Advertentie
advertentie UPL online

Europa’s droom

Europa heeft een droom die haar nooit lijkt te verlaten, zelfs niet wanneer hij omslaat in een nachtmerrie. Die droom heet de oudheid. In elke fase van haar geschiedenis grijpt ze naar die oudheid terug en telkens weer zoekt zij voor haar eigen handelen een aanknopingspunt in dat verre verleden alsof ze zich daarmee te rechtvaardigen denkt, alsof het nodig is in die antieke spiegel te kijken om zichzelf bestaansrecht te geven.

Besproken boeken

De opzet voor de Europese grondwet in 2003 opende met een citaat uit Thucydides, de Griekse geschiedschrijver die de oorlog tussen Sparta en Athene versloeg: ‘Onze grondwet wordt democratisch genoemd omdat de macht niet in handen is van een minderheid maar van de grootst mogelijke meerderheid.’ Zo leek Europa zich te willen pro leren als de rechtstreekse erfgenaam van de Atheense democratie. Dit botste op veel weerstand. Politieke om te beginnen, wat ervoor zorgde dat het citaat geruisloos verdween. Maar ook wezen nogal wat stemmen op de kloof die de Atheense staatsvorm van de Europese scheidde en dat het daarbij niet enkel om de tijdspanne ging. Bovendien ontstond er discussie over de vertaling van het bewuste citaat, dat Athene verteerbaarder leek te hebben willen maken voor de moderne smaak.

De episode is intussen genoegzaam bekend en wordt graag aangehaald als tekenend voor het belang dat de oudheid ook voor het moderne Europa vertegenwoordigt (nog recent met de nodige nuance door David Rijser in zijn Een telkens nieuwe oudheid, zie dNBg 2016#2) – maar ze zegt minstens evenveel over de wijze waarop Europa omgaat met de oudheid, en met haar verleden in het algemeen. Want het Athene waar de grondwet naar wilde verwijzen, is een Athene dat Europa graag als haar geestelijke basis ziet – een zelfbeeld waarvoor ze de historische werkelijkheid zo nodig best een beetje geweld wil aandoen.

‘Preconstructie’

Het verleden ligt niet vast. Het is een constructie van het heden. Als er iets is dat Europa’s omgang met het verleden altijd heeft gekenmerkt, dan is het wel haar voortdurende neiging het aan te passen en dienstbaar te maken aan het heden. Tegenwoordig gebeurt dat vooral door het heden terug te projecteren op het verleden en te laten zien hoe fenomenen uit de actualiteit ‘ook al’ in de oudheid voorkwamen. Is het toeval dat er op dit moment studies verschijnen die willen aantonen dat het Romeinse Rijk niet door invallen van barbaren of door massale immigratiestromen ten onder is gegaan, maar door klimaatveranderingen en de epidemieën die hiervan het gevolg waren (Kyle Harper, The Fate of Rome: Climate, Disease, and the End of an Empire)? Of dat juist nu boeken succes kennen waarin de christenen van de late oudheid (opnieuw) worden afgeschilderd als fanatieke moordenaars en vandalen die mensen noch monumenten sparen (Catherine Nixey, The Darkening Age: The Christian Destruction of the Classical Age)?

Elke periode creëert de oudheid die ze nodig lijkt te hebben en de onze vormt hierop geen uitzondering. Zo houden we die altijd verder weg glijdende tijd onder de aandacht alsof daar de oorzaken en oplossingen voor onze problemen te vinden zullen zijn. We reconstrueren de oudheid vanuit ons heden, om dan vanuit onze eigen reconstructies tot conclusies voor onze tijd te komen. Deze cirkelbeweging kan erg vruchtbaar zijn, bijvoorbeeld zoals door Victor Plahte Tschudi toegepast op de architectuurgeschiedenis in zijn Baroque Antiquity: Archaeological Imagination in Early Modern Europe (Cambridge University Press 2016). Hij spreekt daar van ‘preconstructie’: hypothetische reconstructies van tempels en paleizen in vroeg-zeventiende-eeuwse gravures van het oude Rome dienden als inspiratiebron voor een eigentijdse barokke architectuur die aansluiting zocht bij wat ze als klassieke vormentaal beschouwde. Een enigszins bizarre dialoog met het verleden komt op gang. Eerst wordt dit verleden herschapen door het heden af te slanken of om te vormen tot een meestal eenvoudigere vorm. Vervolgens begint men het heden opnieuw vorm te geven op basis van dit verleden dat niet anders is dan de ideële voorloper van een ideaal heden.

