Vier uitgevers
🖋 Arjen Fortuin


Het regent de afgelopen jaren Nederlandse uitgeversbiografieën. Arjen Fortuin, die zelf Van Oorschot voor zijn rekening nam, legt ze voor de Nederlandse Boekengids naast elkaar en vraagt zich af: is de uitgever een culturele figuur die toevallig ook aan zaken doet, of een ondernemer die toevallig in de culturele sector is beland? Door Arjen Fortuin.


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Essay uit dBNg 2017#4

   


De schrijvers staken! Het kostte zelfs de meest ernstige volgers van het literaire circuit moeite om een glimlach te onderdrukken bij de aankondiging van de werkweigering door een aantal auteurs van uitgeverij Atlas Contact aan het begin van de zomer. Want hoe pakt een schrijver dat aan: staken? Wat te doen als de innerlijke noodzaak om te scheppen toch de kop opsteekt? Al het papier in huis verstoppen? De computer op zolder zetten? En, in het verlengde daarvan: is een auteur zelf niet het eerste slachtoffer als hij niet meer schrijft? Wie merkt het als een schrijver staakt? In werkelijkheid schreven de stakende schrijvers natuurlijk gewoon door. Alleen: ze dreigden hun teksten niet meer aan het VBK-concern (waartoe Atlas Contact behoort) te laten lezen. In meer algemeen-economische termen: ze wilden hun goede waar niet meer aan de uitgeverij verkopen.

De schrijvers waren kwaad over het aangekondigde vertrek van uitgever Mizzi van der Pluijm, die zich niet kan vinden in de plannen die vbk heeft met het jaren door haar geleide Atlas Contact. De staking was een zeldzame vorm van gezamenlijke machtsuitoefening. Schrijvers vormen een beroepsgroep van mensen die dermate gefascineerd worden door hun persoonlijke beslommeringen dat de meeste uitgevers collectieve actie niet hoeven te vrezen. Het effect van de actie was dan ook groot. Binnen een week draaide de concernleiding bij en kreeg Van der Pluijm toestemming om te onderzoeken of zij Atlas Contact wellicht kan overnemen.

Het conflict was (en is) een herhalingsoefening. De wensen van de leiding van de grote concerns, verpakt in termen als synergie, efficiency, targets en backoffice, botsen hard met de praktijk van vooral de literaire uitgeverijen. Het gevolg is dat uitgevers en redacteuren zich uitkopen of gewoon de benen nemen, vaak gevolgd door een deel van de schrijvers. Want de literaire wereld mag de afgelopen decennia steeds nadrukkelijker geldgestuurd zijn geworden, zakelijke belangenbehartiging is maar een deel van wat een schrijver verwacht van een uitgever. Persoonlijke aandacht en inhoudelijke begeleiding wegen zwaar.

Grote uitgeefconcerns en literatuur komen vaak niet verder dan een verstandshuwelijk. En ook die lopen uit op scheidingen. Begin deze eeuw zag het pcm-concern Meulenhoff leeglopen, Prometheus zich losmaken en uitgevers Annette Portegies (nu Querido) en Oscar van Gelderen (nu Lebowski) hun biezen pakken. Ook bij de Weekbladpersgroep splitste een groep uitgevers zich een paar jaar geleden af, vbk dreigt nu Atlas Contact te verliezen. Onafhankelijke uitgeverijen hebben het financieel soms zwaar, maar krijgen vaak gelijk: literatuur laat zich nu eenmaal goed produceren in een kleinschalige setting: een kantoor waar de literator met ego en al binnen kan lopen, waar de chef te spreken is en waar de uitgever zonder voorbehoud ‘ja!’ tegen een idee kan zeggen.

