Geen toekomst zonder verleden


Drie auteurs buigen zich vanuit zeer verschillende posities over de toekomst: een generalist met niets minder dan de mensheid als onderwerp, een veteraan-historicus die zijn kennis over Duitsland inzet, en een futuroloog die strijdt tegen het imago van de kristallen bol. Wat blijkt: de toekomst kan niet zonder geschiedenis. Door Addie Schulte.


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Essay uit dBNg 2017#4

De robot op de cover van Der Spiegel heeft zes armen. Met een ervan zet hij auto’s op een lopende band, in de andere heeft hij gereedschap. Met zijn ogen van wijzerplaten kijkt hij strak voor zich uit. Een metalen voet schopt achteloos een mens weg: de arbeider die zijn werk en, daarmee, zijn bestaansrecht verliest. Een bekend beeld in een tijd waarin hevig wordt gespeculeerd over het ‘inpikken van banen’ door robots. Sommige experts denken dat tot de helft van de banen in de komende twintig jaar door robots overgenomen zal worden.

Maar deze editie van Der Spiegel verscheen in 1964, tijdens een eerdere golf van onrust over automatisering. Het verontrustende idee werd, toen en nu, afgewisseld met euforie over de voordelen die de technologie kan brengen: mogelijk zou zij de mens kunnen verlossen van zware en routinematige arbeid! ‘Vloek of zegen’ was toen het jargon. Die religieuze termen zijn inmiddels vervangen door het zakelijke duo ‘risico’s en kansen’, aldus historicus Joachim Radkau in zijn omvangrijke en licht ironische Geschichte der Zukunft.

Radkau kan voor zijn boek over de Duitse toekomstverwachtingen sinds 1945 putten uit zijn eerdere werk, waaronder een biografie van Max Weber en een wereldgeschiedenis van het milieu. Steeds kwamen ideeën over de toekomst om de hoek kijken. Hij wil in zijn nieuwe boek betweterij vermijden, want het heeft volgens hem geen zin om met de kennis van achteraf te zeggen: ‘dit zag men toen fout, wat stom van ze!’ Soms leken de voorstellingen die men zich vroeger van de toekomst maakte inderdaad lachwekkend, maar blijken ze hun tijd bij nader inzien ver vooruit te zijn geweest. Zo voorzag een Duitse ruimtevaartexpert reeds in de jaren vijftig het ‘interplanetair toerisme’. Nu kun je bij ondernemer Elon Musk voor vijfendertig miljoen dollar een plek reserveren voor een reisje naar de maan. Zoals de toekomst vol verrassingen zit, zit het verleden vol onverwachte voorspellingen. En wat op dit moment als (nabije) toekomst wordt voorgespiegeld, is vaak een oude voorspelling die een nieuw leven krijgt.

Kerncentrales

Ideeën over de toekomst leggen hoop en angst, dromen en nachtmerries bloot. De hoop op een betere toekomst en de angst voor verslechtering en ondergang gaan vaak hand in hand. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het denken over het milieu, dat een rode draad vormt in Radkaus voorstelling van twintigste-eeuwse Duitse toekomstverwachtingen. Hij verdedigt de ecologische beweging tegen het verwijt te somber te zijn geweest: die somberheid diende volgens hem een belangrijk doel. Het beeld van een acute catastrofe is nodig om de politiek in beweging te krijgen, ook al komt die voorspelde ramp vaak niet uit. Doemdenken kan fungeren als katalysator voor actie en kan in sommige gevallen zelfs tot een betere wereld leiden.

