De gruwelijke dood van een oude, onschuldige, eenzame Nederlandse vrouw
🖋 Rodaan Al Galidi


 

Uit: Rodaan Al Galidi, Duizend-en-een nachtmerries (Uitgeverij Jurgen Maas 2017), 173 blz.

 

Magda Huisjes was een streng christelijke vrouw. Ze had haar hele leven in hetzelfde huis gewoond, waar ze ook geboren was. Toen haar moeder op eenennegentigjarige leeftijd overleed, erfde ze het huis. Ze was toen zeventig. Er was boven geen douche, alleen een wastobbe. Dat illustreerde hoe oud het sombere huis was, en het leven dat zich daar afspeelde. Een week na de begrafenis kocht Magda Huisjes een televisie. Toen haar moeder nog leefde was dat onmogelijk geweest. Nooit ging Magda op vakantie, niemand kon zelfs bevestigen dat ze ooit buiten het dorp was geweest. Ze leek ook erg op haar moeder, ze was net zo stabiel en had financieel alles goed op orde. Het was een sober bestaan, maar ze had precies genoeg geld, niets meer en niets minder dan nodig. Woorden als vakantie, museum, restaurantje, theater, weekendje weg kwamen in haar leven niet voor.

Op een dag gebeurde er iets in het leven van Magda Huisjes: in het huis tegenover het hare kwam een zwarte man wonen. Magda had veel zwarte mensen gezien in de christelijke tijdschriften die ze al vijftig jaar lang las en toch schrok ze, want in het echt had ze nog nooit iemand met een donkere huidskleur gezien. Magda wist verder niets over de man, behalve dat hij zwart was. Soms keek ze nieuwsgierig door haar gordijnen naar hem. Eén keertje keek hij ook naar haar en glimlachte en zwaaide, maar Magda schrok, en daarna zwaaide hij niet meer.

’s Avond keek ze naar Opsporing verzocht. Weer schrok ze, want de man die door de politie gezocht werd was zwart. Meteen belde ze het nummer dat op het scherm verscheen.

‘Ja, hallo, met Magda Huisjes. Ik zag net dat jullie een zwarte man zoeken. Nou, ik weet waar hij woont, ja. Boslaan 21. Ja, hij is nu thuis. Ik zie hem door het raam. Hij staat in de keuken, naast... Ja... Hij vult een wit kopje met zwarte koffie, ik zie dat hij er twee klontjes suiker in doet, en eh... Nee... Geen melk... Het adres? De zwarte man bedoelt u? Boslaan. Nummer 21. 21.’

‘Is zijn naam Clement Ofodile?’

‘Geen idee, maar ik heb hem herkend van de tv. Hij is de man die jullie zoeken.’

‘Dank u, mevrouw Huisjes. Wees voorzichtig. We zoeken deze man al maanden, verzeker u ervan dat uw deuren goed op slot zijn. Deze man is een gevaarlijke crimineel. De agenten zijn al onderweg.’

Magda Huisjes rende naar de voordeur, draaide die meteen op slot en vergrendelde ook de achterdeur en de ramen. Ze trok alle gordijnen dicht en hield vanachter het gordijn haar buurman angstvallig in de gaten. Ze zag dat hij aan de telefoon was, en meteen belde ze weer het nummer van de politie.

‘Die zwarte man staat te bellen. Misschien weet hij dat ik jullie heb gewaarschuwd.’

‘Maak u geen zorgen, mevrouw Huisjes, hij kan er niet achter komen dat u heeft gebeld. U heeft uw deuren op slot? Goed. Bovendien zijn de agenten onderweg.’

Het klopte, want nog geen vijftien minuten later had de politie het huis van de zwarte man omsingeld. Ze klopten aan en Magda zag dat haar buurman opendeed en de agenten binnenliet. Slechts een paar minuten later vertrokken de agenten weer. Zonder de zwarte buurman. Magda zag dat haar buurman meer koffie inschonk en weer iemand belde. Ze belde de politie om te horen waarom ze hem niet hadden meegenomen. Er werd haar verteld dat ze een andere man zochten. Magda probeerde de agent aan de lijn duidelijk te maken dat haar zwarte buurman dezelfde man was als die in het televisieprogramma, en de agent probeerde haar uit te leggen dat de man in hun programma iemand anders was. Ze konden elkaar niet overtuigen.

Magda Huisjes bleef bang voor haar buurman. Een week later keek ze weer naar Opsporing verzocht. Er werd opnieuw een zwarte man gezocht. Meteen belde ze het nummer op het scherm en zei dat de man die ze zochten tegenover haar woonde. Ze gaf het adres door, maar de agent aan de andere kant van de lijn zei onmiddellijk dat dat niet degene was die ze zochten. De week daarop toen ze in Opsporing verzocht geen zwarte man zag, fluisterde ze tegen zichzelf: ‘Nu weet ik waarom hij de hele week thuis was.’

Magda werd steeds banger en wachtte tot de politie haar overbuurman zou oppakken, want stel dat hij wist dat zij wist dat hij een gevaarlijke crimineel was... Maar haar buurman werd niet opgepakt. Vanachter de gordijnen hield ze hem in de gaten en ze wachtte telkens vol spanning op de volgende aflevering van Opsporing verzocht om te weten wat haar buurman die week had gedaan.

Op een avond zag ze hem door een kier van het gordijn van het slaapkamerraam een witte vrouw zoenen, en de schrik sloeg haar om het hart. De telefoon viel uit haar trillende handen. Ze belde 112.

‘Ja, Magda Huisjes weer. Mijn zwarte buurman bijt een vrouw in haar gezicht. Hij is een kannibaal. En die vrouw is weerloos, ze is verstijfd van angst.’ De politie zei dat haar buurman een gewone burger was, zoals iedereen, en geen gevaarlijke misdadiger. ‘Maar ik zie hem elke week op televisie als jullie hem zoeken!’

Een paar dagen later belde Magda Huisjes de ambulance. Nadat ze zich had gewassen in de tobbe, had ze opeens meerdere zwarte mannen in de woonkamer van haar buurman gezien.

‘Hallo, u spreekt met Magda Huisjes. Jullie moeten meteen komen naar Boslaan 18. Mijn zwarte buurman is niet alleen een zware crimineel. Hij heeft ontdekt hoe hij zichzelf op kan splitsen in vijven. En hij is de zesde. En ik woon hier alleen. En ik ga flauwvallen. Mijn hart. Alsjeblieft, kom snel...’


 

* Verder lezen én de Boekengids steunen? Word nu abonnee. (Al abonnee? Log dan eerst even in.)