Blauw bloed, zwart gedachtegoed – De verloren eer van freule Van Boetzelaer


Na meer dan zeventig jaar woedt de Tweede Wereldoorlog nog altijd voort als strijd om het duidingsgezag. ‘We wage the war we are’ dichtte W.H. Auden al over ons (on)vermogen eerlijk op onze geschiedenis te reflecteren. Maarten van Voorst tot Voorst ziet dat onvermogen tot nieuwe hoogten stijgen met de dit jaar warm onthaalde oorlogsfamiliekroniek van freule Van Boetzelaer. Door Maarten van Voorst tot Voorst.


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Essay uit dBNg 2017#4

 

Oorlogsouders

In haar debuut Oorlogsouders tracht Isabel van Boetzelaer, zelf opgegroeid met een beladen oorlogsverleden, ‘volledig gebaseerd op waarheid en feiten’ het oorlogsverleden van haar familie te bewaren. Haar verhaal: een Nederlandse baron meldt zich als jongeman in 1940 vrijwillig bij de SS, vecht aan het Oostfront, en werkt vervolgens als rechercheur van de Sicherheitspolizei in het bezette Den Haag mee aan de arrestatie van verzetsmensen en Joden. Na de oorlog wordt hij aanvankelijk tot twintig jaar gevangenisstraf veroordeeld, maar reeds in 1957 wordt hem gratie verleend. Als vrij man ontmoet Willem zijn tweede echtgenote, de Duitse Ingrid von der Recke, wier ouders gedurende de oorlog ‘in het verkeerde land aan de goede kant’ stonden en hun aanstaande schoonzoon daarom aanvankelijk met scepsis ontvangen. Totdat het verhaal aanbelandt bij het huwelijk van Willem en Ingrid alterneren de hoofdstukken tussen de lotgevallen van beide adellijke families, de Van Boetzelaers en de Von der Reckes. In het slothoofdstuk maakt dochter Isabel de balans op: tijdens een bezoek aan het voorouderlijk Schloss Schochwitz wordt haar duidelijk hoe diep het verleden van haar oorlogsouders ook haar leven heeft getekend.

Terecht merkt Van Boetzelaer op dat haar adellijke afkomst een extra dimensie aan haar relaas toevoegt. Het zelfbeeld van de adel werd gereguleerd door een waardensysteem van eer- en standbegrippen waarmee deze klasse haar macht en invloed legitimeerde en aan de buitenwacht presenteerde. Het morele kompas voer op door de eeuwen heen verfijnde noties van trouw, integriteit, moed, dienstbaarheid – waarden die niet onderhevig zouden zijn aan de grillen van de tijdgeest, samengevat in het credo ‘noblesse oblige’. In het geval van Van Boetzelaers vader rijmt deze collectieve aspiratie echter niet met zijn persoonlijke keuze om lid van de SS te worden. Ook andere Nederlandse edellieden raakten gedurende het onstuimige Interbellum op het dwaalspoor van extreemrechtse heilsleren, Groot-Nederlandse almachtsfantasieën, rassenwaan, heerszucht, ressentiment en rancune. Deze groep van nazistisch-gezinde aristocraten is in Nederland nog nauwelijks onderzocht en blijft in eigen kring taboe.

De adel en de nazi’s

In Duitsland verscheen in 2004 evenwel een studie over nazisme en de Duitse adel van de hand van Stephan Malinowski. Het in de Duitse pers veelbesproken Vom König zum Führer: Deutscher Adel und Nationalsozialismus analyseert de radicaliseringsprocessen die zich sinds het einde van de negentiende eeuw in adellijke milieus voltrokken en veegt de vloer aan met de mythe dat de adel zich massaal tegen het naziregime verzette. Malinowski beschrijft ook de apologetische verhaalcultuur (Erzählgemeinschaft) die na de oorlog ontstond: een collectief narratief dat met behulp van verdraaiingen, halve waarheden en relativeringen de adel van alle blaam zuivert. In haar memoires, dagboeken en anekdoten gaf de adelstand als het ware een Persilschein – een verklaring van goed gedrag – aan zichzelf waarbij de adellijke kopstukken van de mislukte couppoging van 20 juli 1944 vaak als joker fungeerden om de verstrikking met het naziregime te maskeren.

