Taal als wapen. De urgentie van de neerlandistiek

Het aantal studenten dat zich jaarlijks aan een studie Nederlands waagt is teruggelopen, zelfs zo erg dat de studie aan sommige universiteiten op het punt van opheffing staat. En dat terwijl er in de huidige Nederlandse samenleving de nodige problemen spelen die juist door de neerlandistiek het hoofd geboden kunnen worden. In een reeks essays over de urgentie van de neerlandistiek identificeren verschillende specialisten die problemen en de koers die het vakgebied zou moeten varen om ze te adresseren. De discussie wordt geopend door Frans-Willem Korsten, bijzonder hoogleraar literatuur en maatschappij aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en hoofddocent aan de Universiteit Leiden.  


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Essay uit dNBg 2018#6

If the state absolves itself of the responsibility to educate, rights become more contingent on the ability to pay. What is at issue here is the difference between democratic accountability and market accountability. In a market-led system access to higher educational services will be contingent on market capacity or the ability to pay, whereas in a democratic, publicly controlled system, one’s right to education is protected (however minimally at times) by the State. (…) With the rise of the new right, neoliberal agenda, there is an attempt to offload the cost of education, and indeed other public services such as housing, transport, care services etc., on to the individual. There is an increasing attempt to privatise public services, including higher education, so that citizens will have to buy them at market value rather than have them provided by the State. [1]

De neerlandistiek heeft een extreem urgente taak – en wel nu. Om die urgentie goed te voelen, moeten we ons realiseren welk dramatisch energieverlies het Nederlandse onderwijsbestel de afgelopen vier decennia geleden heeft. Nederland had een functioneel, hoogwaardig publiek onderwijsbestel dat bijna driekwart eeuw lang honderdduizenden jongeren hielp zich te ontwikkelen en dat emancipatoir effectief was. Totdat in de jaren tachtig de revolutie kwam – die niet neoliberaal was, want er was niets nieuws aan, en ook niets liberaals. Een revolutie was het trouwens ook niet. Historisch gezien was het een tamelijk bekende, georganiseerde machtsgreep met als doel winst te maken op kosten van de gemeenschap. Het was, anders gezegd, een onverholen plutocratische machtsgreep. [2]

Tekenen van plutocratie
Voorbeelden van verontrustende consequenties van deze machtsgreep liggen voor het oprapen. In het voorjaar van 2017 voorzag de Brancheorganisatie VGN (Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland) grote problemen bij de nieuwe versie van het ‘pgb’. [3] De Sociale Verzekeringsbank, de oudste uitvoerder van sociale zekerheid in Nederland, met een voorloper die begon in 1901, kan ons gelukkig uitleggen wat dat is, pgb, en zet dienaangaande dit op haar website:

PGB

De zorgovereenkomst invullen
Een zorgovereenkomst is een contract tussen u en uw zorgverlener. Daarin staan de afspraken over de zorg, de werktijden en de vergoeding of loon. U vult een nieuwe zorgovereenkomst in als:
• U een nieuwe zorgverlener heeft.
• Uw zorgverlener ander werk voor u gaat doen.
• Het KvK-nummer van uw zorginstelling of zorgverlener wijzigt.

Wijzigt er wat in de zorgovereenkomst zoals bijvoorbeeld de vergoeding of de werktijden? Dan hoeft u geen nieuwe zorgovereenkomst in te sturen, een wijzigingsformulier is dan voldoende.

Verplicht gebruik formulieren PGB
Het gebruik van de modelzorgovereenkomst is verplicht. Zo weten we zeker dat alle noodzakelijke gegevens en afspraken zijn opgenomen. Gebruikt u een ander formulier? Dan sturen wij deze terug met het verzoek om alsnog ons formulier te gebruiken.

Aandachtspunten bij het invullen
Vul de zorgovereenkomst helemaal in; anders kunnen wij de overeenkomst niet verwerken. Achter elke modelovereenkomst zit een uitgebreide toelichting. Hierin wordt per punt uitgelegd wat er van u en uw zorgverlener verwacht wordt.

Lezer van de Boekengids, was u even blij dat u de ‘uitgebreide toelichting’ achter elke ‘modelovereenkomst’ niet hoefde door te ploegen! U behoort tot de best geschoolde lezers van Nederland, en toch dwingt bovenstaand citaat u tot een close reading die u tegenstaat, niet? Die u wat draaierig maakt, of uw weerzin wekt. Maar wat als u niet zo goed geschoold was, of het Nederlands gebrekkig beheerste? Wat als u dan ‘modelzorgovereenkomst’ zag staan? Vergroten taalgebruik en de omstandigheden dan niet de kans dat u niet doorleest tot aan de mededeling dat zo’n overeenkomst verplicht is?

Pgb: ‘persoonsgebonden budget’ – het klinkt als de afkorting van een vloek, en heeft veel mensen ook doen vloeken. De prachtterm dient de individualisering van de gezondheidszorg. ‘Bedienen op maat’ houdt in dat mensen zelf hun gezondheidszorg moeten regelen, conform een budget, gebonden aan een persoon. Want daar hebben ze recht op! De vraag blijft alleen of ze dat recht ook kunnen opeisen. De realiteit is dat iedereen die de taal niet tot in detail beheerst simpelweg niet in staat is de hele dossiervorming van het pgb te volgen. Daardoor zijn zij niet in staat zich te verzekeren van het geld waar ze recht op hebben – terwijl het hun eigen gezondheid betreft, of die van hun naasten. Overigens geldt hetzelfde voor het groeiende aantal mensen dat schulden lijdt. Ook voor schulden is een voorname oorzaak dat mensen de berichten vanuit de bureaucratie niet kunnen lezen. Terwijl het systeem zo mooi werkt! In beide gevallen gaat het om mensen die hun recht niet kunnen kennen of halen. Dat is allesbehalve een betreurenswaardig toeval. Dat is beleid. En dat beleid slaagt omdat een van de voornaamste wapens van de emancipatie sinds de negentiende eeuw – goed onderwijs en dan vooral goed taalonderwijs – uit de handen is geslagen van de mensen die er het meest baat bij hebben.

