Wat is een klimaatroman?

  • 1
    Share

Het klimaatprobleem is nauwelijks een thema in de hedendaagse literatuur. Is dat ondanks de actualiteit en onvoorstelbare omvang ervan, of is deze afwezigheid daar juist aan te wijten? Wat bindt en onderscheidt de schaarse voorbeelden van klimaatfictie en -poëzie? Fiep van Bodegom ging op onderzoek uit. Door Fiep van Bodegom.


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Essay uit dBNg 2017#4

    

Iedereen weet ondertussen dat roken verslavend is en slecht voor de gezondheid. Net zoals de meeste mensen weten dat fossiele brandstof eindig is en de verbranding ervan schadelijk voor de leefomgeving van de mens. Desondanks roken mensen nog steeds, soms totdat ze zelf of een geliefde de diagnose krijgen van een fatale ziekte die aan het roken is gerelateerd. Dan stoppen ze of besluiten ze dat het te laat is. Blijkbaar is weten dat iets slecht is niet genoeg om er ook mee te stoppen. Er zijn gradaties van weten. Weten wat de gevolgen kunnen zijn van een handeling en ze voelen bijvoorbeeld. Weten dat de zeespiegel stijgt of ervaren hoe het is om je woonplaats te moeten ontvluchten vanwege het water.

Volgens Amitav Ghosh biedt de hedendaagse ‘serieuze’ literatuur geen ruimte voor het weergeven van een afschrikwekkend fenomeen als klimaatverandering. De Indiase schrijver stelt in zijn vorig jaar verschenen essaybundel The Great Derangement: Climate Change and the Unthinkable dat hedendaagse literatuur, als gevolg van sociale, culturele en economische ontwikkelingen, niet in staat is zich te verhouden tot verschijnselen waarin de mens niet centraal staat. Oudere vormen van vertellen waarin verschijnselen zoals rivieren, dieren en gemeenschappen wel een eigen stem kunnen hebben, zijn afgeserveerd als achterhaald of primitief. De huidige literatuur is bij uitstek antropocentrisch; de hedendaagse, conventionele roman toont ons de morele ontwikkeling van een hoofdpersoon (soms twee of drie) met bijfiguren en een achtergrond. Deze volgorde impliceert meteen ook een hiërarchie.

Van geocentrisme naar egocentrisme

Een recente en succesvolle uitzondering is Het tegenovergestelde van een mens, Lieke Marsmans veelgeprezen debuutroman. In die roman gaat de jonge klimaatonderzoekster Ida voor haar afstudeeronderzoek naar Italië, waar men van plan is een oude stuwdam in de bergen op te blazen. Ida is klimaatwetenschapper geworden vanwege haar jeugdheldin Naomi Klein, die mensen probeert te overtuigen om wel actie te ondernemen. Ze is in de late jaren tachtig in een Vinex-wijk geboren en heeft zoals de meeste van haar generatiegenoten weinig vertrouwen in de politiek. Als kind probeerde Ida zich voor te stellen hoe het is een ander te zijn, niet alleen een ander persoon of dier maar ook, bijvoorbeeld, een komkommer. Later denkt ze via Descartes, Kant, Pascal en Meillassoux na over de relatie tussen object en subject en hoe deze scheiding de achteloze vernietiging van de aarde mogelijk heeft gemaakt. Door die scheiding, en het bovenmatige belang dat vervolgens aan het subject werd toegekend − van geocentrisme naar egocentrisme zoals Marsman het lapidair omschrijft − heeft de mens zich afgekeerd van de wereld en zichzelf zowel eindeloos eenzaam als superieur gedacht.

