voor zijn banden ‘een lichtbruin kalfsleer gebruikt, gestempeld met een smalle gouden rand en kleine bloem guurtjes in de hoeken’. Zulke details lichten de stolp van de bibliotheek en laten de wereld binnen.

In steden over heel Europa verschenen in de zeventiende eeuw kennisinfrastructuren, waarin bibliotheken een voorname functie vervulden. Zij moesten zich daarvoor professionaliseren, en dat betekende een reorganisatie – het oude gebruik om boeken aan het rek te ketenen (opdat ze wel gelezen maar niet meegenomen konden worden) werd bijvoorbeeld in de zeventiende eeuw verlaten. Maar net zo goed betekende die revolutie het begin van een bibliothecaire zelfreflectie. Bibliothecarissen stelden in traktaten en pamfletten vragen als ‘Wat is een bibliotheek?’, waarmee enerzijds de praxis onder de loep werd gelegd – hoe stel je een collectie samen, hoe orden je haar en hoe wordt ze gebruikt –, maar waarmee zij anderzijds ook de waarden van de ideale bibliotheek wilden beschrijven.

Heuse celebrity-bibliothecarissen lieten van zich horen. Vooral Gabriel Naudé, de bibliothecaris van kardinaal Mazarin, had een niet te versmaden invloed. In zijn Advis pour dresser une bibliothèque (1627) pleitte hij voor een bibliotheek met zoveel mogelijk boeken die op een zo eenvoudig mogelijke manier ingedeeld moesten worden (‘le plus facile, le moins intrigue, le plus natural’). Zeventiende-eeuwse bibliotheken waren meestal het resultaat van sterke persoonlijkheden als Naudé in Parijs, die de schatkist van Mazarin ter beschikking had, Carolus Borromaeus in Milaan en Thomas Bodley in Oxford, die op de fortuinen van zijn vrouw kon rekenen.

Deze bibliotheken moesten gemeenplaatsen voor kennisuitwisseling zijn, ‘for the whole republic of the learned’, zoals Bodley zei. Dat was hard nodig, want in de zeventiende eeuw woedde een informatierevolutie die ons bekend zou moeten voorkomen. Door de popularisering van het boek en de goedkopere drukmethoden steeg het aantal publicaties bijzonder snel, zodat álle mogelijke informatie verzamelen – ‘zoveel mogelijk boeken onder één dak’, zoals in de oudere renaissancebibliotheken – niet langer een realistisch of wenselijk doel was. De bestaansreden van de moderne bibliotheek was dan ook duidelijk: kennis consolideren, ordenen, en raadpleegbaar maken. De zeventiende-eeuwse debatten over de rol van de bibliotheek verschillen daarmee niet wezenlijk van hedendaagse discussies over informatieverzameling en -beheer. Bibliothecarissen werden curatoren van het weten. Thysius was op zijn Grand Tour door Europa in de bibliotheek van Mazarin geweest, en in de nagelnieuwe Bodleian in Oxford, ook een bibliotheek ontstaan uit het droombeeld van één man. Kennis verzamelen en structureren moesten ook de principes worden van de Bibliotheca Thysiana.

‘Publijcque dienst’ 

Een boek is, voordat de inhoud zich openbaart, eerst en vooral een object. Een bibliotheek is een vergelijkbaar, tweeledig begrip. De term slaat op een verzameling boeken, maar net zo goed is de bibliotheek een gebouw. Ze heeft ook nog een derde, meer cerebrale invulling: als dienaar van kennis is de bibliotheek ‘a sacred place for secular folk’. Als het recht op denken, lezen en discussie op een publiek forum de barometer van een samenleving is, dan lijkt het erop dat donkere wolken zich boven die samenleving samenpakken. De waarden die in de zeventiende eeuw werden gekoppeld aan de moderne bibliotheek – inclusiviteit, beschikbaarheid van kennis en informatie, het cultiveren van een kritische ingesteldheid – staan onder druk. Als gids in een transformerend informatielandschap moet de bibliotheek het recht op publieke toegang tot informatie en kritische kennisvergaring als fundament van onze samenleving waarborgen. Daarom bijvoorbeeld hebben Amerikaanse bibliotheken (en archieven) een duidelijke stem in het verzet tegen Donald Trump en diens alternative facts. De bibliotheek is geen politiek neutrale ruimte, maar een leverancier van vrijelijk beschikbare feiten, verbeelding en opvoeding. Dat vond ook Thysius. In zijn testament liet hij dan ook optekenen dat er moest worden ‘voorsien dat eenige studenten daaromtrent een beurse moge hebben, ende datter oock yernant zij die de opsigte over deselve boucken mach hebben’.

Een inzicht in de ontstaansgeschiedenis van publieke bibliotheken is vanuit dat oogpunt onwaarschijnlijk relevant. De bibliotheek van Thysius is door zijn vroege dood onvoltooid gebleven, maar een troost kan zijn: geen enkele bibliotheek is ooit af. En de taak van een bibliotheek is, omdat zij een maatschappelijke rol vervult, nooit voltooid. Zij moet zich steeds opnieuw heruitvinden. Dat is precies waarom de feniks op de cover van Een kamer gevuld met de mooiste boeken zo’n goedgekozen symbool is.