Hoe de plutocratie ontstond
De afgelopen veertig jaar is het taalonderwijs over de breedte achteruitgegaan en is literatuuronderwijs verworden tot een marginale kwestie: collateral damage van de genoemde revolutie die geen revolutie was. Collateral heeft in het algemeen, maar zeker in het Nederlands, vooral de connotatie gekregen van ‘neven-’ of ‘zijdelings’. Van oudsher betekent de term echter ‘onderpand’ of ‘waarborg’, zoals in de zin: ‘She put her house up as collateral for her bank loan.’ En fungeert de taal niet inderdaad als een soort onderpand voor emancipatie? Was de taal niet iets wat mensen konden inleggen om meer macht te krijgen? Zonder taal geen deal; ofwel: emancipatie wordt door de taal geborgd. Sociaal gezien is een onmondige, om maar even in het jargon te blijven, niet kredietwaardig. De teloorgang van het literatuuronderwijs is daarom geen zijdelingse kwestie; het is, om ditmaal met Pierre Bourdieu te spreken, een kapitaalvernietiging van de eerste orde. En in Nederland vormt die vernietiging niet direct een probleem voor de elite (hoewel het literatuuronderwijs in bijvoorbeeld Frankrijk voor de elite veel beter is verzorgd), maar vooral voor de lagere sociale klassen.

Wat is er precies gebeurd de afgelopen veertig jaar? Welnu, het verzameld intellect heeft toegekeken hoe onder zijn ogen en handen sluipenderwijs de taal werd opgedeeld en geherdistribueerd, terwijl tezelfdertijd heden, verleden en toekomst werden geherdefinieerd. Na de Mammoetwet in de jaren zestig kregen we de discussie over de Middenschool, daarna kwam de Tweede Fase-wet, en daarna werden mavo en vbo samengevoegd. Terwijl Nederland almaar multicultureler werd, kreeg het onderwijs in de Nederlandse taal een steeds minder centrale rol. Belangrijker: zonder dat mensen het doorhadden, hebben in zijlijn van de hervormingsprocessen neoliberale leugenaars emancipatie kaltgestellt. Ze hebben het publieke onderwijs voor het oog in stand gehouden en ondertussen toch geprivatiseerd terwijl kinderen, vanaf de allerjongste leeftijd, raderen moesten worden in een iPad-industrie.

Een veelzeggend voorbeeld: het aantal huiswerkinstituten (‘een onderneming waarin (middelbare school-)leerlingen tegen betaling worden begeleid met het maken van hun huiswerk en het maken van een studieplanning’; mijn cursivering) [4] steeg in Nederland tussen 2010 en 2015, in vijf jaar tijd dus, van 199 naar 500. In nog kortere tijd, tussen 2013 en 2017, steeg het aantal studiebegeleiders – particuliere organisaties of personen die zich met name richten op eindexamentraining – van 8.320 naar 16.695. [5] Overigens snoepen de landelijke universiteiten graag mee van deze ontwikkeling – à raison van gemiddeld € 300 tot € 400 per leerling. Het probleem is natuurlijk dat veel mensen dat geld niet hebben, wat de facto betekent dat kinderen van welgestelde ouders een grotere kans hebben hun eindexamen te halen. Laten we het ‘stille privatisering’ noemen. Dat wat vroeger met publieke gelden werd gegarandeerd voor iedereen, is nu onderdeel geworden van een markt en daarom alleen beschikbaar voor wie het kan betalen. In dat kader verbaast het niet dat in het jaarlijks rapport Staat van het Onderwijs 2016 / 2017 de noodklok wordt geluid. Het niveau van het onderwijs in Nederland is al twintig jaar aan het dalen, en de enige reparaties verlopen via private gelden – teken van een typisch Nederlandse, want omfloerste plutocratie.

Wat de toekomst betreft: volgens de utopische eis zoals Hans Achterhuis die definieerde in De utopie van de vrije markt (2010), [6] heeft de vrije markt nog niet genoeg de overhand. De wetmatigheid die Achterhuis traceerde in ieder utopisch denken, is dat de nieuwe wereld pas kan worden gerealiseerd als de oude is vernietigd. Kenmerkend voor de oude wereld was maatschappelijk beregelde solidariteit. Maar ja, dat is volgens neoliberalen dwang – en dat moet dus kapot. Dat verklaart dat Nederland de facto toe glijdt naar segregatie, en niet alleen in het onderwijs. Wat het onderwijs betreft, blijkt dat uit een recent rapport van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling: OECD Reviews of Migrant Education: The Resilience of Students with an Immigrant Background – FACTORS THAT SHAPE WELL-BEING. [7] Maar Jan Latten had het bij zijn pensionering als hoofddemograaf van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) over segregatie in het onderwijs als enkel een symptoom van toenemende maatschappelijke segregatie. [8] Toenemende sociale en culturele segregatie valt niet toevallig samen met mate van beheersing van de Nederlandse taal. Wat een instrument van collectieve bekrachtiging was, is nu voorbehouden aan geprivilegieerden. En als een van de rijkste landen ter wereld erin slaagt om steeds grotere groepen mensen functioneel analfabeet te maken, dan is emancipatie de facto ingeruild voor demancipatie.