Zo valt de uitgeverij steeds weer terug op de basis, die stamt uit de tijd dat de uitgever een ‘meneer’ was. Inmiddels is de verschijningsvorm van die meneer inmiddels meestal die van een mevrouw, maar verder is er veel hetzelfde. Het individualisme van de schrijver wordt op een bepaalde manier voortgezet in het individualisme van degene die ’s schrijvers waar aan de man brengt. Dat literair uitgeven een bij uitstek individualistisch vak is, blijkt ook uit de vier uitgeversbiografieën die de afgelopen anderhalf jaar zijn verschenen, niet toevallig over uitgevers die allen ook weer met elkaar verbonden waren. Emanuel Querido (1871-1943) leerde het vak aan Geert van Oorschot (1909-1987), die besmette Johan Polak (1928-1992) met het verlangen om boeken te maken en vond daarin aanvankelijk in Rob van Gennep (1937-1994) een trouwe compagnon. Jarenlang verschenen er in Nederland amper levensbeschrijvingen van uitgevers. Wat er wel van de drukpers rolde, was summier (Wim Wennekes over Geertjan Lubberhuizen) of vriendelijk en oppervlakkig. Wel werden in Vlaanderen leven en werken van Angèle Manteau (1911-2008) uitgebreid te boek gesteld.

Nu zijn er dus in korte tijd biografieën verschenen van vier twintigste-eeuwse Nederlandse uitgevers: daarmee is de eenentwintigste eeuw voorlopig de Gouden Eeuw van de Nederlandse uitgeversbiografie. De vier levensbeschrijvingen zijn te lezen als een antwoord op de vraag wat een uitgever uiteindelijk is: de verbindende schakel tussen schrijver en lezer. Maar moeten we de uitgever zien als een culturele figuur die toevallig ook aan zaken doet, of als een ondernemer die toevallig in de culturele sector is beland? Ik heb me die vraag nadrukkelijk gesteld in de biografie die ik schreef over Geert van Oorschot en heb hem in gedachten gehouden bij het lezen van de biografieën van Emanuel Querido, Johan Polak en Rob van Gennep.

Slechte schrijvers

Dat geen van de vier droomde van een uitgeversbestaan is zeker: de heren wilden, toen zij jongens waren, schrijver worden. Willem van Toorn schrijft uitgebreid over het schrijnende contrast tussen Emanuel Querido en zijn broer, Israël Querido (1872-1932), die al naam maakte als schrijver terwijl Emanuel nog van het ene onbevredigende baantje in het andere rolde. Op latere leeftijd publiceerde Emanuel onder het pseudoniem Joost Mendes de romancyclus Het geslacht der Santeljano’s, maar als zijn biograaf Van Toorn zijn leeservaring dienaangaande onder woorden moet brengen, belandt hij bij het werkwoord ‘doorworstelen’. En bij ‘onhandigheid’. Geert van Oorschot probeerde als tiener en jonge twintiger met socialistische en gevoelige poëzie (‘In mijn kamer kan ik schreien. / Schreien als van groot verdriet / Als ik nergens heb gevonden / ’t Tere – blijde Liefdelied’) de wereld te veroveren, maar oogstte de ene afwijzing na de andere. Johan Polak zette zijn eerste schreden in de kolommen van het (door hemzelf uitgegeven) Amsterdams Tijdschrift voor Letterkunde en kreeg in 1954 hard op zijn kop van dichter Gerrit Kouwenaar die schreef over ‘ene Johan B.W. Polak, wiens relatie tot de literatuur mij tot dusver niet was opgevallen […] Deze J.B.W. Polak is nl. een doodgewone kunstvlo, een schijnheilige parasiet.’ Aan Rob van Gennep is ook geen groot dichter verloren gegaan. Op zijn twintigste schreef hij: ‘In mijn ongegrond tasten / heb ik gevonden / in mijn onvergeeflijk trachten / ben ik gevonden / in een mateloos vierkant / van eenzaamheid ben ik / toch weer langzaam / verloren gegaan voor jou.’