Een goed voorbeeld van iemand die deze verdoezelstrategie gebruikte was de journaliste Marion Gräfin Dönhoff. Ze wierp zichzelf op als de aangewezen kroniekschrijfster van de mannen rondom Graf Stauffenberg en verheerlijkte hen als belichaming van een imaginair Pruisisch adelsethos. Haar werk lezend, zou je haast vergeten dat het Duitse verzet niet alleen bestond uit heroïsche graven en baronnen, die vanuit premoderne noties van eer, zelfopoffering en patriottisme hun leven riskeerden, maar ook uit mensen als Georg Elser, timmerman, die de burgermoed had om te proberen Hitler met een zelfgebouwde bom uit de weg te ruimen. Tot aan haar levenseinde bleef Dönhoff stug haar eenzijdige, gemystificeerde visie van een edelmoedig, conservatief adellijk verzet propageren. Dat de namen van haar twee broers en tal van andere adelsgeslachten in de NSDAP-ledenregisters te vinden zijn, daarover zweeg de gravin. Dat de belangenorganisatie Deutsche Adelsgenossenschaft al in 1920 door de invoering van een Arierparagraph standgenoten van Joodse afkomst uitsloot, paste evenmin in het naoorlogse zelfbeeld van de adel.

Zelfbedrog

Van Boetzelaer had er goed aan gedaan Malinowski’s werk te lezen, want haar boek past feilloos in het door hem geschetste kader. Ik geloof niet dat er in Oorlogsouders werkelijk kwade opzet in het spel is, maar naïviteit, onwetendheid en een diepgeworteld verlangen om ook aan de goede kant van de geschiedenis te staan, vertroebelen Van Boetzelaers blik op haar bronmateriaal. De feiten die ik hieronder zal opvoeren, suggereren op zijn minst dat haar gebrek aan afstand uitmondt in zelfbedrog.

Des te opmerkelijker is het dat ook deskundige lezers die die afstand wel hebben, zich door Van Boetzelaers relaas hebben laten verleiden. Op de flaptekst stelt journalist Ad van Liempt dat hij maar zelden een oorlogsmemoire ‘van dit hoge niveau’ heeft gelezen, en prijst Alexander Münninghoff de ‘objectiviteit’ van het boek. Oorlogsouders kreeg bovendien een warm onthaal in de pers, met ruime aandacht in onder meer Het Parool, JAN en De Telegraaf. Kennelijk zijn een aantal uiterst problematische feiten – via het beroep van de auteur op haar eigen herinnering, mondelinge overleveringen en egodocumenten – aan de kritische aandacht ontsnapt.

De kleine leugens

Omdat Isabel van Boetzelaers moeder Ingrid nog jong was ten tijde van de oorlog, voert ze haar grootouders op als kroongetuigen om het antinazisme van haar Duitse familie aan te tonen, bijvoorbeeld met een herhaaldelijk terugkerende anekdote over grootvader Hilmar Baron von der Recke, telg van een oud Koerlands geslacht. De baron zou een diepe verachting voor het in zijn ogen ordinaire nazigepeupel gekoesterd hebben; niet dat het hem ervan weerhield carrière te maken, eerst bij de politie en later in de Wehrmacht. Zijn ludieke verzet bestond erin, zo gaat de familielegende, bij officiële ontvangsten zijn rechterarm steeds in een mitella te dragen, zodat hij de Hitlergroet niet hoefde te brengen.