Wakker worden, neerlandistiek!
Goede taalbeheersing – en literatuur speelt een belangrijke rol in de ontwikkeling van die beheersing – maakt weerbaar. Wat niet wil zeggen dat als alle burgers de taal goed spreken, er een harmonieuze samenleving zal zijn. Collectieve goede taalbeheersing leidt juist tot een samenleving waarin men via de taal conflicten weet te adresseren. Mensen die opkomen voor hun recht zijn ook niet zomaar aardig. Ze zijn juist behoorlijk vervelend, dat wil zeggen: voor de macht, of voor partijen die graag op hun geldzak blijven zitten. Over mensen die de taal niet goed beheersen, kan de zittende macht daarentegen op de kortere termijn gemakkelijk heen lopen. Maar als onvrede of conflicten vervolgens op langere termijn niet goed meer uitgevochten kunnen worden via de taal, dan vinden die een andere uitweg. Voor de goede orde: schelden vind ik niet direct vallen onder goede taalbeheersing, en het gaat me niet om de Nederlandse staat van Twitter- en Facebookcommunicatie, die tot de agressiefste in de wereld behoort. Het gaat me om mensen die via de taal hun conflicten beslechten in het volle besef van hun plichten en rechten. En precies in dit verband is het alsof met de plutocratische machtsgreep bijna twee eeuwen van sociaal- en christendemocratische emancipatie en geschiedenis zijn weggevaagd. Taal en geschiedenis: beide vervaagd! Wakker worden, neerlandistiek. Er staat wat op het spel.

Het terughalen van goed en daadwerkelijk publiek taalonderwijs is één ding. Maar om een permanente staat van (productief) conflict te handhaven is meer nodig, en dat ‘meer’ is volgens mij niets minder dan de literatuur. Alleen via literatuur kunnen taal en geschiedenis, gelijke rechten en een politiek lichaam dat bijeenblijft in plaats van uit elkaar valt, nieuw leven worden ingeblazen. Om dichter bij een antwoord te komen op de vraag wat de rol van de neerlandistiek in deze crisis kan zijn daarom eerst een gedicht.

Het volgende gedicht roept niet zozeer de vraag op wat ‘de diepere betekenis’ ervan is, als wel dat het vooral een samenkomen van geagiteerde stemmen is. Die stemmen krijgen de ruimte in het werk van Antjie Krog, de grote stem in het Afrikaans, de taal die met het Nederlands meereist en die het historisch becommentarieert, verwondt en verrijkt. Het verdient aanbeveling de tekst hieronder niet alleen te lezen, maar dat ook hardop te doen. De tekst komt uit de bundel Medeweten, op zich een betekenisvolle titel, die uitkwam bij Podium in 2015. Hier is het begin van een lang gedicht daaruit, ‘Bediendepraatjies’ (ik geef het in de officieel bijgeleverde, Nederlandse vertaling):

ze wil tienduizend rand lenen voor haar vaders grafsteen
dat bedrag heb ik niet zo simpel is het
bovendien ik geef geen geld aan doden

ik zeg tegen haar: mijn vader ligt in het veld
we hebben alleen zijn naam in een stuk zandsteen gebeiteld
maar je weet dat ze denkt:
jullie witten maken je misschien niet druk om jullie doden wij wel

tienduizend dat is de helft van mijn salaris
dat is voor de grafsteen en de reis naar Umtata Qumbu

ze zal het terugbetalen zegt ze     natuurlijk zegt ze dat ze weet
dat ze volgende maand gewoon zegt dat haar eten op is

ik heb het haar allemaal gezegd maar je weet hoe het is
je weet ook niet hoeveel Engels ze nu echt begrijpen

Ungaguli andifuni ukutshintshisana nawe ngomsebenzi umzimba wam uyatsha zimbovane ndiyagabha noku gabha ukuba nje ubumamele umakhulu! Ngoku izinyanya zikufuthalele hayi, ndawenza nje amasiko? Ewe, waze wangcono futhi akusenjalongo ngoku uSimphiwe ufuna ukuyoyithatha ngetshova inkamnkam ka makhulu kodwa ufuna ukuyitya nje qha uzungazilibali ibattery zeklipa uTata welamfengu uswelekile

?je moet niet ziek worden ik wil niet van werk ruilen m’n lijf gloeit en ik ben misselijk dat komt door dat spul van de kliniek je had naar oma moeten luisteren nou zijn de hogere machten tegen je ik had die rituelen toch uitgevoerd ja en je was beter maar nu niet meer Simphiwe eist dat ze haar pensioen gaat halen maar eigenlijk wil hij het opeten vergeet de verse batterijen voor de tondeuse niet de vader van Mfengu’s is dood

Voordat ik terugkom op deze stemmen, hoop ik dat de echo ervan blijft resoneren onder het betoog dat ik verder wil ontvouwen. De kernvraag ervan is hoe we via taal politiek kunnen samenleven, dat wil zeggen: samenleven in conflict, en hoe we via de taal de collectieve weerbaarheid, eerlijkheid en meerstemmigheid kunnen vergroten.

Politiek samenleven met inachtneming van verschil
Meer dan welke andere partijen ook hebben extreem-rechtse partijen in de afgelopen decennia een issue gemaakt van geschiedenis. Tezelfdertijd werd vanuit een meer diffuse humanistische agenda hernieuwde bildung gepropageerd. Bij dat laatste zijn cultuur en geschiedenis belangrijk opdat ‘we’ weten waar we vandaan komen, omdat ‘we’ kunnen leren van het verleden, of daarin kernen vinden om identiteit aan te ontlenen. Maar of het nu om de extreem-rechtse optiek gaat of om de diffuus humanistische, in beide gevallen wordt de geschiedenis voorgesteld als een continuüm: ooit ergens gestart en daarna onomstotelijk leidend tot het heden. Voor humanisten is die continuïteit zingevend, alsof het een epos van beschaving betreft. Voor extreemrechts moet de radicale contingentie van geschiedenis, en daarmee de vrijheid die zit besloten in geschiedenis, door een dwingende continuïteit worden kortgesloten. In beide gevallen blijven niet-gerealiseerde of uitgeschakelde alternatieven begraven op de slagvelden van het eigen gelijk.

