Een als emancipatie vermomde stap achteruit


Begin mei verscheen bij Atlas Contact de bloemlezing Queer, waarin 44 LHBT-hoogtepunten uit de naoorlogse literatuur van Nederland en Vlaanderen bijeengebracht worden. Bloemlezingen zijn bedoeld ter kennismaking, maar ook om de opgenomen teksten in een bepaald daglicht te stellen. In het geval van Queer is overduidelijk welk daglicht de samenstellers voor ogen hadden: alle teksten in de bloemlezing bevinden zich buiten het dominante gender- of seksualiteitsdiscours en kunnen dus gelezen worden als literatuur over queerness. Maar waarom moest er nu een bundeling komen van juist deze 44 teksten? Door Obe Alkema.


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Essay uit dBNg 2017#4


Dat teksten van buiten het dominante gender- of seksualiteitsdiscours gebundeld uitgeven worden, helpt om literatuur over queerness uit de marge te trekken. Zo’n bloemlezing breekt literaire hokjes open en levert een bijdrage aan bredere maatschappelijke discussies over seksuele variatie, gender en het binaire denken in termen van man en vrouw. De term ‘queer’ heeft namelijk, net als de begrippen man en vrouw, homo en hetero, betrekking op hoe iemand zich identificeert. Maar in tegenstelling tot een begrip als ‘hetero’, dat een persoon de mogelijkheid biedt zich te identificeren als ‘aangetrokken tot mensen van het andere geslacht’, zijn de mogelijkheden voor iemand die zich als queer identificeert legio en nooit vaststaand, maar instabiel en vloeiend.

Queerness stelt zo de persoonlijke ervaring van een individu voorop, de volstrekt eigen uitdrukkingsvorm van een persoon, zonder diegene in een hokje te duwen. Het begrip maakt het mogelijk om individuele identiteit te beschouwen als een complex van gender, seksualiteit, sekse, klasse, etniciteit, opleidingsniveau, lichaamsbouw, afkomst, enzovoorts. In haar recensie van de bundel in de Volkskrant schreef Persis Bekkering: ‘Queer is een manier van leven en denken die alle hokjes bevraagt, dus ook het onderscheid tussen genders en geaardheden. Man en vrouw, homo en hetero, het zijn constructen, geen essenties. Voor queers is LHBT te determinerend. Queer is, in de woorden van Maggie Nelson, het besef “dat niets wat we in dit bestaan doen dichtgetimmerd hoeft te worden”.’

Omdat het begrip queer laat zien dat aan de enorme variëteit aan genderidentificaties en seksuele voorkeuren geen recht wordt gedaan wanneer we in termen van man en vrouw, homo en hetero blijven praten, heeft het begrip een politiek potentieel.
Het breekt bestaande categorieën open en breidt een tekortschietend vocabulaire uit, ontdoet het
van beklemmende normen. De transfeminiene (transgender, zich identificerend met femininiteit) performer en activist Alok Vaid-Menon formuleerde het puntig: ‘Daily affirmation to nonbinary and gender non-conforming people: It’s not just that we aren’t “men” or “women,” it’s that we are so much more than “men” or “women.” It’s hard to have your abundance mistaken as absence.’ Met het begrip zo prominent op het omslag, lijkt Queer inderdaad een politiek doel na te streven: het wil bijdragen aan de emancipatie van mensen die zich niet enkel als hetero of homo identificeren, door te laten zien hoe vaak en op welke manieren er in de Nederlandse literatuur aandacht is geweest voor queerness, voor mensen die méér zijn dan alleen man of vrouw of homo of hetero.

Depolitisering van queerness

Xandra Schutte suggereert in haar voorwoord echter dat Queer er juist niet op uit is om bij te dragen aan emancipatie, omdat de emancipatie van niet-heteroseksuele individuen gedurende de afgelopen zeventig jaar, de periode die de bundel bestrijkt, tot voltooiing is gekomen: ‘Er was een emancipatiebeweging voor nodig geweest, homo’s gingen rechten eisen, en inmiddels is homoseksualiteit zo vanzelfsprekend dat de eigen vereniging koninklijk is goedgekeurd; dat je kunt trouwen voor de wet; dat gemeenten bij de gedoogde homo-ontmoetingsplekken in bossen en op parkeerhavens gedienstig de afvalbakken neerzetten; dat voor het eigen jaarlijkse carnaval op de Amsterdamse grachten de massa’s uitlopen […].’ Dat de emancipatie van niet-hetero’s voltooid zou zijn, valt volgens Schutte ook op te maken uit het feit dat de aanvankelijke emancipatiebeweging, die ageerde tegen burgerlijke bekrompenheid, inmiddels zelf het toonbeeld van burgerlijkheid geworden is. Schutte schrijft: ‘Homo’s zijn, om met Gerrit Komrij te spreken, van boegbeelden van rebellie boegbeelden van gezelligheid geworden.’