Er zijn meer van dit soort, als opmaat tot het grote verhaal van de familieonschuld fungerende, white lies. In een hoofdstuk dat zich afspeelt op 9 november 1938, het begin van de Reichskristallnacht, is het schoolmeisje Ingrid er getuige van hoe een Joods stel op straat belaagd wordt door het nazirapaille, de opgejaagde man zodanig toegetakeld dat ‘het bloed onder zijn keppeltje doorsijpelde’ terwijl hij ‘een Jiddisch gebed’ prevelde. Maar hoe aannemelijk is het dat een Joodse burger in het vijfde jaar van de nazidictatuur zich nog op straat waagde met een keppeltje? (Overigens nog afgezien van het feit dat het Duitse jodendom sinds de Haskala, de joodse verlichting, zeer seculier georiënteerd was en men zulke kledij over het algemeen niet in het dagelijks leven droeg.) Evenmin plausibel is dat het een ‘Jiddisch gebed’ betrof, aangezien deze taal vrijwel niet in de liturgische teksten van dit geloof wordt gebruikt (het Hebreeuws is immers de heilige taal). De filmische scène wordt voortgezet: Ingrid rent ‘in doodsangst’ naar huis, waar haar moeder Louise haar geruststelt en ‘met een ijzige blik op haar bleek geworden gezicht’, zegt: ‘Vandaag zijn het de joden, en morgen de adel.’ Waarmee de dramatische scène dus uitmondt in een onsmakelijke en historisch onzinnige vergelijking. Door valselijk te suggereren dat de adel dezelfde stelselmatige vervolging als de Joden stond te wachten, usurpeert Louise het Joods slachtofferschap voor zich en haar milieu.

De grote leugen

Ook Malinowski acht deze anekdotes desgevraagd ‘onwaarschijnlijk’ en rubriceert ze als deel van ‘de adellijke cultuur van leugen en zelfenscenering die na 1945 gangbaar werd’. Maar Van Boetzelaer gaat nog een stap verder. In Oorlogsouders schrijft ze dat haar grootvader Hilmar via zijn contact met de landbouw- magnaat Carl Wentzel ingewijd was in het complot van 20 juli 1944 en dat hij na de mislukte aanslag vastzat in de beruchte Berlijnse Plötzensee-gevangenis, waar hij ondanks wekenlange Gestapo-verhoren niets losliet. Na zijn vrijlating was hij een fysiek en emotioneel gebroken man. Zowel het verhaal als de melodramatische stijl waarin het verteld wordt, doen zozeer denken aan een scène uit een oorlogsfilm dat je je onwillekeurig begint af te vragen hoe ‘waarheidsgetrouw’ het boek nu eigenlijk is.

Een telefoongesprek met Johannes Tuchel, directeur van de Gedenkstätte Deutscher Widerstand, verschaft duidelijkheid. De naam van Isabels grootvader komt niet voor in de archieven van gevangenis Plötzensee. Er was daar nooit een gevangene Hilmar von der Recke en evenmin was hij betrokken bij de befaamde couppoging. De door Ingrid opgehemelde ‘favoriete peetoom’ Wentzel werd mede door toedoen van haar oom Ludolf gedenuncieerd en in december 1944 in Plötzensee vermoord. Wentzels biografe Eva Scherf is in haar onderzoek Hilmar nooit tegengekomen. Het hoofdstuk ‘Onkel Carl’ blijkt dus grotendeels een verzinsel te zijn.

Hoe heeft zo’n grote dode hoek in Van Boetzelaers herinnering kunnen ontstaan? De Duitse sociaal-psycholoog Harald Welzer stelde in zijn onderzoek vast dat binnen families doorgegeven verhalen over de oorlog meestal opgeschoond en geheroïseerd worden; voor misdaden en antisemitisme is meestal geen ruimte in het familiegeheugen. Dat Van Boetzelaer haar grootvader als couppleger verheerlijkt waar één telefoontje genoeg was geweest om achter de waarheid te komen, grenst aan een gotspe. Ook verder (door ondergetekende) ondernomen onderzoek toont aan dat haar draaiboek op groteske wijze van de realiteit afwijkt.

Stalag XII A

Ver voorbij het door Oorlogsouders opgetrokken rookgordijn doemen de werkelijke contouren van Hilmars loopbaan op. Bevreemdend is dat het penitentiaire facet van de door zijn kleindochter verdichte ‘waarheid en feiten’ in spiegelbeeld terugkeert: Oberst Von der Recke was vanaf oktober 1942 namelijk commandant van het Duitse krijgsgevangenenkamp Stalag XII A bij Limburg an der Lahn, een integrale schakel binnen het kampensysteem van de nazi’s. Geallieerde gevangenen werden hier met treinen uit alle frontgebieden aangevoerd. Waarschijnlijk werden er in de loop van de oorlog rond de 100.000 mensen geregistreerd. De populatie binnen het door prikkeldraad en wachttorens omheinde Stalag fluctueerde hevig doordat duizenden gevangenen vanuit het kamp aangestuurd werden om zich in fabrieken en landbouwbedrijven dood te werken. Dit gigantische reservoir aan dwangarbeiders was de spil in de oorlogseconomie van het militaire district Wehrkreis XII, een gebied groter dan Nederland dat een significant deel van Zuid-West Duitsland omvatte.