Het helpt niet erg te zeggen dat dit een vals beeld van geschiedenis is, al moet dat wel gezegd. Tegen de opvatting van geschiedenis als continuïteit is eigenlijk alleen een politieke stellingname mogelijk. Dit is de stellingname van de Duitse filosoof Sami Khatib, die zich baseert op Walter Benjamin:

Contrary to today’s culture industry of commemoration and its customized production of memory without history, Benjamin’s concept of the ‘tradition of the oppressed’ recalls the battleground of history as a site of repressed possibilities of the present. For only the present can do justice to the oppressed claims of history’s repressed. Such an act of justice, however, does not serve the demands of (un)official politics of commemoration and does not aim at the production of a ‘balanced’ representation of the past.

Het citaat komt uit een artikel getiteld ‘Where the Past Was, There History Shall Be: Benjamin, Marx, and the “Tradition of the Oppressed”’. Die misschien wat cryptische titel suggereert dat een verleden (‘the past’) niet zomaar het verleden is, maar enkel waarachtig een geschiedenis wordt als acht wordt geslagen op wie er allemaal uit die geschiedenis weggedrukt zijn (‘the oppressed’). Het terugwinnen van die weggedrukte geschiedenis is iets wat in de toekomst moet gebeuren (vervat in het ‘shall’). Waar Khatib feitelijk tegen ageert, is een vals beeld van de geschiedenis waarvan de winnende kant wordt voorgesteld als de meest schitterende en logische omdat die nu eenmaal heeft geleid tot het heden. Maar het verleden zit juist vol met mogelijkheden die misschien niet zijn gerealiseerd maar daarom nog niet zomaar voorbij zijn. Ze bevatten nog steeds een belangrijk potentieel.

Nu wil ik Khatib niet in alles volgen. Zijn verwerping van historische continuïteit is dialectisch gerelateerd aan zijn omarming van een gefragmenteerde geschiedenis in relatie tot ‘the oppressed’. Maar de gefragmenteerdheid van geschiedenis gaat slecht samen met historisch stabiele subjecten als ‘the oppressed’, ‘the bourgeoisie’, ‘the ruling class’, ‘mankind’. [9] En Khatib heeft het over repetitie in de geschiedenis, bijvoorbeeld over nieuwe momenten van strijd waarin oudere momenten herhaald worden, zoals bij de Januari-opstand in 1919 (de zogeheten Spartakusopstand) onder Rosa Luxemburg en Karl Liebknecht, die refereerde aan de slavenopstand in het Romeinse Rijk. Die repetitie kan toch alleen betekenisvol zijn door continuïteit tussen dat oude en nieuwe moment. Volgens Khatib kan dergelijke repetitie bevrijdend werken; hij heeft het zelfs over een herstel van historische eenheid. Maar het gaat hem dan om een welhaast miraculeus moment van ge-heel, alsof geschiedenis kan worden hersteld, analoog aan een legale restitutio in integrum of een religieuze, kabbalistische tikkun. Dergelijk herstel is vergaand theologisch geïnspireerd en nadrukkelijk apolitiek. Daarmee is het alsof de politiek-conflictueuze conditie – het menselijke vermogen met inachtneming van verschil politiek samen te leven – kan worden opgeheven. Mij lijkt dat opheffen onwenselijk, omdat juist in politiek verschil de vrijheid van de geschiedenis besloten ligt.

Een vraag die ik daarom stel, is wat voor soort continuïteit in de geschiedenis een levend, conflictueus potentieel bevat, dat tezelfdertijd een politiek lichaam bijeenhoudt en een open toekomst mogelijk maakt – voor alle betrokkenen. Ik bedoel een levende geschiedenis die sociaal-culturele cohesie mogelijk maakt, en die het politieke lichaam positief definieert. Ik kies de term cohesie hier bewust. Het gaat me om een aantrekkingskracht, niet om een chemische, organische verbinding, maar om het samenplakken van verschillende entiteiten. Het gaat niet om een geschiedenis die als cultureel ge-heel wordt gepresenteerd, die alomvattend is, maar om een geschiedenis die stellingname en verschil of strijd mogelijk maakt, en zo de toekomst opent. [10] Mijn specifiekere vervolgvraag is hoe taal, literatuur en de Neerlandistiek daaraan (kunnen) bijdragen.

Sociaal verband of economisch verband
Moge de lezer of spreker het gedicht van Antjie Krog nog heel even in het achterhoofd houden. Dan beargumenteer ik eerst welk verband er bestaat tussen de Nederlandse plutocratisering (en haar gevolgen: het afkalvende taalonderwijs en de groeiende functionele analfabetie onder minder welgestelden) en het valse beeld van de geschiedenis als continuüm. In debatten over de destructieve gevolgen van kapitalisme zijn zowel de aard van geschiedenis als sociaal-culturele cohesie centrale punten. Conflicterende posities zijn bijvoorbeeld die van de door Marx geïnspireerde Oostenrijks-Hongaarse economisch historicus en antropoloog Karl Polanyi, die in 1944 The Great Transformation uitbracht; en de politieke econoom Martijn Konings, die in zijn The Emotional Logic of Capitalism: What Progressives Have Missed (2015) Polanyi aanvalt als icoon voor alles wat links is. Konings is een verdediger van het economisch bestel als garantsteller van sociale samenhang.

Polanyi beschouwt het negentiende- en twintigste-eeuwse kapitalisme als een systeem dat niet alleen inging tegen de historisch gezien basale inbedding van economie in sociale structuren, maar dat die structuren ook willens en wetens vernietigde. Konings ziet het twintigste-eeuwse of hedendaagse kapitalisme als een effectief en aantrekkelijk sociaal-economisch systeem waarin ‘morality, faith, power, and emotion, the distinctive qualities of human association, are interiorized into the logic of the economy’. Beiden houden er een ander idee van de rol van geschiedenis in relatie tot sociale cohesie op na. Polanyi heeft het over geschiedenis in concrete zin als de geschiedenis van collectieven; Konings in het geheel niet. Bij hem gaat geschiedenis eerder op in de financieel-economische relaties van een permanent heden, waarin de productieve en aantrekkelijke kracht van hedendaags kapitalisme steeds nieuwe verbindingen mogelijk maakt, vanwege zijn: ability to grasp a complex network of connections as a coherent entity, without having to retrace all the details of its historical emergence every time we encounter it. The process of ‘forgetting’ at work here does not involve the actual loss of memory or growing disconnect, but the kind of forgetfulness that often attends intimate familiarity.