De roman is een vloeiende mix van poëzie, proza en essayistiek met lange citaten uit werk van onder anderen Timothy Morton (zie ook de bijdrage van Geerdt Magiels aan dit nummer) en Naomi Klein. Het is opmerkelijk dat de roman voor een theoretische behandeling van klimaatverandering zo sterk leunt op citaten uit filosofisch, wetenschappelijk en journalistiek werk. Blijkbaar is er een urgentie om echte informatie over te brengen die niet langer in de vorm of pretentie van fictie past. Als verhaal past het boek desalniettemin voorbeeldig in Amitav Ghosh’ plaatje van de moderne roman als beschrijving van het morele traject van een individueel subject: Ida komt gedurende het boek tot morele inzichten door in haar eentje te lezen en na te denken over de wereld. Ze verlangt er wel naar met deze wereld te communiceren, maar het is vanaf het begin van de roman duidelijk dat elke poging daartoe tot mislukken gedoemd is. De roman opent met Ida’s vergeefse poging om zich als achtjarige te verplaatsen in de eerdergenoemde komkommer. Als eind-twintiger worstelt Ida met haar relatie met Leopardi-kenner Robin. Het onvermogen tot communiceren tussen de geliefden is vergelijkbaar met het onvermogen tot communiceren tussen Ida en de aarde, en via deze parallel suggereert de roman dat ook in die laatste relatie de machteloze, individuele mens nog steeds centraal staat.

Modern onvermogen

De relatie tussen menselijk handelen en de klimaatverandering is niet eenvoudig meetbaar of zelfs te zien. Anders gezegd, het is mogelijk deze relatie te negeren. Na decennia van onderzoek zijn de meeste onafhankelijke klimaatwetenschappers het er wel over eens dat veranderingen in het klimaat het gevolg zijn van menselijk handelen. Begin juli verscheen in The New York Times Magazine een fors en alarmerend artikel, ‘The Uninhabitable Earth’, over de vraag hoelang de aarde nog bewoonbaar zal zijn. Journalist David Wallace-Wells betoogt dat een warmer klimaat de mens met veel meer bedreigt dan alleen een zeespiegelstijging. Hij stelt bovendien dat klimaatwetenschappers vaak te optimistisch zijn in hun voorspellingen; omdat ze niet alarmistisch en ongeloofwaardig willen overkomen, of omdat ze zich uitsluitend richten op gemiddelde verandering in plaats van op de slechtst mogelijke (of zelfs maar iets slechtere) scenario’s. Het artikel kreeg veel aandacht, zelfs te midden van de vloed aan nieuwsberichten over warmterecords, afbrokkelende ijsschotsen en bosbranden. We hebben heus wel een idee van wat er op ons afkomt.

Waarom speelt deze ontwikkeling, die het voortbestaan van onze soort bedreigt, geen prominente rol in de literatuur die onze soort tot voornaamste onderwerp neemt? Ghosh stelt dat het onvermogen klimaatverandering weer te geven intrinsiek verbonden is aan de moderniteit – een tijdperk dat begon met de industriële revolutie in het Westen en waarin ook de roman zoals wij die nu kennen ontstond. In zijn essay geeft Ghosh erudiete modernisme-kritiek, die hij onderbouwt met een grote hoeveelheid actuele filosofie en historische bronnen. Hij verweeft daarbij kritiek op de eurocentrische benadering van de geschiedenis van de moderniteit met een analyse van de gevolgen van klimaatverandering, en voert daarbij nadrukkelijk ‘niet-Westerse’ – Indiase, Japanse en Nigeriaanse – romanciers en denkers op. Saillant detail: het boek is mede mogelijk gemaakt door ondersteuning van de Ford Foundation.

Op de vraag waarom literatuur überhaupt het medium zou zijn om mensen te informeren en mobiliseren over het klimaat, blijft Ghosh het antwoord schuldig. Hij is zelf romancier, en je zou willen dat zijn analyse van de afwezigheid van dit onderwerp in de romankunst meer stilstond bij de intrinsieke mogelijkheden van die romankunst. In plaats daarvan houdt hij het erop dat die afwezigheid een symptoom is van het westerse modernisme en de daarvoor kenmerkende kortzichtigheid waarmee een bescheiden deel van de wereldbevolking de hele planeet onbewoonbaar dreigt te maken.

