Nero was een schatje


Politiek machtsvertoon, praalzucht en een allesoverheersende persoonlijkheidscultus; de vergelijking tussen president Trump en de Romeinse keizers is snel gemaakt, vooral bij die keizers die als gestoord te boek staan. Bovendien staan zowel de keizers als Trump garant voor onophoudelijke speculatie en roddelzucht. Wat betekent deze verwikkeling van persoonlijkheid en macht, en vooral onze obsessie daarmee? Jacqueline Klooster bespreekt aan de hand van twee recente keizersbiografieën hoe ‘senatoriale roddel’ ons beeld van de machthebbers van toen en van nu vormgeeft. Door Jacqueline Klooster.


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Essay uit dBNg 2017#4


Een eerste kennismaking met de geschiedschrijver Tacitus en de biograaf Suetonius staat garant voor verbijstering. Keizers die hun familieleden (m/v) een voor een verkrachten of op even gruwelijke als vindingrijke wijze vermoorden (Caligula, Nero); hun paard tot consul willen benoemen (Caligula); Rome in brand steken, onderwijl artistiek musicerend (Nero); zich in het zwembad door baby’s laten bevredigen (Tiberius); opgesloten in hun paleiskamer urenlang vliegen martelen met een schrijfpen (Domitianus). Het staat er echt. Maar wat is dit voor eigenlijk voor informatie?

Een kritische houding tegenover de Romeinse historiografen is inmiddels wetenschappelijk gemeengoed. Volgens moderne historici zijn hun verhalen een onontwarbare kluwen van kwaadwillende roddel en overdrijving met hier en daar wat accurate berichtgeving. We moeten daarbij beseffen dat geschiedschrijvers als Tacitus eigenlijk vrijwel altijd tot de conservatieve senatoriale elite behoorden die niets ophad met het keizerschap – dat de macht van de senaat immers sterk inperkte. Zij verlangden terug naar de tijd vóórdat Julius Caesar de Rubicon was overgestoken: de goede oude Republiek, waarin een weldenkende minderheid van steenrijke patriciërs het nog gewoon voor het zeggen had.

Bovendien vonden er tijdens de keizertijd enkele grote machtsverschuivingen plaats die de verslaggeving extra kleurden. De Julisch-Claudische dynastie werd na een woelig intermezzo (het driekeizerjaar, 69 AD) bijvoorbeeld vervangen door de Flaviërs. Wie schreef onder de Flaviërs, deed er verstandig aan leden van de verdwenen dynastie postuum zwart te maken, voor contrast met het heerlijke heden. Door een dergelijk patina van misprijzen en opportunisme zien wij dus de privélevens van de Romeinse keizers: vooral een staalkaart van wat er volgens de rechtgeaarde conservatieve Romein allemaal niet door de beugel kon (losbandige seks, luxueuze behuizingen, feesten en diners, artistieke neigingen). De stem van het volk, bij wie veel van deze keizers mateloos populair waren, horen we vrijwel nooit.

Desondanks buitelen klassiek geschoolde commentatoren sinds november vorig jaar over elkaar heen om parallellen te trekken tussen de Romeinse kei- van ‘de elite’. Hij omringt zich natuurlijk niet met vrijgelaten slaven, maar wel met ongekwalificeerde vertrouwelingen, zoals zijn dochter en schoonzoon. Het golden shower-schandaal zou niet misstaan in de biografie van Caligula of Nero. De protserige weelde van Trump Tower roept Nero’s gigantische Domus Aurea in herinnering.

De vraag blijft alleen wat we denken daaruit op te kunnen maken. Het is duidelijk dat iedere vergelijking politiek-historisch mankgaat, al was het maar omdat Trump democratisch gekozen is en de moderne geopolitieke wereldorde nogal verschilt van die van de Romeinse tijd. Misschien nog wel veelzeggender, en bedroevender, is echter dat er nu helemaal geen innuendo of misrepresentatie door kwaadwillende media voor nodig is om een krankzinnig beeld van de POTUS te schetsen. Het ene bizarre schandaal volgt het andere rampzalige besluit in alle openheid op, en het lijkt er steeds meer op dat er geen sprake is van strategie of koers, maar gewoon van angstwekkende domheid, desinteresse en overmoed. Er valt weinig te verdraaien.