Hier tekent zich mijns inziens het eerste grote probleem met de bloemlezing af: het voltooid verklaren van de emancipatie van niet-hetero’s is anno 2017 voorbarig. Tot in de jaren negentig gold homoseksualiteit nog als ziekte. Pas in 2001 stelde Nederland als eerste land ter wereld het huwelijk open voor homoseksuelen. Toch kon de Volkskrant begin april nog berichtten over het steeds intolerantere beleid van diverse gemeenten ten overstaan van homo-ontmoetingsplaatsen. Johan Derksen stond weliswaar na de haatmisdaad in Arnhem lekker gay hand in hand met René van der Gijp (de mannen van Voetbal International veroordelen homogeweld en gaan hand in hand!), maar laatstgenoemde heeft ook een aantal uiterst problematische uitspraken gedaan over homoseksualiteit in het voetbal. Laten we behalve het geweld in Arnhem vooral ook niet de recente voorvallen in Amsterdam, Eindhoven, Rotterdam vergeten – en dit zijn slechts een paar voorbeelden. Wat het Voetbal International-voorbeeld en Schuttes voorwoord vooral duidelijk maken, is dat het Nederlandse zelf beeld, drijvend op tolerantie, vrijheid en diversiteit, makkelijk te verwarren is met daadwerkelijke emancipatie en acceptatie. In de Nederlandse beeldvorming is homoseksualiteit wellicht iets wat er gewoon bij hoort, maar als puntje bij paaltje komt, blijkt dat er duidelijke en wringende grenzen zijn aan deze inclusiviteit. Het door de maatschappij bewegen van niet-heteroseksuelen is nog altijd een proces van onafgebroken schipperen en onderhandelen.

Originaliteit als selectiecriterium

Het tweede grote probleem van de bloemlezing: ondanks de titel is ze geen poging ‘hokjes’ te bevragen of te doorbreken. In de verantwoording schrijft Nienke van Leverink dat Queer teksten samenbrengt die ‘op een unieke manier uitdrukking geven aan homo-, bi- of transseksualiteit’. Samen met de historische schets van de homo-emancipatie van de afgelopen halve eeuw, suggereert deze verantwoording dat de teksten in het boek uitdrukking geven aan ofwel homoseksualiteit, ofwel biseksualiteit, ofwel transseksualiteit. De bundel plaatst de teksten dus alsnog in hokjes.

In het werk van Maurits de Bruijn, dat niet in de bloemlezing is opgenomen, functioneert seksualiteit als een vorm van weerstand tegen het dominante denken over seksualiteit, omdat het verschillen tussen man en vrouw of homo en hetero niet in binaire opposities afbeeldt, maar aantoont hoe kunstmatig die categorieën zijn. Hij is niet de enige. De Bruijn maakt deel uit van een generatie jonge schrijvers waartoe ook Maartje Wortel, Niña Weijers en Hanna Bervoets behoren, die geen essentialistische identiteitspolitiek bedrijft, maar juist de nuances en mogelijkheden van seksualiteit en genderidentificatie laat zien. Schutte toont, door zich achter Komrijs positie te scharen, een nostalgie naar auteurs als Gerard Reve die op recalcitrante wijze uitdrukking gaven aan hun niet- hetero-zijn. Het is een gemiste kans dat Schutte zich niet werkelijk engageert met hedendaagse auteurs, maar er in plaats daarvan voor kiest de subversieve kracht van literatuur van homoseksuele schrijvers vooral als iets van vroeger te beschouwen.

De naïviteit die spreekt uit Schuttes voorwoord werkt door in het enige selectiecriterium van de bloemlezing, en in de resulterende selectie. Van Leverink heeft zich in haar keuze laten leiden door ‘originaliteit’. Maar hoe karakteriseer je originaliteit? En zou je een zo precaire en politiek gevoelige aangelegenheid wel laten afhangen van een zoektocht naar originaliteit? Waarom niet gewoon kiezen voor een overzichtsbloemlezing: een bundeling van zo veel mogelijk LHBT- of queerliteratuur – ter kennismaking voor je lezers en uit respect voor tot nog toe onderbelichte tradities. Maar helaas, er moest een ‘eigenzinnige selectie ontstaan, als afspiegeling van de rijkdom van de Nederlandse literatuur’. Door deze nadruk op het literaire en originele, ten koste van het politieke en onderzoekende, kon het gebeuren dat ‘een tekst, hoe mooi en geschikt ook, het toch af moest leggen ten faveure van een weerbarstiger geval’. Met als gevolg dat er flink wat voor queerness belangwekkende jonge schrijvers ontbreken die zich op andere manieren bezighouden met gender en seksualiteit.