Cli-fi 

Opvallend is dat juist een genre als sciencefiction, waar vaak op wordt neergekeken als entertainment, het onderwerp wel behandelt. Er is zelfs een heel nieuw genre ontstaan: climate fiction, olijk afgekort tot cli-fi. Net als in dystopische en apocalyptische films, speelt klimaatverandering in geschreven sciencefiction of speculative fiction al decennia een grote rol. Een goed voorbeeld is Ballards klassieker The Drowned World (1962), waarin een bioloog langzaam gek wordt in het onder water gelopen Londen van 2145. Met het tropische klimaat en de flora en fauna (enorme leguanen) keert de aarde terug naar het trias, het geologische tijdperk van de dinosauriërs. Maar ook in Doris Lessings Mara and Dann (1999) of Margaret Atwoods MaddAddam-trilogie (2003-2013) worden de mogelijkheden voor de mensheid in een ander klimaat inventief en creatief verkend. Een meer recent voorbeeld is N.K. Jemisins The Broken Earth-trilogie (deel drie verscheen begin augustus), waarin de menselijke beschaving cyclisch vernield wordt door aardbevingen en vulkaanuitbarstingen en de daaropvolgende ‘winter’. De overgebleven mensheid leeft sober en angstig in voortdurende staat van paraatheid voor de volgende aardbeving.

Een ander goed voorbeeld van nieuwe cli-fi is Kim Stanley Robinsons New York 2140. De Amerikaanse Robinson schreef al 26 romans en brak door (onder sci-filezers tenminste) met de succesvolle Mars-trilogie. Het New York van 2140 is grotendeels ondergelopen door het smelten van de poolkappen. Door de zeespiegelstijging zijn de kustlijnen over de hele wereld een paar kilometer verschoven. Voorheen waardevol onroerend goed is onbruikbaar geworden en, naar oud Romeins recht, tot gemeengoed – algemeen bezit, publiek noch privé – verklaard. Er is te veel kapitaal in omloop en terwijl het juridische gesteggel over de eigendomsrechten nog bezig is, zijn de financiële markten al begonnen met speculeren op de onbruikbare kuststroken. Ondertussen is er in de ondergelopen gebieden een bloeiende, amfibische subcultuur ontstaan. Migranten en arme New Yorkers hebben de strook met hard werken en inventiviteit weer bewoonbaar gemaakt en dus rijp voor een nieuwe vastgoedbubbel. Eerst proberen investeerders de gebouwen over te nemen met geld, en, als dat niet werkt, door sabotage, dreigementen en hulp van vrienden in de politiek. Kortom, een mix van het al te bekende proces van gentrificatie en Naomi Kleins ‘shock doctrine’.

Robinson vervlecht de instabiliteit van de kuststrook met die van het financiële systeem, dat desondanks met elke crisis weer sterker is geworden. Zijn roman is dan ook niet zozeer een klimaatroman als wel een crisisroman. Zijn visie van New York in 2140 is een mix van het Berlijn ten tijde van de Weimarrepubliek, New York tijdens de drooglegging, de economische boom in de jaren tachtig en na de crisis van 2008. Alle steden zijn gelijktijdig aanwezig, als bij een archeologische opgraving. En hoewel grote delen van de aarde onder water staan, migratie een blijvend probleem is en natuur en wildleven ernstig bedreigd worden, is het eigenlijke probleem nog steeds de financiële wereld. Kapitaal en speculatie maken het ‘de gewone mens’ onmogelijk en veroorzaken een (succesvolle) revolte tegen het financiële systeem. Een utopische visie voor onze tijd, die in een toekomst met nog grotere ruimte- en voedselschaarste trekken heeft van een achterhoedegevecht.

De illusie van westerse superioriteit

Volgens Ghosh is het meer dan alleen de economie die ons in de problemen heeft gebracht. Hij stelt dat de roman, zoals die zich sinds de achttiende eeuw heeft ontwikkeld, een vorm van realisme propageert die zeer specifiek is voor de tijd en plaats waarin hij ontstond: centraal staat daarin een geregeld burgerlijk leven waarin het fantastische (magie, bezielde voorwerpen, communicerende dieren en bomen, wervelstormen en overstromingen) naar het rijk van de fabelen wordt verbannen – naar buiten de serieuze literatuur. Niet alleen maakt de setting al te ingrijpende natuurkrachten ‘onwaarschijnlijk’, de roman concentreert zich bovendien op de morele ontwikkeling van het autonome individu. Vaak wordt deze ontwikkeling gekoppeld aan het ontstaan en de bloei van het kapitalisme.