Des te griezeliger is het besef dat het meest fundamentele verschil tussen Trump en de keizers schuilt in de reikwijdte van hun macht. Met zijn hand boven de raket-lanceerknop is de eerste potentieel oneindig veel gevaarlijker voor wie er onder zijn gezag ressorteren (en zelfs daarbuiten) dan Tiberius, Caligula, Nero en al die andere monsters bij elkaar. Trumps dwaasheden, overmoed en ongeremdheid zijn alleen daardoor al van een heel andere orde dan de extravagantie van de keizers. Om Mary Beard te parafraseren in haar recente SPQR: voor e en kleine elite in en rond de senaat en het hof was het ongetwijfeld zeer belangrijk of Claudius regeerde of Nero, maar voor het gros van de Romeinen zal het weinig verschil hebben gemaakt.

De mens achter de macht

De belangrijkste gemene deler lijkt dan ook vooral de fascinatie die er uitgaat van het ‘persoonlijke gezicht’ van macht. Wat zeggen de zichtbare karaktereigenschappen van een heerser over zijn stijl van regeren? Hoe zijn privé en politiek verweven? Dat is wat ‘de kijkers thuis’ willen weten, en dus wat de antieke auteurs en de moderne media ons willen vertellen. En aangezien de keizers uiteindelijk ook maar mensen aan de macht waren, blijven ook zij fascineren, als gezichten van die macht, al te menselijk en erdoor gecorrumpeerd.

Een uiting van die fascinatie zijn de onverminderd populaire pogingen door het bolster van Taciteïsch innuendo heen te breken om de blanke pit van de heersers te vinden en ze te begrijpen in menselijke termen. Het klassieke voorbeeld daarvan is natuurlijk

Robert Graves’ onvergetelijke ‘Clau-Clau-Claudius’. Recent zijn er ook weer twee keizers onderwerp van dergelijke biografische benaderingen geworden. Allebei zouden ze ten onrechte zijn weggezet als monsters; Tiberius, de raadselachtige, paranoïde en wrede opvolger van Augustus, die in vrijwel alles het tegendeel lijkt van zijn overweldigend succesvolle adoptievader, en Nero, laatste telg van de Julisch-Claudische dynastie, berucht wegens broedermoord, incest met moeder, pyromanie, en amateurtheater.

Oudhistorica Willemijn van Dijk beschrijft in haar boek De opvolger Tiberius’ onverwachte aantreden, op 57-jarige leeftijd, als opvolger van Augustus, na het onfortuinlijke sneven van al diens uitverkoren kleinzoons en adoptiefzoons. Ze maakt overtuigend duidelijk hoe weinig plezier Tiberius daaraan beleefd kan hebben. Daarbij schetst zij de meedogenloze manipulaties aan het hof. Huwelijken waren er slechts voor het smeden van allianties tussen verschillende familietakken en het voortbrengen van geschikte opvolgers. Rücksichtslos worden kinderen en echtgenotes voortgeschoven op het grote Augusteïsche schaakbord. Wie niet meedoet wordt verbannen naar een van de vele onherbergzame eilandjes. Zo creëer je een dynastie. Uitdrukkelijk probeert Van Dijk Tiberius te rehabiliteren. De teneur is dat hij eigenlijk best een redelijk heerser was, niet monsterlijker dan de anderen. Dit overtuigt niet helemaal, al was het maar omdat niet duidelijk wordt wat Tiberius dan precies zo goed deed, afgezien van het diplomatieke succes met de Parthen en de militaire overwinningen op de Germanen – beide overigens voordat hij aantrad als heerser. Dat hij de vrije hand liet aan zijn sinistere adjudant Sejanus en mede daardoor talloze onschuldige doden op zijn geweten had, wordt hem curieus genoeg niet echt nagedragen. De vraag blijft naar wiens maatstaven Tiberius dan een redelijk heerser was. De Romeinse of de onze? Dat een keizer moorden op zijn geweten had was kennelijk ‘normaal’, maar moeten we het daarom ook acceptabel vinden?