Gebrek aan talent is geen schande en bovendien gold voor drie van deze vier dat ze een ander groot talent hadden: dingen verkopen. Geert van Oorschot ontdekte dat in het verlengde van zijn verlangen om door te breken als dichter. Hij ging begin jaren dertig bijeenkomsten af van radicaal-socialistische groeperingen om te spreken over zijn jaar in gevangenschap als dienstweigeraar, maar verkocht daar vooral ook zijn eigen dichtbundels met tientallen tegelijk. En later de boeken van anderen. Het was een fraaie paradox: Van Oorschot kondigde in redevoeringen het nakende einde van het kapitalisme aan, om vervolgens met zijn handelswaar de werking van dat kapitalisme te demonstreren.

Emanuel Querido werd boekhandelaar toen hem duidelijk werd dat hij de kunst weinig te bieden had – en bleek in zijn tijd als uitgever eveneens een groot verkoper. Weinig boekhandelaren konden hem weerstaan als hij zich met zijn aanbiedingskoffer bij hen meldde: ‘Hij wist ze hun zuinig houvast te doen verliezen, hij liet ze voelen wat hun taak was, hij ontstak met zijn flambouw van turbulente geestdrift zowaar een klein vlammetje van enthousiasme, dat zich van boekverkoper aan het publiek kon mededelen’, werd er na Querido’s dood over hem geschreven. Het lijkt sprekend op wat er later over Geert van Oorschot verteld zou worden en vindt wat dat betreft een verder echo in de talloze anekdotes over de onweerstaanbare charme van Rob van Gennep. En over de ernst waarmee deze in zijn Modern Antiquariaat elke zaterdag, na een week hard werken in de uitgeverij, boeken recht kwam leggen en bij de minste ongerechtigheid voor de deur met een bezem naar buiten stapte om het stoepje schoon te vegen.

Ondernemers?

Ongetwijfeld hadden Querido, Van Gennep en Van Oorschot – Polak is een ander geval – ook groot (en vast rijker) kunnen worden in de verkoop van huishoudelijke apparatuur, automobielen of onroerend goed, maar dat wilden zij niet. In plaats daarvan kozen zij de veel lastiger boekenmarkt. Daarbij speelde ongetwijfeld een rol dat hun verlangen om literatuur te scheppen verdund was geraakt tot het voornemen om iets te betekenen in de literaire wereld – om daarbij te horen. Dat verlangen was niet alleen literair: deze drie uitgevers waren ook idealistisch gedreven, elk een socialist van een eigen tijdperk. Querido als de klassieke vooroorlogse verheffer, Van Oorschot als de pacifistisch-socialist die door zijn anticommunisme na de oorlog steeds verder afdreef van ‘links’ en uiteindelijk zelfs de PvdA als te radicaal terzijde schoof. En Rob van Gennep, opstandige telg van uit de gegoede Wassenaarse klasse, die de revolte van de jaren zestig in volle overtuiging omarmde.

Het ging deze uitgevers niet alleen om het uitbrengen van boeken. Zelfs niet alleen om het verspreiden van grote literatuur. Nee, die boeken moesten ook nog eens de wereld veranderen. Uitgevers hadden een taak, zie de beschrijving van Querido’s verkoopkunst – en boekhandelaren trouwens ook. Geert van Oorschot had het consequent over ‘het programma’ van zijn uitgeverij, al weigerde hij om zich te laten vastpinnen op wat dat ‘programma’ dan precies inhield. Emanuel Querido maakte zich onsterfelijk met het Duitstalige Querido Verlag in de jaren dertig, waar voor Hitler gevluchte auteurs konden doorgaan met publiceren, tot de nazi’s het ook in Amsterdam voor het zeggen kregen.

Polak was wat dat betreft een uitzondering. Van groot maatschappelijk idealisme is in de biografie van Hilberdink weinig te vinden: het grootste engagement van Johan Polak was de literatuur – en dan niet eens die van zijn eigen tijd, maar van overleden helden als Boutens en Leopold. Waar de ambitie van de andere drie helder was, leek Polak met zijn gezicht naar het verleden te staan: geen levenshouding voor een ondernemer. Bovendien was hij van een dusdanig gegoede komaf dat hij al rijk was voor hij meerderjarig was. Geld hoefde hij niet te verdienen, dat had hij al. Sterker, het schijnt zoveel te zijn geweest (al lees je daar in Hilberdinks biografie weinig specifieks over) dat hij het eigenlijk alleen nog maar kon weggeven.