Ghosh betoogt daarbij dat ook kolonialisme van grote invloed is geweest, vooral het idee van het Westen als voorhoede. Dit zelfbeeld van westerse exceptionaliteit, zeg maar gerust superioriteit, duidt volgens hem vooral op zeer selectieve historische kennis. Tot begin achttiende eeuw ging technologische en artistieke innovatie over de hele wereld nog tamelijk gelijk op; een denker als Descartes was binnen tien jaar na zijn dood ook bekend bij Indiase filosofen. Aardolie werd al eeuwen voor de westerse fossiele economie goed en wel aanving, gewonnen in Yenangyaung (in het huidige Birma) en gebruikt in China en India. Met de annexatie van dat gebied, eind negentiende eeuw, kwamen er voor het eerst lucratieve oliebronnen in handen van de Britten (en later van Burmah-Shell). Toch wordt het jaar 1859, toen in de vs voor het eerst met succes een olieput werd geslagen, nog steeds aangemerkt als het begin van de aardolie-exploitatie. Oftewel, de inheemse technologische ontwikkelingen waren er wel, maar werden met politieke middelen – ondersteund door militaire overmacht – effectief tegengehouden. In navolging van Bruno Latour betoogt Ghosh dat met de ontwikkeling van de moderniteit een even groot project van repressie en compartimentalisering plaatsvond. De wereld is opgedeeld in strikt gescheiden gebieden van wetenschap en cultuur, van vooruitgang en primitiviteit. Maar om te begrijpen wat er met de aarde gebeurt, of wat de mensheid haar heeft aangedaan, moeten we in staat zijn de aarde te zien als entiteit en niet uitsluitend als grondstof of decor voor het leven. De aarde is misschien meer een getergd dier, vele malen sterker dan de mens, dan een passieve klomp grondstoffen.

Een van dingen die het moeilijk maakt over klimaatverandering te schrijven of zelfs maar te denken is natuurlijk de immense schaal, zowel in tijd als in ruimte, waarop ze plaatsvindt. Wellicht is dat de reden dat poëzie geschikter is om dit probleem te bespreken. De compactheid van poëzie maakt het mogelijk te vertellen zonder eerst een setting te schetsen: beelden en indrukken kunnen naast elkaar bestaan zonder dat er expliciet een verband hoeft te worden gelegd. Een volmaakt voorbeeld is het gedicht ‘unnamed dragonfly species’ uit de bundel Well Then There Now (2011) van de Amerikaanse dichteres Juliana Spahr. Een groep mensen – enkel aangeduid met ‘they’ – hoort op het nieuws dat een groot stuk van de Antarctic Pine Island-gletsjer is afgebroken. Ze lezen over de warmste april ooit gemeten en gletsjers en ijskappen die wereldwijd krimpen. Ze volgen de klimaatveranderingen obsessief, ’s avonds laat, alleen, achter hun computer, en proberen de lijnen te zien die hun leven verbinden met deze gebeurtenissen. Waar waren zij in 1988, toen de reeks van warmst gemeten jaren begon? Ze waren aan het feesten of op andere wijze druk met zichzelf. Wat is hun relatie met de kolos van bevroren zoetwater? Een vriendin van hen heeft ooit een gletsjer aangeraakt en ze zijn jaloers op haar directe kennis van dit bedreigde fenomeen. Door Spahrs tekst heen zijn op alfabetische volgorde de namen van planten- en diersoorten die bedreigd worden in de staat New York dikgedrukt. De een na laatste zin van het gedicht is: ‘And so they just went on living while talking loudly.’

Hoe ik een bos in mijn badkamer begon is de tweede bundel van dichteres (en imker) Maartje Smits. In deze bundel, mede geïnspireerd door de ecopoetics van Spahr, onderzoekt Smits de grens tussen natuur en cultuur. Een van de terugkerende elementen in de bundel is het bezoek aan ecoducten. De opdracht, of misschien wel het eerste gedicht van de bundel, heeft als openingsregel ‘voor alle ecoducten die ik stiekem overstak’. Daarop volgt een lijst van acht ecoducten, twee natuurbruggen en twee wildwissels. Deze opdracht stelt de rest van de bundel in een opmerkelijk licht; het is alsof de aangesprokenen van deze gedichten de ecoducten zelf zijn. De ecoducten zijn bovendien het ultieme symbool van de mix tussen natuur en cultuur, een amalgaam waarbij niet meer precies te zeggen is waar welk element begint en eindigt. Met foto’s van menselijk ingrijpen in de natuur, of natuur die gecultiveerd is door en voor mensen, wordt deze grens ook in beeld onderzocht. De onontwarbare kluwen van natuur en cultuur komt mooi tot uiting in een regel als ‘de polder is een geketend getekend