Hoewel Van Dijk in een kort nawoord verantwoording a egt voor de informatie die ze gebruikt heeft voor haar beeld van Tiberius, re ecteert ze vrijwel nergens op haar brongebruik. Het blijf voor de lezer gissen welke bronnen zij wel wenste te gebruiken, welke niet, en waarom. Zo wordt de notoire episode op Capri, waar Tiberius zijn laatste jaren volgens Suetonius en Tacitus doorbracht met het seksueel misbruiken van kinderen en slaven, weggewimpeld als ‘senatoriale roddel’. Ongetwijfeld, maar de interessantere vraag is waarom die roddel deze specifieke vorm aannam. Hem stellen zou licht hebben geworpen op de Romeinse praktijk om (geheel in lijn met een zeer oude, onder meer platoonse, traditie) ‘slechte’ heersers steevast af te schilderen als ‘ten prooi aan de lage driften’. Wie zichzelf niet in de hand heeft, is ook niet geschikt om over een rijk te heersen. Dit verklaart de karakteristieke proliferatie van scandaleuze escapades en incest, maar ook spil- en vraatzucht in keizerbiografieën. De kwalificatie ‘senatoriale roddel’ biedt hier dus echt te weinig inzicht.
In werkelijkheid is de aantijging van seksuele onbeheerstheid een gecodeerde boodschap. Tiberius miste fysieke en morele zelfbeheersing, lees: de kracht en het karakter om te heersen over het Romeinse Rijk. Hij trok zich onzichtbaar terug op een eiland (wie weet wat hij daar allemaal uitspookte) en liet Sejanus het werk opknappen, met alle rampzalige gevolgen van dien. Mutatis mutandis zou het dan ook net zo vreemd zijn om Trumps notoire grab ’em by the pussy– lmpje af te doen als ‘verdachtmakingen van de linkse media’, onze eigen variant van ‘senatoriale roddel’. Het feit dat zoiets over Trump boven water wordt gehaald, en vooral dat het belangrijk genoeg wordt gevonden om steeds herhaald te worden om hem te typeren, zegt minder over Trump en zijn relatie met de media of de publieke opinie dan over courante morele opvattingen over het presidentschap. Wie als privépersoon niet in staat is zich respectvol tot vrouwen te verhouden is niet geschikt als president van ‘alle Amerikanen’, is een boodschap die je erin zou kunnen lezen.

Zulke inzichten leveren historisch meer op dan ‘de lezer mee te voeren naar de tijd van Tiberius’ door de emoties van historische personages in te vullen, zoals Van Dijk doet. Soms slaagt dat namelijk wel, maar vaak pakt het wat gratuit uit, zoals wanneer we horen dat Tiberius, toen Augustus op sterven lag, er voor het eerst in zijn leven ‘misschien wel klaar voor was’ keizer te worden, zonder dat daarbij wordt uitgelegd waarom dan, of waaruit we dat zouden kunnen opmaken. Elders schetst Van Dijk een Augustus die zijn verdriet over zijn beoogde opvolger Marcellus ‘een plek moest geven’. Ja, hij moest inderdaad snel een nieuwe man voor zijn dochter Julia/een troonopvolger vinden, en dat deed hij dan ook zonder aarzelen, en waarschijnlijk zonder Julia te raadplegen. Je kunt wel proberen het in moderne therapeutische termen te vangen, maar dat is ten diepste ahistorisch en treft ook nog eens niet de keiharde vastberadenheid van Augustus’ dynastieke obsessie.

Nero was een schatje

Soms vroeg ik me tijdens het lezen van dit boek af waarom Van Dijk er eigenlijk niet voor had gekozen een roman te schrijven. Dan hoef je in elk geval geen verantwoording af te leggen voor je keuzes, en kun je het materiaal precies zo interpreteren als je zelf wilt. Margaret George, bekend van eerdere historische bestsellers over Henry vii en Elizabeth i, doet precies dit in haar vuistdikke The Confessions of Young Nero (deel een, lopend tot aan de brand van Rome). Zij tracht na zorgvuldig bronnenonderzoek in de huid van Nero te kruipen.