Raciale en ideologische criteria bepaalden de behandeling van de gedetineerden. Voor militairen in Franse en Britse dienst werden de Geneefse Conventies min of meer gehandhaafd. Russen, door de propaganda als Slawische Untermenschen afgeschilderd, hadden het bijzonder zwaar te verduren; als men ze al niet liet verhongeren, stierven ze door uitputting en slavenarbeid. Hun uitgemergelde geraamten werden in massagraven gestort. Er zijn ook gevallen bekend van Russen die vanuit xii a naar concentratiekampen zoals Mauthausen en Buchenwald gedeporteerd werden. Naarmate het Derde Rijk de ondergang naderde, verzonk het door Hilmar beheerde xii a in wanorde. Vanaf de herfst van 1944 raakten de barakken overvol met door de Duitsers tijdens Operation Market Garden en het Ardennenoffensief gegrepen geallieerde soldaten. Bovendien werd een deel van het kamp in december verwoest door een mislukt bombardement op een naburig station. Door epidemieën en honger nam de sterfte schrikbarend toe. De foto’s van de tot op het bot vermagerde soldaat Joe Demler gingen de hele wereld rond. Tegenwoordig herinnert nauwelijks nog iets aan de ellende en de terreur van weleer: hoeveel mensen er stierven is onbekend en
er zijn amper tastbare sporen van het kamp. Het is een vergeten geschiedenis die schreeuwt om nader wetenschappelijk onderzoek.

Na de oorlog weet Hilmar zich op slinkse wijze te onttrekken aan een enquête. Zo geeft hij in een akte valselijk aan dat hij in januari 1945 ontslagen werd wegens het niet brengen van de ‘Duitse groet’ – de oermythe! – en werd ‘verdacht op betrokkenheid bij de 20 juli 1944’. Daarvoor ontbreekt zoals gezegd ieder bewijs, en evenmin werd hij ontslagen. In deze Entnazifizierung-dossiers werd vaak gelogen en ook Hilmar nam het niet zo nauw met de waarheid. Hij versluiert bijvoorbeeld zijn NSDAP-lidmaatschap, en ook Van Boetzelaer stelt dat haar grootvader geen lid was. Zijn NSDAP-registratie, nr. 2462410, is gedateerd op 1 mei 1933. In Hilmars akte verder geen spoor van het meeslepende verzetsepos dat zijn kleindochter hem toedicht. (Ook bij de Studienkreis Deutscher Widerstand en de Bundeszentralkartei zu Entschädi- gungsakten blijkt hij volstrekt onbekend te zijn.)

Als het sprookje van de ‘saubere Wehrmacht’ langzaam begint af te brokkelen, krijgt de West- Duitse justitie hem weer in het vizier. In de jaren zestig wordt hij verhoord in verband met deportaties van Russen naar KZ Mauthausen, maar weer slaagt de baron er in de dans te ontspringen. In de decennia na zijn dood in 1972, beginnen historici zoals Christian Streit het lot van de Sovjet-krijgsgevangenen onder de aandacht te brengen en worden de duizelingwekkende proporties van het op uitbuiting en vernietiging gerichte systeem duidelijk. Meer dan 5 miljoen Russen raakten in Duits krijgsgevangenschap, meer dan 3,3 miljoen overleefden het niet. Evenmin overleefde de herinnering dat Von der Recke de scepter zwaaide over een van die kampen. Ziehier het zelfreinigend vermogen van het familiegeheugen: Oorlogsouders rept met geen woord over dit inktzwarte hoofdstuk. Een en ander werpt een nogal cynisch licht op de passages waarin Van Boetzelaer rept over haar grootvader als postzegel- verzamelende en tuinierende frêle bejaarde.

‘Fout’ neutraliseren?