Hoop en angst waren ook evident in de Duitse verhouding met kernenergie. In de jaren vijftig werd gedacht dat het ‘vreedzame atoom’ energie kon leveren voor het irrigeren van woestijnen, het cultiveren van oerwouden en het ontsluiten van poolgebieden. Het grootschalig gebruik van kernenergie zou een extra reden zijn om de economie meer planmatig te besturen. Sommige linkse denkers, in de ban van de planeconomie, moedigden het gebruik ervan daarom aan. De technologie werd ook als onvermijdelijk gezien, al waren de risico’s ‘nog niet helemaal’ afgedekt, aldus een toenmalige optimistische inschatting. Het blijft lastig de consequenties van onze eigen inventiviteit te overzien, zoals politicoloog en techniekfilosoof Langdon Winner in de jaren zeventig reeds stelde. Maar al te vaak wordt achter de nieuwste vinding aangelopen in het vertrouwen dat alles wel goed zal komen. Zijn waarschuwing baseerde Winner overigens mede op het boek Frankenstein van Mary Shelley, inmiddels bijna tweehonderd jaar oud…

Maar inzichten kunnen drastisch veranderen. Een halve eeuw later denkt Duitsland heel anders over het atoom. Na de ramp met de kerncentrale in het Japanse Fukushima in 2011 besloot de Duitse regering alle kerncentrales versneld te sluiten. En dat onder een centrumrechtse regering van christendemocraten en liberalen. Dat was een dramatisch voorbeeld van de verwerping van een techniek die ooit als het pad naar de toekomst werd gepresenteerd. Nieuwe technologieën worden vaak gepresenteerd als een bijna autonome vernieuwer, die niet te stoppen is. De Duitse ‘Energiewende’ maakt echter duidelijk dat er wel degelijk iets te kiezen valt. De kerncentrale met zijn bijbehorende grootschaligheid en controlestaat is niet meer de verbeelding van de toekomst: dat zijn nu de windmolen en het zonnepaneel in een groen en vriendelijk landschap. De toekomst van gisteren is niet de toekomst van vandaag.

Mythes

In Homo Deus, het populaire boek van de historicus Yuval Noah Harari, is techniek de kracht die alles nieuw maakt. Ondertussen maakt de wetenschap volgens Harari genadeloos korte metten met de mythes waar onze samenleving op gebaseerd is. Met mythes bedoelt hij de ‘collectieve hersenspinsels’ die mensen gebruiken om samen te werken in grote verbanden: van religie tot geld en allerlei ideologische overtuigingen. De wetenschap kan God of de ziel, om twee oudere mythes te noemen, niet aantonen. En in het nieuwste hersenonderzoek wordt getornd aan het idee dat de mens een vrije wil heeft, terwijl die de basis vormde van de meer moderne mythe van de autonome mens. Ondertussen weten algoritmen vaak al beter wat wij vinden en willen dan wijzelf.

Tegelijkertijd heeft de techniek ervoor gezorgd dat de mens de wereld beheerst en de middelen in handen heeft om de oude plagen honger, oorlog en ziekte terug te dringen. Het luilekkerland is in het Westen geen toekomstdroom meer, maar ligt voor steeds meer mensen binnen handbereik. Obesitas maakt meer dodelijke slachtoffers dan ondervoeding. Geweld neemt af en epidemieën zijn lang niet meer zo dodelijk als ze ooit waren. Er zal daarom een nieuwe agenda voor de mensheid ontstaan, zo stelt Harari.

Het in de hand houden van klimaatverandering en tegengaan van ongelijkheid staat daarbij niet bovenaan, analyseert hij. Er zal wel een race gaande blijven tussen het verlangen naar economische groei en het vermijden van een ecologische ramp. Maar politici nemen geen daadwerkelijk adequate maatregelen en hopen eigenlijk voortdurend op wonderen, te bewerkstelligen door de wetenschap.

Toch besteedt Harari relatief weinig aandacht aan de dreiging van een dergelijke ramp. De meest significante ontwikkeling die hij voorziet is dat techniek nog dieper in ons dagelijks leven en in onszelf gaat doordringen. Het verzamelen van data wordt steeds belangrijker, dataïsme wordt het nieuwe geloof als opvolger van het humanistische idee dat de autonome mens centraal staat. De voortekenen daarvan zijn inderdaad al zichtbaar: een medewerker van Philips legde onlangs in Het Parool uit hoe goed het is dat huishoudelijke apparaten gegevens gaan delen met bijvoorbeeld medici. Via je elektrische tandenborstel kan je tandarts in de gaten houden hoe de bacteriepopulaties in je mond zich ontwikkelen. En zo zijn er nog veel meer voorbeelden te geven. De mens wordt een dataproducerende eenheid die het eerste gebod van het dataïsme gehoorzaamt: produceer en consumeer zo veel mogelijk informatie.