dier’ uit het gedicht ‘Nieuw land fluisterwegen’. Smits’ bundel maakt duidelijk dat de natuur ons altijd omringt. Misschien niet in de overweldigende grootsheid en schoonheid die we sinds de romantiek met die term associëren, maar op een meer bescheiden maar niet minder belangrijke schaal. De bundel dwingt de lezer aandacht te hebben voor de eigen omgeving, om de kleine, sluipende veranderingen daarin waar te kunnen nemen.

Een maatschappij in stilstand

Wellicht is het niet per se een roman die expliciet het klimaat behandelt – op lokale of globale schaal – die de lezer van de somberheid van onze positie kan doordringen. In Autumn, het eerste deel van een geplande romancylus van vier, beschrijft de Schotse Ali Smith het leven in een klein Brits dorp aan de kust na de uitslag van het Brexit-referendum. Hoofdpersoon Elisabeth Demand schreef als kunstgeschiedenisstudent een scriptie over de echt bestaande en bijna vergeten Engels pop-artkunstenares Pauline Boty. Elisabeths fascinatie voor het werk van de kunstenares dankt zij aan haar oude buurman Daniel Gluck, met wie ze innig bevriend was als kind. Hij was het die haar vertelde over de collages van Pauline Boty, zijn grote onbeantwoorde liefde.

Na jaren van vervreemding keert Elisabeth terug naar het dorp van haar jeugd, waar ze bij haar moeder intrekt om te zorgen voor de stervende Daniel. Niet het verstrijken van de tijd of de dood is het grootste probleem tussen deze onwaarschijnlijke geliefden; het is het verschil in leeftijd. In de kuststreek zijn na de verkiezingen huizen beklad met racistische leuzen. Bovendien is er buiten het dorp een complex verrezen met een hoog elektrisch hek eromheen dat wordt bewaakt door een privaat beveiligingsbedrijf. Het vermoeden is dat het een opvang voor migranten is. Elisabeth zit nu, als dertiger, vast in een provincieplaats buiten de geschiedenis: een marginale en volstrekt disfunctionele plek binnen de restanten van wat eens een wereldrijk was. Vanwege bureaucratische eisen voor haar pasfoto heeft Elisabeth bijvoorbeeld grote moeite om een paspoort aan te vragen. De stupiditeit en ernst van de postbeambte die haar aanvraag in behandeling moet nemen, lijken symbolisch voor de impasse waarin zijzelf en haar land terecht zijn gekomen. Namelijk op een eiland met afkalvende kustlijn en een maatschappij die vasthoudt aan een autonomie die altijd alleen mogelijk was door de rest van de wereld uit te buiten. De roman schildert de nadagen van een cultuur die niet in staat is mee te veranderen met een in sociaal, economisch en klimatologisch opzicht veranderende wereld.

Amitav Ghosh legt een verband tussen de met kostbaar zoetwater geïrrigeerde gazons in Californië en Abu Dhabi en de groene gazons van de landhuizen in Jane Austens romans. Haar werk, en de cultuur waar het onderdeel van was en is, produceert verlangens naar levensstijlen – goederen en cultuurproducten – die de schadelijkheid van de cultuur die ze voortbrengt zowel illustreren als ontkennen. Een echte klimaatroman is misschien dan ook wel niet de roman die laat zien hoe verschrikkelijk het met de wereld gesteld is, of die lezers mobiliseert om actie te ondernemen – laat dat beter over aan andere bronnen, media en genres. Wellicht is wat de klimaatroman nastreeft tegelijk bescheidener en grootser: het verlangen opwekken naar een leven dat niet zonder meer tegengesteld is aan het voortbestaan van de wereld, maar er op de een of andere manier mee samenvalt.


  • 1
    Share