De ontmaskering van dit centrale element van haar relaas – Hilmar als een in Plötzensee gemartelde tegenstander van het regime – als fictie maakt de vraag naar het waarheidsgehalte van Oorlogsouders werkelijk dringend. De enigszins gekunstelde opbouw waarmee de schrijfster tracht het vaderlijke ‘fout’ door een grootouderlijk ‘goed’ te neutraliseren is onhoudbaar.

Ook op de verhaallijn aan vaderskant valt methodologisch het een en ander af te dingen. Het naoorlogse vonnis tegen haar vader citeert Van Boetzelaer uitvoerig en gebruikt zij als maatstaf om zijn daden te beoordelen. Omdat ten tijde van het oordeel in 1947 de activiteiten van de Nederlandse SS’ers nog nauwelijks in kaart waren gebracht, reppen de geciteerde passages met maar weinig woorden over Unterscharführer Willems traject in vijandelijke dienst. Het is mogelijk dat het beeld van deze levensfase hierdoor vertekend is, want recente onderzoeken over Nederlandse SS’ers gedurende Operatie Barbarossa hebben belangrijke nieuwe feiten aan het licht gebracht, met name over hun betrokkenheid bij misdaden tegen de Joodse bevolking.

Zo berichtte historicus Evertjan van Roekel in zijn boek Jongens van Nederland (2011) bijvoorbeeld over een Nederlandse SS’er, dienstdoende in de divisie Wiking, die in de zomer van 1941 in zijn dagboek noteerde: ‘Vergeten heb ik nog te vertellen hoe mooi het was om in Tarnopol een opperrabbijn aan de toren van zijn synagoge op te hangen en toen de synagoge in brand te steken.’ Van Boetzelaer vermeldt dat Willem als lid van dezelfde eenheid aan de verovering van die stad in dat jaar deelnam. Hij moet op zijn minst van het pogrom in Tarnopol geweten hebben. Waarom heeft zijn dochter deze nieuwe studies niet geraadpleegd? Waarom weigert zij zijn bewering dat hij van de massamoorden aan het Oostfront geen kennis had, te bevragen? Dat zij concludeert dat hij een ‘liefdevol en rechtvaardig’ man was, is vanuit het perspectief van een dochter wel te begrijpen, maar wat heeft de lezer er in het licht van het voorgaande aan?

Eigen verantwoordelijkheid

‘Wie het gedaan heeft, heeft het gedaan en niet iemand anders’, schreef Harry Mulisch in De Aanslag (1982). In het morele universum van Van Boetzelaer ontbreekt het concept van eigen verantwoordelijkheid echter volledig. Steeds herhaalt ze dat haar protagonisten ‘onervaren’ of ‘beïnvloedbaar’ waren en dat ze ‘met de stroom mee moesten’ of ‘geen keuze’ hadden. Befehl ist Befehl. Ook al was het antisemitische beleid van Hitler in de jaren dertig ook in Nederland al gevoeglijk bekend, zij doet het voorkomen alsof haar vader een apolitieke pion was die slechts door zijn jeugdige drang naar avontuur betrokken raakte bij de ss. Dat hij zich vrijwel direct na de Nederlandse capitulatie als vrijwilliger meldde bij deze ideologische en militaire speerpunt van het regime, doet daar in de ogen van Van Boetzelaer niet aan af.

Ook na zijn frontervaringen blijft hij met zijn politiewerk de bezetter trouw en zegt hij over de arrestatie van Joodse onderduikers: ‘Deed ik het niet dan deed een ander het’. En ook Hilmar – de werkelijke, niet de geïdealiseerde versie – werkte zoals we zagen gedienstig mee met een misdadig regime en loog na de oorlog alles bij elkaar om zijn eigen hachje te redden. Volgens Van Boetzelaer konden ze beiden niet anders handelen. Nergens confronteert zij deze prangende vragen over verantwoordelijkheid en berouw. Het morele kompas zwijgt.