Door data te produceren heeft de mens in dat schema nog enig nut en dat is maar goed ook, want andere activiteiten, met name werk, worden meer en meer door machines overgenomen, verwacht Harari. Zoals, inderdaad, Der Spiegel al in 1964 voorzag.

Rechtlijnig

Veel toekomstdenkers – zo ook Harari – zien tamelijk rechtlijnige historische ontwikkelingen en trekken die door naar de toekomst. Radkau stelt zich anders op: hij is de historicus die af en toe ook eens rustig achteromkijkt. Daar ziet hij ‘zigzaglijnen’, verrassingen en onverwachte wendingen. Bijvoorbeeld bij de grootste gebeurtenis uit de naoorlogse geschiedenis van Duitsland, de hereniging van de ddr en de ‘oude’ Bondsrepubliek. Die werd op dat moment helemaal niet verwacht. Juist omdat West-Duitsland daar niet mee bezig was, kon die tot stand komen, stelt Radkau. Anders hadden de ddr-autoriteiten, gesteund door de Sovjet-Unie, wel maatregelen genomen om de instorting van het ddr-regime te voorkomen. Juist door een bepaalde toekomst niet te verwachten, kan die werkelijkheid worden.

Radkau raadt toekomstdenkers dan ook aan om rekening te houden met onzekerheden. Sterker nog: onzekerheid zou wat hem betreft zelfs het uitgangspunt moeten zijn voor het denken over de toekomst. Dat de factor onzekerheid vaak buiten beschouwing gelaten wordt, illustreert ook Harari. Hij houdt in Homo Deus weliswaar een paar slagen om de arm en zegt dat voorspellen zinloos is, maar hij presenteert toch een eenduidig en pessimistisch toekomstscenario. Voor de mens zoals we die nu kennen, is er binnenkort geen plaats meer. Die wordt voorbijgestreefd door slimmere machines. Als Harari het pleidooi van zijn Duitse collega had gevolgd, had hij op zijn minst twee toekomstscenario’s ontworpen.

Vrijheid

Futuroloog Jennifer Gidley verzet zich in haar beknopte en boeiende essay nog feller tegen het idee van één bepaalde toekomst. Er zijn verschillende mogelijke toekomsten. Het denken in termen van ‘de’ toekomst schept het idee dat die door voorspelling en vooruitblikken bepaald en beheerst kan worden. Zo’n voorspelling leidt tot een bewering die neerkomt op: ‘Dit is de toekomst en daar gaan we heen!’ Door zo’n positie in te nemen wordt het beeld van de toekomst een ‘machtsconcept’, een manier om het heden te beheersen. Want om die toekomst te bereiken, moeten er uiteraard in het heden bepaalde acties worden verricht. George Orwell schreef in 1984: ‘Wie het verleden beheerst, beheerst de toekomst.’ Maar je kan net zo goed zeggen: ‘Wie de toekomst beheerst, beheerst het heden.’

Het alternatief is uit te gaan van meerdere toekomsten, want dan ontstaat keuze en vrijheid. We kunnen dit doen, maar we kunnen ook iets heel anders doen en in een volstrekt andere toekomst terechtkomen. Gidley verwijst hier naar toekomstdenker Robert Jungk, die met zijn waarschuwingen tegen kernenergie en pleidooien voor milieubescherming in Duitsland in de twintigste eeuw erg invloedrijk was. Hij schilderde aan de ene kant een doembeeld van aantasting van het milieu en de maatschappij, aan de andere kant dat van een gewenste toekomst van ecologische harmonie.