Passend verleden

Als preconstructies laten zich ook de vele voorbeelden begrijpen van geschiedvervalsingen of van moedwillig verkeerd geïnterpreteerde resten uit het verleden die opduiken in Oudheid als ambitie: de zoektocht naar een passend verleden 1400-1700. Hierin willen de neolatinist Karl Enenkel en de architectuurhistoricus Koen Ottenheym juist de aandacht vestigen op die ‘creatieve “kneedbaarheid” van geschiedenis en de “oudheid” in diverse gedaantes’. Ze concentreren zich daarbij op de drie eeuwen die we de vroegmoderne tijd zijn gaan noemen. Drie eeuwen die met name voor de wording van Nederland fundamenteel zijn geweest.

Het boek richt zich inderdaad sterk op Nederland en de verschillende pogingen die ondernomen werden om het van ‘een passend verleden’ te voorzien. De oudheid blijkt daarbij van doorslaggevend belang, zoals in deze eeuwen trouwens overal in Europa. Daaraan is het eerste deel gewijd, met fascinerende, soms hilarische voorbeelden van de wijze waarop het verleden opnieuw gecreëerd wordt. Voor de Nederlanden gaat het er vooral om de historische betekenis van de Bataven te vergroten en te veredelen. Weliswaar bestond en bestaat er geen absolute zekerheid over het precieze woongebied van de Bataven, maar dit hield geen enkele humanist tegen om hen in de voorgeschiedenis van Nederland in te lijven.

De Bataven boden bovendien een dubbel voordeel. Enerzijds maakten ze deel uit van het Romeinse leger en konden ze dus als dragers van de klassieke beschaving beschouwd worden; anderzijds hadden ze ook weerstand geboden tegen de Romeinse overheersing en mochten ze dus gelden als voorvechters van de vrijheid. Daarmee konden ze de moeizame Nederlandse zoektocht naar een eigen culturele identiteit een historisch houvast bieden in deze eeuwen van existentiële strijd en twijfel. Alleen moest dit Bataafse verleden wel eerst nog gecreëerd worden, want veel was er in de werkelijkheid niet van te vinden. Zo begon men alle mogelijke oude muurrestanten als antiek te registreren en van daaruit tot reconstructies van bloeiende Bataafse steden en burchten te komen. Er werden bronnen bij gezocht om de vondsten ook schriftelijk te onderbouwen, en waar nodig werd dit bewijsmateriaal aangevuld.

Of het hierbij steeds om vergissingen of vervalsingen ging, is moeilijk te zeggen. Even moeilijk valt te zeggen of wij het inderdaad zoveel beter weten of doen, zoals de auteurs nogal eens laten vallen. In ieder geval staat vast dat de keuze voor de oudheid niet onschuldig was. Het waren vooral de burgers uit de steden, die uit Amsterdam voorop, die zichzelf probeerden te verankeren in de oudheid en dit tot uiting brachten in een classicistische vormentaal. Zij konden immers niet bogen op de tastbare aanwezigheid van dat andere verleden dat sinds de vroegmoderne tijd de oudheid beconcurreert in de historische verbeelding; dat van de ridderlijke middeleeuwen. Het was op dat verleden dat de adellijke families teruggrepen, met in hun spoor de burgers die hun eigen landhuizen ontwierpen of bestaande overnamen. Het ridderlijk verleden werd in hun strijd om voorrang binnen de Staten van Holland ook ingezet door de steden, die de middeleeuwse resten koesterden en in nieuwe structuren opnamen. Zo her- en verrezen gebouwen die naar het gotische verleden verwezen tegelijkertijd met gebouwen die de oudheid wilden doen herleven.

We zien dat het verleden hier voor andere doeleinden werd ingezet dan de afgelopen eeuwen en vandaag de dag. Het ging er in de vroegmoderne tijd niet zozeer om een Nederlands ‘volk’ te creëren en dat door bouwmeesters en humanisten van een doopceel te laten voorzien. Men greep vooral naar het verleden om zich als stad, als familie, ja zelfs als individu van een culturele stamboom te voorzien. Wanneer Erasmus zichzelf als een Bataaf kenschetst, is dat niet uit nationale trots, alsof hij zich speciaal verbonden voelde met een of ander Nederlands volk der Bataven. Daarvan blijkt niets, noch uit zijn leven, noch uit zijn werken. De Bataven hielpen hem een identiteit te construeren die geworteld was in de oudheid.