Goed ondernemerschap hangt ook samen met het verlangen naar winst, het verlangen om te winnen. Dat viel bij Van Gennep, Van Oorschot en Querido in een plooi met hun literaire en maatschappelijke idealisme. Boeken uitgeven is uiteindelijk ook een wedstrijd. Met andere uitgevers, met boekhandelaren, met het publiek. Bij Johan Polak is van dat verlangen niets te bespeuren. Of het nu gaat om de tijdschriften uit het begin van zijn loopbaan, om het begin van uitgeverij Polak & Van Gennep of om zijn solovervolg Athenaeum–Polak & Van Gennep, altijd klonk er: ‘Het geld is geen probleem.’ Hij zocht zijn hele leven niet naar manieren om geld te verdienen, maar naar manieren om zijn geld in te ruilen voor wat hem liever was. Boeken bijvoorbeeld – of liefde.

Je zou je zelfs kunnen afvragen of Johan Polak wel een uitgever was: juist het voor dat vak zo kenmerkende zoeken van de plaats waar culturele en economische waarde elkaar in evenwicht houden, ontbrak bij zijn bedrijf. Zeker is dat hij daardoor moeilijk vergelijkbaar is met andere uitgevers. Polak, de ‘bibliomaan’, wilde mooie boeken hebben en de mooie boeken die er nog niet waren, wilde hij maken. Minstens zozeer om ze in zijn eigen kast te zetten als om de wereld ermee te verrijken.

Johan Polak was een koper, geen verkoper. Ook in de liefde: Hilberdink noemt een reeks relaties van Polak met mannen waarbij financiële toelagen een belangrijke rol speelden. De ene keer was de ruil van geld voor seks heel expliciet, de andere keer impliciet. Of het ging eigenlijk helemaal niet om seks. In de getuigenissen over uitgeverij Polak & Van Gennep (bij Hilberdink maar ook bij Van der Wal) komt vaak naar voren dat Polak zijn jonge kompaan zo knap vond, dat hij alles voor ‘Robbie’ wilde doen. Daar lijkt de mythe de waarheid echter een beetje over te nemen. Want al voor hij Van Gennep ontmoette, was Polak actief als uitgever. Ongetwijfeld vond hij het prettig om in het gezelschap van Van Gennep te verkeren, maar boeken maken was een gezamenlijk verlangen.

In de wijze waarop Polak in de loop der jaren zijn eigen imago uitventte (‘Ik ben joods, ik ben rijk en zo lelijk als een paard. Ik heb niets van de mensen te verwachten’ – soms voegde hij ook zijn homoseksualiteit aan die opsomming toe) valt ook op te maken dat hij zich prettig voelde bij een gechargeerde voorstelling van zaken. Uit de biografie van Hilberdink komt hij naar voren als een man die zich zeer bewust was van zijn buitenstaanderschap en die zich niet graag blootgaf – ook niet in zijn ambities. Door zichzelf een karikaturale rol aan te meten, kon hij uiteindelijk makkelijker ergens bij horen. Scheiding Omdat Rob van Gennep wel een echte uitgever was, moest het vroeger of later gaan schuren bij Polak & Van Gennep. Dat deed het zowel op politiek als op zakelijk gebied. Wat het eerste aanging, werd het in de loop van de jaren zestig steeds moeilijker omdat Van Gennep volop meeging in de studenten- en jongerenrevolte die Amsterdam overspoelde: hij droeg het ene na het andere radicale boek aan. De anticommunist Polak zag met lede ogen aan hoe welwillend de linkse jongeren tegenover tal van twijfelachtige regimes stonden. Op zakelijk gebied lag het ingewikkelder. De voorkeuren van Johan Polak zorgden voor de grootste financiële aderlatingen – het waren geen jaren voor Boutens, zelfs niet gebonden. Dat werd in de praktijk gecompenseerd door hat kapitaal van de familie Polak: Johan zelf of mamá vulde de tekorten wel weer aan.