De onhoudbaarheid van dit originaliteitscriterium wordt eveneens zichtbaar in de afwezigheid van twee sleutelauteurs: Maxim Februari en L.H. Ferrier. Wat mij betreft waren de 120 pagina’s van Februari’s De maakbare man. Notities over transseksualiteit (2013) volledig opgenomen in deze bundel, omdat dat boekje heel helder, zonder geschiedvervalsing en zonder te vervallen in eindeloze anekdotes, duidelijk maakt wat gender is, wat seksualiteit is, hoe we kunnen nadenken over noties als mannelijk- en vrouwelijkheid en androgynie, en vooral hoe wel en niet om te gaan met mensen die zich anders dan volgens de gebruikelijke norm identificeren. Dan had ook meteen Februari’s NRCcolumn van eind juli meegenomen kunnen worden, waarin hij orde schept in de begripsverwarringen rondom gender, sekse en transidentiteit. Ferrier (dus ook geslachtofferd aan het originaliteitscriterium) schreef ondertussen een van de meest queere Nederlandstalige romans die ik las, Âtman (1968): een prachtige roman waarin natuur, emoties, kameraadschap, seksualiteit en de Surinaamse geschiedenis verknoopt worden in een zeer ongebruikelijk coming of age-verhaal.

Politieke verantwoordelijkheid

Eigenlijk lijkt het begrip queer hier aangewend te zijn als excuus voor het gebrek aan een duidelijke onderbouwing van de gemaakte keuzes. Nu kan het handig zijn om die vraag in het luchtledige te laten hangen, maar voor het politieke project dat deze bloemlezing toch is, heeft dat onaanvaardbare gevolgen… Niet alleen Schutte gaat het begrip liever helemaal uit de weg, ook Van Leverink omzeilt het. Nergens wordt duidelijk wat de literatuur in de bloemlezing dan precies queer maakt. (Slaat ‘queerness’ soms op de identiteit van de auteur? Nee, dan was een auteur als Simon Vestdijk niet opgenomen.) De vraag die zich vervolgens aandient, is waarom slechts een zeer klein percentage van de opgenomen auteurs zich als niet-cisgender identificeert (dat wil zeggen: niet als iemand die zich volgens het geslacht dat bij geboorte is vastgesteld identificeert) en waarom een even klein percentage auteurs van kleur is. Queer wil de ‘variëteit aan representatie van LHBT in de Nederlandse literatuur’ laten zien, maar slaat de plank volledig mis met een overwegend cisgender en witte auteursselectie.

Als het begrip queer serieus genomen was, hadden deze kwesties zowel in het maakproces als in een expliciet statement ter hand genomen kunnen worden. Zit queerness in teksten zelf? Is daarin iets te identificeren als een queer-esthetiek? Van Leverink noemt verhaalkeuze, vorm en stijl als manieren waarop uitdrukking gegeven kan worden aan alternatieve seksualiteiten. Vooral bij de poëzie in de bloemlezing – die het heeft van de suggestie, het onuitgesprokene en het ambigue – begint de schoen dan te wringen. Persis Bekkering schreef hierover in de Volkskrant: ‘De meeste gedichten gaan over liefde, maar benoemen niet tot wie die liefde is gericht, man of vrouw. En als een vrouwelijke dichter schrijft over een vrouwelijke geliefde, verwar je dan niet het “ik” van het gedicht met de auteur zelf? Wat maakt deze poëzie LHBT of queer?’ – belangrijke vragen die onbeantwoord blijven. Had Van Leverink maar geprobeerd om queerness te conceptualiseren en een aantal lijnen uit te zetten om te onderzoeken of er zoiets bestaat als een queer-esthetiek. Want te stellen dat de teksten voor zichzelf spreken en ‘hopelijk hun eigen dimensie’ (wat dat ook moge betekenen) creëren, ‘ver weg van heteronormatieve dominantie’ (idem), en het dus maar aan de lezer over te laten, is een wel erg gemakkelijk schuwen van de eigen verantwoordelijkheid als bloemlezer.

Nu is iedere poging tot bloemlezen rond dit onderwerp van harte aan te bevelen, al is het maar omdat het betekent dat de discussie over het onderwerp op waarde wordt geschat en de urgentie ervan onderkend. Dat is in deze tijd, die gekenmerkt wordt door verruwing en (nog altijd) veelvuldig geweld tegen seksuele minderheden, zelfs noodzakelijk.
Er zijn ook genoeg hedendaagse schrijvers bezig met queerness (en uitgevers en recensenten met diversiteitskwesties) om zo’n project te laten slagen. Maar Queer slaagt er niet in deze taak te volbrengen. Ook een minder misleidende titel had de inleiding, selectie en verantwoording niet minder problematisch gemaakt: het boek heeft hoe je het ook wendt of keert een grote verantwoordelijkheid, maar neemt deze niet. Wat beklijft is het beeld dat er wordt meegesurft op een hype, het fenomeen wil kapen voor economisch gewin. De Gay Pride is per slot van rekening vooral een commercieel succes, en ook de homo flirt van Voetbal International zal extra hoge kijkcijfers hebben opgeleverd. Dat Atlas Contact ter promotie van de bloemlezing voor de Gay Pride van 5 augustus 2017 een banner met daarop ‘this is our pride’ aan het uitgeverspand hing, spreekt boekdelen: er is hier geen sprake van emancipatie, maar van een als emancipatie vermomde stap achteruit.