Kwalijk is daarbij dat Van Boetzelaer in Oor- logsouders de morele tekortkomingen van haar familieleden steeds probeert te camoufleren door op die van anderen te wijzen (de bolsjewisten zijn in dit opzicht favoriet) en door hen te presenteren als slachtoffers. De scheidingslijn tussen dader en slachtoffer vervaagt volledig; het is een tendens die historica Evelien Gans als ‘nivellering’ typeert. De Von der Reckes – ‘arm als kerkratten’ – lijden na de oorlog uitgebreid honger en kou in een beeldtaal die meer doet denken aan beschrijvingen van belaagde getto’s dan aan de nood in het verslagen Duitsland. Als Van Boetzelaer uitweidt over ‘gevangenen die verbleven in overvolle tenten op de kale grond’, ‘door- en doornatte gevangenen’ die in de winter doodvroren, ‘zwaar werk op een rantsoen van 600-800 calorieën’ en ‘mishandelingen in de vorm van stokslagen en trappen’, heeft zij het niet over Hilmars regime in Stalag XII A, maar over zijn naoorlogse krijgsgevangenschap. (Het zijn overigens zinsneden uit een naar het Nederlands vertaald plagiaat van het 1953 in Buenos Aires verschenen Alliierte Kriegs- verbrechen, een apologetiek voor het Derde Rijk.) Willem jeremieert in brieven over de beproevingen van zijn gevangenisstraf – hard werk, slecht eten en eenzame opsluiting –, maar nimmer lijkt dit tot een dieper inzicht over zijn eigen verantwoordelijkheid en berouw voor zijn daden te leiden.

Maar de camouflagestrategie werkt ook in het heden: dat de in het boek als Johan geanonimiseerde halfbroer van de schrijfster met een zeer conservatieve law & order-agenda bij onder andere Vlaams Belang colporteert, verzwijgt het boek. Was het niet belangwekkender geweest de vinger juist op de zere plek te leggen en te vragen waarom deze halfbroer, wiens vader uit eigen beweging jarenlang een barbaarse dictatuur besloot te dienen (en wiens grootvader prof. Harmen Westra als NSB-burgemeester van Den Haag deelnam aan de Jodenvervolging) zelf ook de politieke extremen weer opzoekt en zich overgeeft aan dromen over het belang van een ‘natuurlijke gemeenschap’?

De moderne realiteit

Naast het wel en wee van haar familie, vertelt Van Boetzelaer met Oorlogsouders onbedoeld nog een ander verhaal, namelijk dat van een mislukt aanpassingsproces aan de moderne realiteit. Tussen alle weemoedige lamentaties over het verlies van antieke erfstukken en uitgestrekte landgoederen door, proeft men een zekere nostalgie naar de tijden waarin de adel het nu eenmaal voor het zeggen had. Zo was het blijkbaar de normaalste zaak van de wereld dat er op de veroordeelde crimineel Willem van Boetzelaer na zijn vrijlating een idyllisch landgoed lag te wachten
– terwijl de overlevenden van de Holocaust vaak jarenlang moesten procederen om wat restte van hun gestolen eigendom terug te krijgen.

De woelige Duitse geschiedenis van de twintigste eeuw stortte ook de adel en de quasi-feodale structuren van Koerland en Oost-Pruisen in een existentiële crisis. In plaats van deel te nemen aan democratische processen en een constructieve, eigentijdse invulling aan hun adellijke identiteit te geven, slaagden veel Junkers er niet in zich in hun sociale declassering te schikken, laat staan er overheen te stappen. Ook Van Boetzelaers familie slaagde daar kennelijk niet in, en vluchtte liever in fantasiewerelden; haar vader in de droom van een Groot-Germaans Rijk, haar moeder in de onschuld van het paardrijden.

Het is tragisch en kwalijk dat Van Boetzelaer, in haar pogingen zich van het stigma van haar ‘foute vader’ te ontdoen, een nieuw podium biedt aan de dubieuze verhalen waarmee een oudere generatie haar geweten probeerde te zuiveren.

 

* Mijn dank gaat uit naar dr. Stephan Malinowski (University of Edinburgh), prof. dr. Johannes Tuchel (Gedenkestätte Deutscher Widerstand, Berlijn), dr. Rebekka Friedman (King’s College, Londen), Michel Krielaars, Chaja Polak, prof. dr. Evelien Gans, Elske van der Velden, Evertjan van Roekel en Dana Schlegelmilch en Adolf Morlang (Gedenkinitiative Diez/Limburg).