Vervolgbrief Rob Hartmans aan Geerten Waling, 8 november 2018 (brief #17)

Geerten Waling en Rob Hartmans schrijven elkaar over Marcel ten Hoovens De ontmanteling van de democratie en Gijs van Oenens Overspannen democratie. De democratie staat overal onder druk. Hoe is het nu met de Nederlandse gesteld? Misschien wel helemaal niet zo slecht als Nieuwrechts ons wil doen geloven. Het beeld kantelt als we onze verwachtingen van het democratisch proces en onze participatie daarin wat bijstellen. Geerten Waling: ‘En dan hebben we nog niet eens een bindend referendum – iets wat ik doorgaans betreur, maar waarbij ik met dit boek in de hand toch enkele vraagtekens begin te stellen.’


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Beste Geerten,

Misschien lag het aan twee glazen zware Toscaanse wijn die ik inmiddels op had toen zondagavond jouw brief arriveerde, dat ik deze aanvankelijk met een loom gevoel van instemming las. Ik zag wel dat we het op een aantal punten niet helemaal eens waren, maar dat leek vooral een kwestie van nuances. Ik schrok pas wakker uit deze aangename roes, toen ik in de laatste alinea tussen haakjes de woorden ‘zoals jij beweert’ las. Ho! Als iemand je zoiets schrijft, lijkt dat te suggereren dat jij iets hebt geschreven dat niet met feiten onderbouwd dan worden. Een van de eerste serieuze politieke boeken die ik las, was de essaybundel Beweringen en bewijzen van Jacques de Kadt, en sindsdien ben ik er altijd van doordrongen geweest dat de eerste categorie volstrekt waardeloos is zonder de tweede.

Volgens jou heb ik ten onrechte beweerd dat het PVV-verkiezingsprogramma van 2010 al sterk ‘antirechtstatelijke punten’ bevatte, terwijl die partij in dit opzicht pas daarna is geradicaliseerd als gevolg van de ‘exclusie’ door het politieke establishment, en wat tot uiting zou zijn gekomen in het verkiezingsprogramma van 2017. Dit is een interessante stelling, waar volgens mij echter wel wat tegenin te brengen valt. Om te beginnen wil ik ter onderbouwing van mijn ‘bewering’ enkele ‘bewijzen’ aanvoeren, en er de aandacht op vestigen dat De agenda van hoop en optimisme, zoals Wilders’ programma uit 2010 heette, wel degelijk een aantal punten bevatte die in strijd waren met de Nederlandse grondwet. ‘Alle islamitische scholen dicht’ botst namelijk met artikel 23, waarin de vrijheid van onderwijs wordt gegarandeerd, terwijl ‘Verbied de boerka en de koran, belast hoofddoekjes’ op gespannen voet staat met artikel 1 (rechtsgelijkheid), artikel 6 (godsdienstvrijheid) en artikel 7 (vrijheid van meningsuiting). Bovendien was het voorstel om voor hoge functies binnen de rechterlijke macht en het Openbaar Ministerie verkiezingen te houden in strijd met de onafhankelijkheid van de rechtspraak, zoals die is vastgelegd in artikel 117. Nu weet ik wel dat in sommige landen, die zeker aanspraak maken op het predicaat ‘rechtsstaat’, een deel van de magistratuur gekozen wordt, maar het PVV-voorstel botst wel moet onze rechtsstaat.

Wanneer ik dit programma uit 2010 naast het vermaarde ‘A-4-tje’ uit 2017 leg, valt op dat hier eigenlijk alleen het sluiten van moskeeën bij is gekomen, maar je kunt je afvragen of dergelijke gebedshuizen wel zouden kunnen functioneren als de koran verboden is, iets wat zeven jaar eerder ook al bepleit werd. Dit is inderdaad een iets explicietere aanval op de islam als godsdienst, maar of het nu zo heel veel radicaler is? Bovendien is de aanval op de rechterlijke macht geschrapt, zodat het programma in dit opzicht juist wat minder antirechtstatelijk is.

Ik vraag me dus af of je wel kunt stellen dat Wilders en de zijnen pas na 2010 een scherp antirechtstatelijke koers zijn gaan varen. Misschien is zijn taal wat schriller geworden, maar de inhoud was ook toen al ronduit verwerpelijk. Maar goed, laten we even aannemen dat hier toch sprake is van radicalisering, is die dan veroorzaakt door het ‘uitsluiten’ van de PVV door de gevestigde partijen? Onlangs liep ik op een, overigens heel gezellig, verjaardagsfeestje Arend Jan Boekestijn tegen het lijf, met wie ik ten tijde van de formatie van 2010 een keer heb gedebatteerd over de vraag of het terecht was dat VVD en CDA in zee gingen met Wilders. Arend Jan was toen een verwoed voorstander van de zogenoemde ‘gedoogconstructie’, omdat hij zeker wist dat de PVV op deze manier ‘gedomesticeerd’ zou worden? Hij vond het onzin om van Wilders eerst te eisen dat hij afstand zou nemen van de antirechtstatelijke punten diens programma, omdat de soep sowieso niet zo heet zou worden gegeten en de man zich vanzelf gematigder en verstandiger zou opstellen. Ik kon weerstand bieden aan de verleiding om Arend Jan te vragen of hij er nog steeds zo over dacht, waarop hij grootmoedig toegaf dat hij zich in dit opzicht deerlijk vergist had. Wilders was door de samenwerking helemaal niet getemd. En bovendien kun je ook niet zeggen dat hij radicaliseerde omdat hij werd buitengesloten, aangezien hij zelf de stekker uit Rutte-I trok.