Konings’ visie op geschiedenis is op zijn minst onbekommerd. Al even onbekommerd is zijn behandeling van geld. Volgens Konings maken polanyianen van geld een fictieve, malafide figuur: ‘the god of a secular society’, terwijl het, naar Konings’ inzicht, de rol heeft van betekenisvol medium dat maatschappijen bijeenhoudt. Tja, denk ik dan, dat geldt dan misschien voor degenen die geld hebben. Konings moet daartoe de perverse ongelijkheid die kapitalisme altijd heeft gekenmerkt marginaliseren – zeker hoe die heden ten dage een nieuw niveau heeft bereikt: terwijl het vermogen van één individu, de baas van Amazon, de grens van 100 miljard dollar heeft overschreden, is het gemiddeld jaarinkomen in de Democratische Republiek Congo 394 dollar. Dat is 8,5 miljard tegenover 36 dollar per maand; 274 miljoen dollar per dag tegenover 1,20. [11] Is het echt vol te houden dat het hier ‘a complex network of connections as a coherent entity’ betreft; een soort van continuüm? Of heeft deze perverse ongelijkheid wel degelijk een splijtende werking, die moet worden verborgen onder de mythe dat het kapitalisme uiteindelijk iedereen ten bate komt?

Continue geschiedenis of botsende fragmenten?
Mijn gedachten over taal en over continuïteit in geschiedenis, in relatie tot sociale cohesie en weerbaarheid, werden gestimuleerd door de literaire gids die, van alle auteurs nu werkzaam in het bredere Nederlandse taalgebied, in haar constructieve behandeling van taal en geschiedenis en haar vraag naar sociaal-culturele cohesie bijna geen gelijke kent: Antjie Krog. Haar veertien pagina’s tellende gedicht ‘Bediendepraatjies’ waaruit ik in het voorgaande citeerde, haal ik aan ter demonstratie van hoe literatuur naar mijn idee bijdraagt aan een levende geschiedenis die sociaalculturele cohesie mogelijk maakt, maar ook een geschiedenis die stellingname en verschil of strijd mogelijk maakt, en zo de toekomst opent. In het gedicht is niet maar één lyrisch subject aan het woord, maar meerdere subjecten. Daardoor krijgt het gedicht iets dramatisch. De verschillende stemmen zijn vervat in verschillende literaire vormen, en weergegeven in verschillende lettergroottes. Ze spreken Afrikaans en Xhosa, maar bezigen blijkbaar ook een andere taal: het Engels. Het bovenste deel heeft uitdrukkelijk de vorm van een gedicht; het onderste deel lijkt een doorlopend narratief, maar blijkt eerder een doorlopend script, met een collectief van stemmen. Tussen de twee bestaat een scheiding, iconisch gevat in een witruimte. Die ruimte is misschien eerder een kloof: van talen, van etniciteit, sociale status, mogelijk van gender, maar hoe dan ook van geld. Een poging om de kloof tussen partijen te dichten vindt plaats door middel van een vertaling, nee, twee vertalingen. Het Xhosa is onderaan de bladzijde in kleinere letters vertaald in het Afrikaans – al blijkt uit de ‘Verantwoording’ dat het gedicht andersom gemaakt is: Afrikaans is in het Xhosa vertaald. De Afrikaanse gedeeltes zijn op hun beurt vertaald in het Nederlands. Beide vertalingen kunnen worden gezien als voorbeelden van mislukte representatie: we kunnen ons namelijk geen coherent beeld vormen van de personages of personen die aan het woord zijn. De stemmen komen tot ons in talen met verschillende registers en zijn gerelateerd aan verschillende culturen, machten en geschiedenissen.

In het gedicht staan taal, geschiedenis en sociale cohesie centraal: binnen de taal en geschiedenis van de één zijn ‘doden’ dingen die dood zijn, zand erover. Of beter nog: een goedkope zandsteen. Binnen de taal en geschiedenis van de ander zijn ‘doden’ juist niet alleen maar dood. En dit dood of niet zomaar dood-zijn is gerelateerd aan geld. Op alle bladzijden van het gedicht gaat het over al dan niet hebben van geld, om het vragen daarnaar, het al dan niet voorschieten, of lenen, het uitbetalen, verhogen van salaris, het geven van een bonus, hoeveel je kunt bijverdienen door iets te verkopen, het nijpende tekort eraan, of de overvloed bij anderen; en in alle gevallen is geld weer gerelateerd aan de dagelijkse strijd om te overleven. De bovenste laag ‘praatjies’, van de Afrikaanders met geld, eindigt dan als volgt:

denk je dat ze over ons nadenken en over hoe wij leven
ja ik denk dat ze onderling praten over hoe wij zijn
dan schudden ze hun hoofd en lachen ze
omdat we hardvochtig zijn? nee omdat we hoe dan ook geen idee hebben

De onderste laag praatjies, die van de arme Xhosa-familie, eindigt met:

nee mijn werk is mijn werk niemand neemt dat van me af al deze dingen
spelen een rol m’n kind kalmte in huis rust in het lijf dat alles zorgt dat het
geld langzaam opraakt en niet

In beide gevallen staat er geen punt die de tekst besluit, in beide gevallen betreft het een in het midden afgebroken zin. Het gedicht lijkt door te lopen als was het een coherente tekst, maar ondertussen is het een verzameling brokstukken, met zinnen die veelal abrupt stoppen en overgangen naar de volgende bladzijde die niet syntactisch of narratief op elkaar volgen, eerder repetitief. Met andere woorden: het gedicht suggereert continuïteit, maar bestaat uit fragmenten en repetitie. Er kolken allerlei geschiedenissen in rond, maar geen daarvan raakt afgerond; eerder botsen er brokstukken van geschiedenissen, of bestaan ze naast elkaar in verschillende werelden.