Geen probleem, zou je in eerste instantie zeggen. Maar voor Rob van Gennep bracht die werkwijze ook zakelijk belangrijke nadelen met zich mee. Omdat de uitgeverij niet of nauwelijks winst maakte, waren de directeurssalarissen laag, wat Johan niet deerde, maar Rob wel. Bovendien waren de salarissen van de medewerkers in lijn met de socialistische ideologie gelijkgeschakeld. Zo werd Rob van Gennep een uitgever die goedlopende boeken uitgaf, maar daar financieel amper van kon profiteren. Voeg daarbij de omstandigheid dat de dagelijkse gang van zaken bij Polak & Van Gennep grotendeels in handen was van Rob van Gennep en Jaap Jansen en het wordt duidelijk dat de wegen van de twee uitgevers wel moesten scheiden.

Johan Polak ging op eigen kracht (en voor eigen rekening) door met het maken van mooie boeken en werd daar zelfs enigszins beroemd mee, al verborg hij zijn trots achter een masker. Op een feest ter ere van zijn vijftigste verjaardag zei hij: ‘Immers, wat is nu eigenlijk een uitgever: 1. hij schrijft het boek of de bundel verzen niet. 2. hij leest het boek of de verzenbundel niet. Als het meezit, snuffelt hij er even aan… 3. hij zet en drukt het boek of de bundel niet. 4. doorgaans corrigeert hij de drukproeven ook niet. 5. hij snijdt en bindt de afgedrukte vellen niet. 6. hij verkoopt die boeken, waarvan hij dan ten slotte na een lange lijdensweg is bevallen, niet. 7. hij koopt ze ook niet. 8. en daarna leest hij ze evenmin.’ Deels was dat natuurlijk een pose – Polak was apetrots toen hij een eredoctoraat kreeg, schrijft Hilberdink – maar feit is dat als je de biografie van Polak leest, je geen moment het idee hebt dat hij gelukkig werd van zijn werk. Intussen profiteerden de lezers: bij Athenaeum verschenen talloze prachtboeken (van Kavafis tot Purdy tot Yourcenar) waarvoor veel andere uitgeverijen zouden zijn teruggeschrokken. Of al waren teruggeschrokken: Geert van Oorschot verwierf de vertaalrechten van Italo Svevo’s De bekentenissen van Zeno al in 1949, maar hij zette nooit een vertaler aan het werk. Polak wel.

Dat dit beeld ontstaat kan ook te maken hebben met de psychologische benadering van Hilberdink, die duidelijk meer geïnteresseerd is in de persoon Polak dan in de zakenman, die de uitgever toch echt ook was. Wat dat betreft hangt Geke van der Wals portret van Rob van Gennep juist naar de andere kant. Zij laat knap zien hoe naadloos Van Gennep in de tijdgeest paste en hoe hij genoot van het internationale uitgeversleven (hij sloeg geen Frankfurter Buchmesse over). Maar waar diens geldingsdrang nu precies vandaan kwam? Hing die samen met de jaren die de ‘lastige’ Rob in pleeggezinnen had doorgebracht, afgesloten van de gebaande Wassenaarse paden van zijn familie? Van der Wal blijft daar wat aan de buitenkant; ineens wil Van Gennep uitgever worden. Zoals hij ook ineens een man blijkt die de mogelijkheden van het open huwelijk tot het dwangmatige toe benut. Daartegenover staat dat Van der Wal de bloeitijd van ‘links’ in Nederland prachtig schetst aan de hand van Van Genneps leven – inclusief het moment waarop diens boekwinkel werd beklad. Niet door de ‘kapitalistiese’ vijand, maar door kwade feministen die vonden dat zij door het machismo van de linkse revolutionairen in de hoek werden gedreven.