Politici als Wilders en Baudet – omwille van jouw gemoedsrust zal ik het p-woord vermijden – leven bij de gratie van aangewakkerde onvrede. Zij willen helemaal niet dat elementen uit hun programma worden gerealiseerd – wat trouwens wel gebeurt, zodat we inmiddels een idioot boerkaverbod kennen – want dat ontneemt hen brandstof om het politieke vuur verder op te stoken. Zij radicaliseren niet omdat ze worden buitengesloten, maar ze posteren zich doelbewust op de flanken om zich met extreme standpunten een positie te verwerven. Ze beweren dat ze een stem geven aan ‘het volk’, ‘de zwijgende meerderheid, ‘de echte Nederlanders’, of hoe ze hun beoogde aanhang ook believen te noemen, maar smelten latente, disparate gevoelens van ontevredenheid om tot een witgloeiende stroom van ‘onvrede’ die door de samenleving zou kolken. Het is ‘crisis’, het is ‘twee voor twaalf’, ‘de ondergang van het Avondland’ is nabij.

Hoewel jij in je brief afstand noemt van figuren als Wilders en Baudet, die volgens jou ‘doorschieten in hun ressentiment jegens het establishment’, en je ook kritiek uit op doemdenkers als Ten Hooven die van mening zijn dat de democratie groot gevaar loopt, lijkt het wel alsof je toch van mening bent dat er  heel veel mis is met het Nederlandse bestel. Je wekt namelijk de indruk voorstander te zijn van vergaande maatregelen als een bindend referendum, een gekozen burgemeester of zelfs een gekozen premier. Curieus genoeg verwijs je wel instemmend naar het boekje Niet de kiezer is gek van Tom van der Meer, die niet alleen van mening is dat de Nederlandse democratie niet in een crisis verkeert, maar die tevens duidelijk stelt dat allerlei staatkundige maatregelen – bedoeld om het geslonken vertrouwen in de politiek te herstellen – niet zullen helpen of ‘grotere problemen [creëren] dan ze oplossen. Hij bepleit juist geen staatkundige, maar ‘een gedragsmatige verandering van met name de gevestigde partijen’.

Volgens jou moeten al die innovaties ‘slim constitutioneel worden uitgedacht’, om te voorkomen dat ‘strijdige mandaten’ leiden tot ‘verwarring en patstellingen’. Volgens mij is het politieke bestel zoals wij dat in beginsel sinds 1848 kennen al behoorlijk ‘slim uitgedacht’, en niemand heeft mij er tot nog toe van kunnen overtuigen dat het ingrijpend moet worden vertimmerd. Zoals Van der Meer in zijn sympathieke pamflet uiteenzet, functioneert de Nederlandse democratie uitstekend, zeker als je het vergelijkt met de meeste andere landen. Dus wat is nu eigenlijk het probleem? Voor zover er een probleem is, is dat wat Van Oenen de ‘overspannen democratie’ noemt: mensen verwachten er te veel van. Dat bedoelde ik dus met een pleidooi voor een ‘terugtredend electoraat’, wat natuurlijk een plaagstootje naar de neoliberalen was, die altijd maar pleiten voor een ‘terugtredende overheid’. Overigens kan ik het niet laten om even terug te komen op een opmerking uit jouw eerste brief over dit onderwerp, namelijk jouw verwijt dat Ten Hooven gemakzuchtig de term ‘neoliberalisme’ hanteert: ‘Wie noemt zich nu zelf een neoliberaal, vraag ik me af?’ Hiermee suggereer je dat het verschijnsel dus eigenlijk niet bestaat, aangezien niemand zichzelf als neoliberaal beschouwt. Er waren indertijd echter ook heel weinig communisten die zichzelf ‘stalinist’ noemden, maar dat wilde nog niet zeggen dat het ‘stalinisme’ een fantoom was. Hetzelfde geldt in mijn ogen voor het neoliberalisme en – o jé, daar is het toch weer – het populisme. Maar goed, dat is een ander debat, dat we wellicht nog een keer gaan voeren.

Met hartelijke groet,

Rob


Lees de brief van Geerten Waling hier.

Lees de hele correspondentie tussen Rob Hartmans en Geerten Waling hier