In de bovenste laag wordt enkele malen expliciet gerefereerd aan een roman van de toen nog Zuid-Afrikaanse, inmiddels Australische auteur John Maxwell Coetzee: Age of Iron, uit 1990, vertaald als IJzeren tijd, waarin een oudere witte vrouw zich verhoudt tot haar zwarte werkster, wier vijftienjarige zoon wordt doodgeschoten tijdens rellen, en tot een zwarte zwerver: brokstukken van de Apartheid. Zonder dat het dat expliciet doet, roept het gedicht door de referenties aan Age of Iron verschillende controverses op over de naweeën van de Apartheid, de rol van het recht in de transitie van de ene maatschappijvorm naar de andere, over onopgeloste ongelijkheden, hier vervat in praatjes en anekdotes rondom de relatie tussen een huiseigenaar en de schoonmaakster. Die anekdotes verhouden zich tot grotere geschiedenissen van onderdrukking en bevrijding en voortdurende ongelijkheid. In dit gedicht worden die geschiedenissen niet weggepoetst; ze krijgen stem en worden daardoor bespreekbaar.

Taal in verwevenheid en een stem voor eenieder
Bijna halverwege de, als in menuet doorlopende [12], bediendenpraatjes wordt het gedicht onderbroken door een ander gedicht, getiteld: ‘(de slak als verbeelding op de slapende subalterne wang)’. Dit gedicht, met de opvallende haakjes die de titel als het ware een terzijde maken, rijmt met het slotgedicht. Dat is getiteld: ‘Victoria en de dichter’. Victoria is de werkster van de ik-dichter. De werkster is niet zomaar de subalterne, want ze heeft een naam en krijgt ook tekst. In het laatste gedicht komt niet alleen letterlijk de slak terug, op de subalterne wang, de vraag is in beide gedichten hoe de subalterne aan het woord kan komen.[13] De twee gedichten rijmen via het begrip subaltern met de twee motto’s van het gedicht. Een motto is van Gayatri Chakravorty Spivak en komt uit een bundel met de veelzeggende titel What Happens to History: The Renewal of Ethics in Contemporary Thought. Het andere motto is van Drucilla Cornell, die reageerde op Spivak in een artikel getiteld ‘The Ethical Affirmation of Human Rights: Gayatri Spivak’s Intervention’. Beide resoneren met de kernvragen van mijn betoog. Wat is, in de huidige omstandigheden, levende geschiedenis in relatie tot sociale cohesie en hoe kan die cohesie ethisch vorm krijgen?[14]

Cornell levert het kortste motto, dat in het licht van hedendaagse politieke debatten misschien het meest prangend is. In de Nederlandse vertaling in de bundel:

onderkennen dat representatie als zodanig mislukt, wordt een vorm van luisteren. [15]

De politieke debatten waarop ik doel, zijn die aangaande de Nederlandse geschiedenis, of beter, de geschiedenissen die Nederland definiëren, zoals die zijn vervat in straatnamen, musea, standbeelden, schoolboeken, tradities, wetenschappelijke studies, in individuele en collectieve hoofden, lichamen, ritmes. Die debatten gaan onder meer over ontbrekende representaties, of falende representaties: niet-adequate of juist verheerlijkende. Een prangende vraag is in hoeverre partijen durven te onderkennen dat representaties mislukt zijn, als gevolg waarvan een ruimte voor luisteren kan ontstaan. In die ruimte zou men niet alleen moeten luisteren naar elkaar, maar ook naar de als ‘eigen’ veronderstelde geschiedenis, die niet in een continue lijn heeft geleid tot een onontkoombare en in die zin logische resultante, maar die een geschiedenis is van gemiste kansen, uitgeschakelde alternatieven, van fragmenten en brokstukken, en van mensen die in en door die geschiedenis zijn onderdrukt.

Spivak levert, door als motto te fungeren bij het gedicht van Krog, het volgende punt aan:

Radical alterity – the wholly other – [must be thought and] must be thought through imagining. To be born human is to be born angled toward an other and others. To account for this, the human being presupposes the quite-other. This is the bottom line of being-human as being-in-the-ethical relation. By definition we cannot – no self can – reach the quite-other. [Thus the ethical situation can only be figured in the ethical experience of the impossible.] This is the founding gap in all act or talk, most especially in acts or talk that we understand to be closest to the ethical – the historical and the political. [We will not leave the historical and the political behind.] We must somehow attempt to supplement the gap.

Ik geef dit citaat in Spivaks origineel omdat in de bundel de ‘quite other’ is vertaald als ‘tamelijk andere’. Maar de eerste betekenis van het Engelse ‘quite’ is ‘completely, fully, entirely, totally, wholly, absolutely, utterly, outright, thoroughly, altogether’, zoals in ‘Quite out of the question’, en het is dus gewoon equivalent met ‘geheel’. De ander waarover Spivak spreekt, is geen ‘tamelijk’ maar ‘volkomen andere’. De gedeeltes tussen haken zijn zinnen die door Krog zijn weggelaten. In alle drie de gevallen is dat betekenisvol in het kader van haar dichterschap. Als dichter gaat het haar niet om denken zelf, maar om hoe het denken vorm krijgt in de verbeelding. De ethische ervaring van het onmogelijke krijgt bij haar vorm als een figuur, zoals blijkt uit het gedicht getiteld ‘(de slak als verbeelding op de slapende subalterne wang)’. In Krogs dichterschap spreekt het voor zich dat het historische en het politieke niet achterwege worden gelaten: beide motiveren haar werk en zijn daarin belichaamd.