Intuïtie

De verhouding tussen een socialistische ideologie en een kapitalistische onderneming – wat uitgeverij Van Gennep hoe dan ook was – is toch al een interessant kenmerk van Rob van Gennep: Uitgever van links Nederland: de paradox is dat de bedrijfsidealen van gelijkheid alleen te handhaven waren zolang de boeken voldoende opbrachten. Maar uiteindelijk moest ook Van Gennep cao-conflicten met zijn medewerkers uitvechten. In zijn laatste jaren, toen de markt voor het linkse boek snel was gekrompen, wist hij de richting van zijn uitgeverij knap te verleggen. Hij ging steeds meer buitenlandse literatuur uitgeven, vaak trouwens boeken die ook best door Johan Polak gemaakt hadden kunnen zijn.

Hij behaalde een enorm succes met de biografie van Jean-Paul Sartre van Annie Cohen-Solal. Een veel te dik boek in een zelden profijtelijk genre (de biografie) dat tot grote hoogten steeg na een onweerstaanbaar flirterige uitzending van het boekenprogramma van Adriaan van Dis op televisie. Een niet te voorspellen succes, maar daarom nog geen pure mazzel. Later had men wel aan Van Gennep gevraagd wat er was gebeurd als Cohen-Solal een dorre kamergeleerde was geweest. Van Genneps antwoord: ‘Ik wist vanaf het begin dat ze dat niet was.’ De rest was uitgeversintuïtie.

Precies dat, intuïtie, is wat steeds weer beslissend is in een uitgeversloopbaan. Querido, Van Oorschot, Polak en Van Gennep misten misschien de verbeelding om een groot schrijver te worden (al had Van Oorschot aan het eind van zijn leven nog succes als R.J. Peskens), ze waren mannen met ideeën. Er was geen zakelijk model dat Emanuel Querido had kunnen voorrekenen dat het een goed idee was om een exil-uitgeverij te beginnen. Of dat Geert van Oorschot had kunnen adviseren om een op dat moment onbetaalbare Russische Bibliotheek in het leven te roepen. Of dat Rob van Gennep op de zakelijke deugden van het antikapitalistische boek had kunnen wijzen. Zoals ook Johan Polak zijn gevoel volgde toen hij besloot dat hij dan weliswaar uitgever zou zijn, maar met een ander businessmodel dan de meesten. Je zou kunnen zeggen: zonder businessmodel.

De literaire uitgeverij is een intuïtieve bedrijfstak en een goede uitgever rekent niet alleen, maar laat zich ook leiden door zijn verbeelding, door de verbeelding van zijn auteurs. Het belang van die intuïtie verklaart waarom het zo vaak misloopt tussen uitgeefconcerns en eigenzinnige uitgevers. Vrijwel alle grote daden die in deze vier biografieën worden beschreven, zouden het in een groter geheel moeilijk hebben gehad wegens de grote risico’s. Hun onafhankelijkheid maakte dat ze zaken al in gang hadden gezet voordat ze spijt konden krijgen van hun eigen roekeloosheid.

Soms kregen ze alsnog spijt, zo blijkt uit deze biografieën. Want een uitgeversbiografie is ook een vorm van bedrijfsgeschiedenis, waarbij alle vier deze boeken (zeker ook het mijne) duidelijk maken dat in het beschrijven van leven en persoonlijkheid van de uitgever, de cijfers weleens in de verdrukking raken. Maar je kunt betogen dat in de culturele wereld inmiddels meer dan genoeg aandacht voor cijfers is. Waarmee we terug zijn bij de conflicten rondom uitgeverij Atlas Contact. Zou de leiding van het vbk-concern een van deze uitgeversbiografieën hebben gelezen, ondanks het cynische lijstje van Johan Polak? Hopelijk toch wel die van Rob van Gennep, die immers bij Atlas Contact is verschenen. Maar of ze die dan begrepen hebben? Want wie deze vier boeken goed leest, ziet dat alle momenten waarop een uitgever iets groots verricht, dat gebeurt op intuïtie – en dat die dus het grootste kapitaal van het bedrijf is. Wie dat weggooit of inkapselt, houdt niets meer over.