Daarbij lijkt ze vooral geïnspireerd door de recente studie van Edward Champlin, Nero (2003), die op ingenieuze wijze de informatie van Suetonius en Tacitus, hoe waanzinnig ook, in elk geval tracht te interpreteren. Bijvoorbeeld: waarom speelde Nero in zijn acteurscarrière zo graag moedermoordenaars als Orestes en Alcmaeon? Omdat, suggereert Champlin, Nero gebruikmaakte van het feit dat Romeinen mythisch drama altijd geneigd waren symbolisch te betrekken op de actualiteit. Nero gaf bewust toe een moedermoordenaar te zijn, achtervolgd door de furiën van Agrippina. Net als Orestes (=Nero), die zijn overspelige en machtswellustige moeder Clytaemnestra (=Agrippina) had gedood onder meer om zijn stad Argos (=Rome) te redden van haar slechte bewind, kon Nero namelijk niet anders. Die moord op de (staats)gevaarlijke moeder moest het publiek hem dus niet aanrekenen. Een fascinerend interpretatiemodel, en behoorlijk waarschijnlijk.

Hoe dat ook zij, ondanks thematisch geslaagde, suggestieve momenten zoals Nero’s (historisch verantwoorde) fascinatie met de homerische antiheld Paris, of met zijn eigen Egyptische oudoom, zoon van de fabelachtige Cleopatra en Marcus Antonius, schiet ook George soms door in haar streven Nero invoelbaar te maken voor de moderne lezer. De arme kleine Nero is een gevoelig en dromerig ventje dat door zijn lieve tante en een paar toffe Griekse slaven wordt opgevoed terwijl zijn krankzinnige oom Caligula hem telkens dreigt te vermoorden. Pas als adolescent leert hij zijn even manipulatieve als bloedmooie moeder Agrippina kennen, die hem vanaf het begin tot zijn angstige fascinatie op een ‘verkeerde’ manier liefkoost, terwijl hij zich tevergeefs van haar probeert te distantiëren. Zijn adoptiefbroer Britannicus is een achterbakse rotzak, die met Agrippina samenzweert om Nero uit de weg te ruimen. Logisch dat beiden eraan moeten geloven: het is eten of gegeten worden. Gelukkig vindt de diep getraumatiseerde jonge keizer in de liefhebbende vrijgelaten slavin Acte zijn grote liefde en betere ik. Helaas raakt hij, zoals dat nu eenmaal gebeurt met verwarde pubers, ook in de ban van de meedogenloze, ijdele Poppaea. Verder is hij gewoon een onbegrepen genie met het hart op de juiste plek: gewaagde ingenieursplannen, artistieke en sportieve inborst, en een voorliefde voor het ‘gewone volk’. En Rome heeft hij natuurlijk niet echt in brand gestoken.

Kortom, alles wat Nero in de schoenen geschoven wordt, wordt hier goedgepraat, genormaliseerd of op andermans conto geschreven. Na een tijdje snakt de lezer naar de ook aanvankelijk gevoelige, maar allengs steeds waanzinnigere Nero, de bloedige dichter van de modernistische romancier Dezső Kosztolànyi (1922), of toch op zijn minst naar de Nero van Champlin, die Rome tenminste wél in brand stak, al stond hij er dan misschien niet bij te zingen. Deze Nero is een beetje al te gewoontjes en millennial – en daardoor dus, paradoxaal genoeg, ongeloofwaardig.

Want dat is wel de meest curieuze oogst van het lezen van deze rehabilitaties van antieke monsters onder het presidentschap van Trump. Je gaat je onwillekeurig afvragen: waren die keizers misschien niet toch echt net zo erg als Tacitus en Suetonius beweren? Bij wijze van gedachtenexperiment: wat zou er gebeuren als er over tweeduizend jaar krantenberichten over Trumps optreden opdoken om bestudeerd te worden door historici? Zouden zij niet ook geneigd zijn te geloven dat het allemaal een beetje overdreven is, die onophoudelijke opeenvolging van schandalen en bizar beleid? En zouden er dan ook pogingen gedaan worden om van POTUS Trump een wat grove maar ook heel innovatieve man met het hart op de juiste plaats te maken, verdacht gemaakt door de afgunstige linkse media?

Om een cynisch antwoord op deze vraag te geven: het lijkt er in elk geval op dat Trump al het mogelijke doet om een dergelijk scenario te voorkomen. Als het aan hem ligt, met zijn intrekken van de National Endowment for the Humanities en zijn ramkoers op klimaatbeleid, zijn er over tweeduizend jaar namelijk helemaal geen historici meer.