De vraag is nu hoe kapitalisme, met zijn financieel-economische en sociale verhoudingen, blijkens ‘(de slak als verbeelding op de slapende subalterne wang)’ verbonden is met sociaal-politieke geschiedenissen. Welnu, Krogs gedicht resoneert met het debat dat nu meer dan een halve eeuw gaande is en de laatste tijd aan urgentie wint, zoals blijkt uit Konings’ reactie op Polanyi, waarbij Polanyi synecdoche is voor alle ‘progressieven’. Meer contemporaine progressieven zijn antropologen als David Graeber, auteur van Debt en bijdrager aan Keith Harts The Human Economy: A Citizen’s Guide (2010), of het feministische duo J.K. Gibson-Graham, met studies als A Postcapitalist Politics (2006) en The End of Capitalism (As We Knew It) (1996). Allen komen ze met een pleidooi voor een ‘human economy’, of een onverbrekelijke band van economie met sociale structuren – en in dit kader is het van belang dat zij antropologen zijn, of antropologisch geïnspireerd zijn. Hetzelfde geldt voor Miranda Joseph met Against the Romance of Community (2002) en Debt to Society: Accounting for Life under Capitalism (2014).

Als Konings – en hij niet als enige – Polanyi een verkeerde voorstelling van zaken verwijt omdat de economie nooit ingebed geweest is in het sociale, aangezien dat er juist door gedetermineerd is, neemt hij, door uit te gaan van de absolute dominantie van het economische, ironisch genoeg een primitief marxistische positie in. Toegegeven: Polanyi’s term ‘inbedding’ is wat ongelukkig gekozen, temeer omdat sociale relaties nooit van nature in balans zijn. Maar dat neemt niet weg dat kapitalisme sociale structuren die economische acceleratie hinderen systematisch uit de weg heeft geruimd, en andere structuren simpelweg heeft misbruikt. Het vergt een welhaast perverse verschoning van de hedendaagse plutocratie om niet te zien hoe haar mondiale machtsgreep heeft geleid tot de ontmanteling van bestaande sociale structuren of de ontregeling van hele maatschappijen, zoals Chili na 1973, Rusland na de ontmanteling van de Sovjet- Unie, en eigenlijk alle voormalige Oostbloklanden. Deze ontmantelingen hebben enorme consequenties gehad voor de mogelijkheid van een levende geschiedenis; een geschiedenis die mensen niet alleen plaatst in de tijd, maar die, in het volle bewustzijn van politieke conflicten, een sociale cohesie mogelijk maakt die het politieke lichaam bijeenhoudt.

Geld speelt in de situatie die Krogs gedicht beschrijft een enorme rol, ik gaf het al aan. Indien we alleen al teruggaan naar de ene geciteerde pagina, hierboven, dan opent die met ‘ze wil tienduizend rand lenen voor haar vaders grafsteen / dat geld heb ik niet zo simpel is het / bovendien ik geef geen geld aan doden’. Maar op dezelfde bladzijde en iedere volgende bladzijde gaat het steeds opnieuw over geld. Toch, de relaties tussen de verschillende actoren worden uiteindelijk niet gedefinieerd door een economische logica. Mensen verhouden zich tot elkaar in verschillende, min of meer gescheiden kringen, die zijn opgenomen in een groter geheel van sociale cohesie waarin ze letterlijk en figuurlijk om elkaar geven omdat ze, hoe verbrokkeld ook, op de hoogte zijn van elkaars situaties en talen en geschiedenissen. Ze leven samen; in conflict, en desalniettemin samen.

Het gedicht is daarmee een voorbeeld van hoe hedendaagse literatuur kan bijdragen aan een herstel van een historische continuïteit die uiteindelijk in dienst staat van sociale cohesie. Een sociale cohesie welteverstaan, die in staat is een al te sterke dominantie van de markt te weerstaan, maar die mensen bovendien in staat stelt om samen te leven in en met verschil, om politiek samen te leven. Politiek samenleven is geen kwestie van dominantie van het een over het ander (zeg economie over sociale orde, of sociale orde over economische), maar van een integrale verwevenheid die een principiële, constitutieve gebrokenheid en gefragmenteerdheid belichaamt, en tochcohesie mogelijk maakt. Omdat, door conflict, de manier waarop de fragmenten verweven zijn steeds verandert, moet die verwevenheid steeds opnieuw worden uitgedrukt – en precies dat doet literatuur. Bovendien is cohesie alleen mogelijk als iedereen een stem heeft en krijgt en wordt gehoord. Waarmee we terug zijn bij de taal.

De taal als borg
Het verleden mag dan een geheel zijn dat alles bevat, maar het is geen ge-heel, zoals in bijvoorbeeld Benjamins begrip Totalgeschehens. [16] Continere betekent niet alleen ‘ononderbroken’, maar ook ‘samenhangen’, of ‘bevatten’ (vandaar het woord container). De continuïteit van de geschiedenis hoeft geen lijn van noodzakelijkheid te zijn die kan worden gebroken, maar kan ook verbeeld worden als een container, vol onevenredige verdelingen, bewegingen en dynamieken. Indien aan dat conflictueuze geheel geen collectief gehoor wordt gegeven, is politiek samenleven in gevaar, omdat sociale cohesie – het letterlijk en figuurlijk om elkaar geven in het besef dat mensen elkaar zelden kunnen begrijpen – geen uitdrukking krijgt die haar tegelijk grondt.

Uitdrukking geven aan sociale cohesie, in taal, is geen kwestie van harmonie of overeenstemming of gedeelde identiteit, zoals ook blijkt uit Krogs gedicht. Wat in haar gedicht wordt uitgedrukt, stemt overeen met wat Khatib stelt:

the epistemological task of seizing the past’s true image relates to the ontological incompleteness of history. Only by grasping this temporal loop, by constructively working through the specters of the past, can we bury history’s undead. This burial, however destructive it may be, does not serve the commemoration of dead generations but aims at changing the present in the moment of recognising the true image in the past – an image that suddenly, seemingly from nowhere, ‘speaks’ to the current oppressed in a situation of danger.