Verdacht

Maar moet er überhaupt wel zoiets als een beeld van de toekomst zijn? In Duitsland werd twijfel over het nut van toekomstbeelden het scherpst verwoord door Helmut Schmidt: ‘Wer Visionen hat, der soll zum Arzt gehen.’ Deze oneliner gaf de scepsis weer over al te rooskleurige beelden. Na de Tweede Wereldoorlog had de utopie in West-Duitsland een slechte reputatie gekregen. Die leidt naar de hel, leerde de ervaring van het Derde Rijk. In de ddr was de communistische heilsleer de officiële visie, en dat was ook geen aanbeveling. Ideeën over de toekomst werden getolereerd, maar ze moesten sober zijn. Het brandmerk ‘utopisch’ of ‘apocalyptisch’ was voldoende om toekomstbeelden terzijde te schuiven.

Het doet denken aan Mark Rutte, die ‘visie’ in zijn H.J. Schoo-lezing van 2013 beschreef als ‘alomvattende blauwdrukken waarmee maatschappelijke problemen in één klap op te lossen zouden zijn’ om dit concept vervolgens als obstakel voor effectief handelen af te wijzen. Het maakt niet alleen denken over de toekomst verdacht, maar moedigt aan de status quo voort te zetten en het meest gangbare idee over de toekomst te onderschrijven, dat van de gestage groei – uiteindelijk juist een weinig constructieve of hoopgevende benadering.

Leven met de catastrofe

Alle drie de boeken eindigen somber, al wordt her en der een uitweg geboden. Volgens Radkau zijn er meer redenen om met zorgen naar de toekomst te kijken dan met hoop. Gidley ziet bijna ‘onoverkomelijke obstakels’ in de komende tijd, maar benadrukt dat zolang we om ‘toekomsten’ blijven geven we ze aan zullen kunnen. Harari roept op zijn beurt op tot nadenken over de rol en invloeden van algoritmen. Toch lijkt het in zijn voorstelling van zaken nauwelijks mogelijk om het dadaïstische tij te keren.

Er is nog een andere conclusie te trekken uit deze boeken. Het denken over de toekomst is gebaat bij historische inzichten, als voedingsbron, inspiratie of als onderzoeksmateriaal. Hoewel Gidley futuroloog is, schetst ze juist de geschiedenis van het toekomstdenken, waardoor haar boek over de toekomst interessant genoeg voor een groot deel over het verleden gaat. De historici Harari en Radkau gebruiken het verleden op heel verschillende manieren. Harari hanteert de geschiedenis om vooruit te kijken en ontpopt zich daarmee tot visionair; Radkau kijkt juist achterom en levert op die manier indirect commentaar op huidige toekomstvisies. Harari beschrijft de ontwikkeling van niets minder dan de mensheid; Radkau brengt de toekomstverwachtingen van slechts één natie van de afgelopen zeventig jaar in kaart. Dat doet Radkau met veel aandacht voor de finesses van de redeneringen van filosofen, activisten, politici en andere denkers. Hij is een detaillist die zaken eerder ingewikkelder maakt dan simpeler; Harari is een gedreven generalist die het omgekeerde doet. De een hanteert de microscoop, de ander de telescoop.

Wie op dit moment de gevolgen van robotisering of klimaatverandering onderzoekt, doet er goed aan oudere voorstellingen nog eens te bekijken. Veel schokkende vooruitzichten waartoe recente ontwikkelingen aanleiding geven, zijn bij nader inzien eigenlijk helemaal niet zo schokkend of nieuw. En misschien valt er zelfs wel te leren van de manier waarop in eerdere tijden met soortgelijke zaken werd omgegaan. Het verleden is de wieg én de begraafplaats van vele toekomstverwachtingen.

Daarbij hoeven we niet overdreven bang te zijn voor optimisten, pessimisten, utopisten, doemdenkers, onheilsprofeten of vooruitgangsgelovigen. Geen van hen heeft ‘de toekomst’ in pacht, hoe weinig tolerant ze ook mogen zijn tegenover mensen die hun toekomstvisie niet delen. Het wordt pas gevaarlijk als die intolerantie ertoe leidt dat andere toekomstbeelden in de taboesfeer worden gedwongen of worden uitgebannen, want juist de diversiteit en heterogeniteit van onze toekomstvisies maakt dat de toekomst is en blijft wat zij moet zijn: radicaal open.