Op eenzelfde wijze voerde de Drentse predikant Johan Picardt (1600-1670) zijn culturele identiteit terug op de hunebedden, als bewijs voor het bestaan van Bijbelse reuzen en hun hoofdstad Hunso. Hij vond dat bewijs ook in de rasterpatronen die de ‘Celtic elds’ in het landschap achterlieten, de sporen van vroege akkerbouw. Anderen zagen hier dan weer de resten in van Romeinse legerkampen en namen het rasterpatroon om die reden in de zeventiende eeuw als model voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen.

Geschiedenis als heden

Niet alleen creëren we het verleden dat het heden nodig heeft, we geven het ook vorm naar onze eigen ambities. Op een heel andere schaal is dit de inzet van Krishan Kumar in zijn Visions of Empire. In het hoofdstuk dat hij wijdt aan het Britse imperium komt de discussie onder victoriaanse politici aan bod over de vorm die het Britse Rijk moest aannemen: een ‘Greater Britain’, bestaande uit min of meer zelfstandig georganiseerde blanke Dominions, of een ‘British Empire’ dat kosmopolitisme en oecumene belichaamt. In deze discussie kwam het ‘Griekse’ tegen- over het ‘Romeinse’ model te staan. Want een model bleek onvermijdelijk, zoals het bij alle vijf imperia in dit boek het geval is. Osmanen, Habsburgers, tsaren en Sovjets, Britten en Fransen: alle grijpen zij vroeger of later terug naar wat hier de ‘Parent of Empire’ heet, Rome, het model voor alle imperia in Europa. Soms zetten ze zich ertegen af maar meestal zoeken ze de aansluiting, de voortzetting. Meestal zien ze zichzelf als het nieuwe Rome, gebouwd naar het model van een Rome waarvan de historische reconstructie het eigen bestaan bekrachtigt.

Juist de Britse discussie laat het belang zien van het Romeinse model. Het gaat bij een imperium niet om de omvang maar om de diversiteit aan culturen en tradities die onder zijn overkoepelend gezag vallen. Kumars stelling is dat deze diversiteit alleen mogelijk was binnen een imperiaal geheel. Hij ontkent dat elk imperium noodzakelijkerwijs moest bezwijken onder de krachten van het nationalisme en de natiestaat, en wijst daarbij onder meer op de lange levensduur van deze vijf imperia. Volgens hem is die enkel te verklaren door wat ik ‘denationalisering’ zou willen noemen: binnen het imperium telt niet zozeer de natie waartoe men behoort als wel de functie die men bekleedt. Het is daarbij cruciaal dat de overheersers zichzelf feitelijk nog het minst als natie beschouwen. Turken, Oostenrijkers en Russen zagen zichzelf na de ineenstorting van hun imperia plots zonder rol en daarmee zonder identiteit. Het zoeken naar een nieuwe invulling is hier en daar nog volop aan de gang.

Kumars boodschap is duidelijk: de rol van de imperia is nog lang niet uitgespeeld. Ze drukken hun stempel nog op het Europa en de wereld van vandaag. Zijn eigen positie ten opzichte van het imperiale verleden komt misschien wel het duidelijkst tot uiting in de opdracht van het boek: To my family, empire’s children, in London, Geneva, Charlottesville, Port-of-Spain, Delhi. Hier spreekt een stem uit de imperiale wereld, maar ook voor een visie op imperium die niet gemakkelijk te rijmen valt met de postkoloniale kritiek op Europa’s imperiale verleden. Zonder verheerlijking en met gepaste distantie laat Kumar zien hoe binnen zijn vijf imperia tegelijkertijd diversiteit en eenheid in stand werden gehouden.

Daarin biedt – weer – Rome het ultieme model. Het imperium naar Grieks voorbeeld, Greater Britain, wordt gekenmerkt door zelfstandigheid van de eigen kolonies en uitsluiting van de Ander. In de Britse context ging het dan in eerste instantie om India, Kumars vaderland. Tegenover deze visie van uitsluiting staat die van een kosmopolitisch imperium dat in zijn diversiteit ook aanzet geeft tot een gedeelde identiteit voorbij de verschillen die de natiestaten juist benadrukken. In zijn analyse vanuit dat standpunt vindt Kumar ongetwijfeld aansluiting bij Alain Mabanckou, die zichzelf in deze pagina’s eerder karakteriseerde als lid van het Franse imperium (dNBg 2017#6).