Het genoemde gevaar bestaat niet zozeer in de mogelijkheid dat sociaal-politiek conflict overgaat in gewelddadig conflict; dat laatste gevaar is er altijd. Het acute gevaar zit in de onrechtvaardige situaties waarin onderdrukten tegenwoordig opnieuw zijn geworpen. De vorm van historische continuïteit die voor hen van belang is, is het besef niet voor eeuwig tot de onderdrukten te hoeven behoren, het gevoel dat de perverse onevenredigheid die bijvoorbeeld kapitalisme kenmerkt niet onvermijdelijk is. Strijd daartegen is mogelijk. Maar die strijd is niet mogelijk vanuit een radicaal gefragmenteerde geschiedenis, enkel vanuit een geschiedenis van conflictueuze continuïteit die het politieke samenleven in zijn contingentie stuwt, die een basale vrijheid belichaamt, en rechtvaardigheid mogelijk maakt.

Wat ik heb willen stellen, is dat het kernprobleem van de hedendaagse Nederlandse maatschappij niet identiteit is, niet de reconstructie van de natiestaat, maar vormen van historisch (koloniaal, migratoir) gegroeid en actueel onrecht (segregatie). In dat kader dient het verleden niet zomaar herinnerd maar ook onderzocht te worden, met het oog op een heden dat precair is in relatie tot toekomstige continuïteit. Slecht taalonderwijs aan de lager bedeelden is, zo bezien, de facto de continuering en bekrachtiging van historisch onrecht. Een neerlandistiek die zich niet tot dit kernprobleem wil verhouden, is het praten niet waard. De neerlandistiek is er namelijk niet om de pareltjes van de Nederlandse literatuur te bestuderen, maar om haar maatschappelijke taak serieus te nemen. Die is: de taal en literatuur te ontsluiten voor iedereen, en actief deel te nemen aan het gevecht om dat mogelijk te maken. Gevecht? Ja. Het is een gevecht geworden, tegen vormen van plutocratie. Taal en literatuur zijn van ons allen, niet alleen voor degenen die de beheersing ervan, of de bijscholing erin, of het genot ervan kunnen betalen. Taal is een borg voor politiek samenleven en sociale cohesie, maar dat geldt uitsluitend als iedereen niet alleen het woord mag nemen (een democratisch recht) maar ook in staat is dat woord te hanteren (een kwestie van scholing). De neerlandistiek heeft als taak die borg te helpen zekeren; en die zekering heeft grote urgentie.


Noten
 [1] Kathleen Lynch, ‘Neoliberalism and Marketisation: The Implications for Higher Education’, European Educational Research Journal, Vol. 5, No.1: pp. 1-17 (2006).
 [2] Van πλουτος (rijkdom) en κρατειν (regeren, de macht hebben): het betreft een samenleving gecontroleerd, ook qua wetgeving, door de rijken.
 [3] Zie https://www.zorgvisie.nl/vgn-voorziet-grote-problemen-met-pgb-formulieren/
 [4] Zie https://www.encyclo.nl/begrip/Huiswerkinstituut
 [5] Zie http://tiny.cc/cbs-dnbg
 [6] Hans Achterhuis, De utopie van de vrije markt (Lemniscaat, 2010). Achterhuis, de grote expert op het gebied van utopieën in Nederland, verweet zich achteraf dat hij veel te laat inzag dat ook het neoliberalisme een utopisch project is.
 [7] Pp. 130-158.
 [8] Interview met Jan Latten op 23 september 2018: https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/steeds-meer-nederlanders-betekent-ook-steeds-meer-segregatie~b2592e97/
 [9] Khatib stelt weliswaar dat de ‘act of restoring the past’s crushed potentialities cannot be appropriated by a sovereign subject of history, since the ich, “ego”, of the enunciation “I was, I am, I shall be” is still caught in the spectral net of es, “id” – the trauma of the past. Working through the unconscious non-symbolisable trauma of the past is a constructive and destructive act that cannot rely on already established subjects. The revolutionary ego of “I was” – the collective subject of historical enunciation – has still to be constructed in order to allow for the modality of “I shall be”’, p. 15. Hier lijkt het historisch coherente subject er niet te zijn in reële zin, maar wel als ideaal.
 [10] Ik sluit hier deels aan bij Hans Demeyer en Sven Vitse, ‘Revanche of conflict? Pleidooi voor een agonistische literatuurstudie’, Spiegel der Letteren, 56/4, pp. 511-538. Mijn punt is dat er geen politiek agonisme mogelijk is zonder sociale cohesie. Die vraag dient dus eerst gesteld.
 [11] https://www.worlddata.info/average-income.php
 [12] Ik verwijs hier natuurlijk naar Louis Paul Boons fameuze Menuet, uit 1955, waarin ook twee onafhankelijke lijnen met verschillende stemmen zich boven en onder elkaar ontwikkelen.
 [13] Op respectievelijk pp. 142-143 en 158-159.
 [14] Gayatri Chakravorty Spivak, ‘A Moral Dilemma’, in Howard Marchitello (ed.), What Happens to History: The Renewal of Ethics in Contemporary Thought (Routledge, 2001), pp. 125-236.
 [15] Drucilla Cornell, ‘The Ethical Affirmation of Human Rights: Gayatri Spivak’s Intervention.’ In Rosalind C. Morris (ed.), Can the Subaltern Speak? Reflections on the History of an Idea (Columbia University Press, 2010), pp. 100-116. De zin voorafgaand aan het citaat is: ‘… Spivak’s radical antipositivism, which insists that there is no representational space in which the gendered subaltern can make itself heard; as a result, the noting of the failure of representation itself becomes a form of listening’, p. 101.
 [16] Khatib zegt erover: ‘In order to grasp Benjamin’s counterintuitive move fully, we have to presuppose the existence (however weak) of the total event. Although the messianic totality of all events is logically prior to the aforementioned congealed crystal, nothing can be deduced from the former’, p. 12.