Want meer nog dan bij de Britten stond in het Franse Rijk de Romeinse opdracht centraal: la mission civilisatrice, het brengen van beschaving. Het Griekse model heeft er nooit een rol gespeeld. De Franse discussie ging er vooral om of deze missie zou leiden tot association of tot assimilation. In beide gevallen betekende het deelhebben aan de Franse identiteit en daarmee ook volwaardig lid zijn van Frankrijk, hetgeen de bloedige strijd verklaart die is gevoerd om (dit) Frankrijk niet uiteen te laten vallen. Dit imperium is één en ondeelbaar, en kan nooit opgedeeld worden zonder op te houden te bestaan. In het Franse imperium lijkt minder vaak naar Rome verwezen te worden dan in het Britse. Dat was niet nodig: het was Rome.

Kumar eindigt zijn boek met de vraag naar de toekomst van de natiestaat in een wereld die nieuwe machten met imperiaal aandoende invloedssferen ziet opkomen: China, Rusland, Amerika. Zal de fragmentatie van het wereldbeeld, die we de afgelopen eeuw zagen, nu doorzetten of zullen de natiestaten weer worden opgenomen in grotere eenheden? De Europese Unie is een aanzet daartoe die ondanks alle verschillen ook veel verwantschap vertoont met de oude Europese imperia, vooral met dat van de Habsburgers – in ieder geval roepen de pogingen van zowel Europese lidstaten als regio’s om de overkoepelende eenheid te ondermijnen en op te blazen ten gunste van een zelf gecreëerd ‘eigen’ verleden, de omstandigheden van het late Habsburgse Rijk in herinnering.

Europa: eenheid in verscheidenheid

Nu is het opvallend hoe juist de regionale zelfpromotie teruggrijpt op die andere traditie die de oudheid sinds enkele eeuwen beconcurreert. Waar pogingen tot overkoepelende eenheid zich spiegelen aan de oudheid (meestal de Romeinse), doen alle pogingen tot regionale autonomie dat aan de middeleeuwen. Het is soms alsof deze periode een ideale kleinschaligheid belichaamde. Ook hier gaat het om een moderne preconstructie, zoals blijkt uit Het reizende detail in de kunst van 1400 tot 1500. Een veelvoud aan specialisten op het terrein van de kunstgeschiedenis laat in korte, rake artikelen zien hoe het gebruik van zelfs onopvallende details in schilderijen of beeldhouwwerken zich in een mum van tijd over grote afstanden verspreidde.

Uitgangspunt is de ars nova, het werk van de Vlaamse primitieven. In onze ogen misschien minuscule elementen daarin blijken in geen tijd tot in de verste uithoeken van Europa terug te vinden. Dit hoge tempo van overname kent een voorloper in de dertiende en veertiende eeuw, wanneer de als ‘internationale stijl’ bekendstaande gotiek vanuit Parijs over bijna heel Europa uitwaaiert. In de vijftiende eeuw gaat het om de Bourgondische mode en stijl. Anders dan wat de regionalisten ons willen laten geloven, is wat het meest opvalt toch wel de eenheid die Europa in deze periode op zoveel gebieden vormde, en hoe intensief de uitwisseling daarbinnen was. Van regionale fragmentatie is niet veel te merken, des te meer van openheid en dialoog.

In de eeuwen die volgen verandert dat eigenlijk niet. Enerzijds lijken radicale en bloedige twisten harde grenzen op te werpen, maar in werkelijkheid blijkt de bewegingsvrijheid even groot als voordien. Pas met de opkomst van de natiestaten in de negentiende eeuw worden grenzen hard genoeg om ‘volkeren’ van elkaar te scheiden. Het is dat scheiden dat de Europese Unie heeft willen tegengaan. ‘An impressive supranational experiment’ noemt Kumar het, dat enkel kan leren van de imperia en van het Europa ervoor. Misschien blijft het in al haar diversiteit vereende Europa uiteindelijk wel een droom, maar het zou geen kwaad kunnen als het uit de preconstructies van haar verleden het eigen heden beter leerde begrijpen.