Vervolgbrief Geerten Waling aan Rob Hartmans, 24/12/2018

Rob Hartmans en Geerten Waling schrijven elkaar over Peter Hitchens’ Opstand tegen God, John Grays Seven Types of Atheism en Tim Cranes The Meaning of Belief: Religion from an Atheist’s Point of View. Waling: ‘Kenmerkend voor dat nieuwe atheïsme is de compromisloosheid: geen water bij de wijn, geen zalvende woorden om een dispuut over religieuze dogma’s te sussen, geen mantel der liefde om de onzin te bedekken die sommige gelovigen uitkramen.’ Hartmans: ‘Wie elke vorm van irrationalisme, massahysterie of politiek fanatisme “religieus” noemt, rekt het begrip ‘religie’ zover op dat het zijn betekenis verliest.’.


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Essay uit dNBg 2018#6

De mens heeft rationele vermogens, maar is ten diepste irrationeel, zoals jij in je brief met Collingwood in de hand beaamt. Vandaar ook mijn vraag, in het kader de vaak irrationele hang naar religie: kunnen we rationeel omgaan met irrationaliteit? Het onderwerp boeit me al langer, dankzij mijn goede vriend (en collega-historicus) Coos Huijsen die daar in zijn boeken over schrijft. Hoe kan het, bijvoorbeeld, dat een evidente republiek als Nederland toch in hoge mate binding voelt met een koningshuis? Met een koninklijke familie, bovendien, die niet alleen niet voldoet aan de wetten van democratie en meritocratie, maar die zelfs een geschiedenis kent vol schandalen en parvenu’s? Hoe kan het dat een groep van miljoenen verschillende, diverse en vaak zelfzuchtige individuen zich toch herkent in het idee van een ‘natie’? [1] Niet voor niets bracht Huijsen mij ook op het spoor van de romancier Frans Kellendonk, die ironie definieerde als ‘oprecht veinzen’.

Dat oprechte veinzen, de omarming van het onechte, kun je in de kunst toepassen, maar ook op (andere) metafysische zaken, zoals in het domein van de religie. Je vreest dat voor mij ‘religie an sich een probleem is’, maar dat is te kort door de bocht. Toegegeven, in eerdere brieven heb ik inderdaad de nadruk gelegd op de problematische kanten van religie – en ik geloof eerlijk gezegd wel dat een wereld met minder religie mooier en leefbaarder zou zijn dan een wereld met meer religie. Maar dat komt dan toch weer door die dogmatische beklemming waarmee religie gepaard gaat, en die zowel tot uiting komt in tiranniek gedrag jegens anderen (hun handelen, hun woorden en zelfs hun gedachten), als in zelfcensuur en andere nodeloze zelfbeperking. Dit terwijl ik voor de ironische religiebeleving, op Kellendonkiaanse wijze, wel sympathie kan opbrengen. Weten dat we eigenlijk niets weten, dat geschriften zo heilig zijn als we ze zelf maken, dat God zo groot of klein is als we zelf willen geloven, dat we in the end allemaal maar een spel spelen – dat lijkt me een gezonde levenshouding in religieuze zaken, net als overigens in de politiek, het publieke debat en de wetenschap. Het ‘oprecht veinzen’ komt dicht in de buurt van wat jij een ‘nuttige fictie’ noemt, dus we lijken het (opnieuw) meer eens dan oneens.

Dat geldt niet voor je opmerking dat niet-religieuzen heus ook slechte dingen doen, dus dat we van die slechte dingen niet religie de schuld mogen geven. Steven Weinberg schreef: ‘With or without religion, good people can behave well and bad people can do evil; but for good people to do evil — that takes religion.’ Natuurlijk hebben Floris Cohen en jij gelijk dat andere atheïsten zich weleens blindstaren op heilige teksten zonder te kijken naar de religieuze praktijk en de beleving van gelovigen. Die zijn immers zelden robots die trouw het script uitvoeren dat in hun Bijbel of Koran staat opgeschreven. Toch wil ik wel een kleine lans breken voor deze Schriftkritiek door atheïsten. Het was dan rijkelijk laat, aangezien het al decennia werd geroepen door ervaringsdeskundigen zoals Afshin Ellian en Salman Rushdie, maar de hoogleraar terrorismestudies Erwin Bakker onthulde onlangs dat hij door de scriptie van ex-Hofstadterrorist Jason Walters over radicalisering toch eindelijk overtuigd was geraakt van de betekenis van religieuze teksten voor (in dit geval) jihadisten. Geloofde hij eerst in bijvoorbeeld de sociaal-economische achterstelling als primaire voedingsbodem voor terrorisme, nu moest hij toegeven dat jihadisten, net als de meer geweldloze salafisten, zich toch echt laten leiden door een letterlijke exegese van de Koran en bijbehorende documenten. De beschrijvingen daarin, van onder meer het leven van de profeet, zijn niets minder dan een handleiding voor hun leven en handelen. En dan moeten we niet denken aan aardse wijsheden die ter inspiratie strekken, maar aan een directe, goddelijke opdracht. Hoewel de dogmatiek niet helemaal overeenkomt, heerst eenzelfde fanatisme natuurlijk ook onder radicale christenen en andere religieuzen in verleden en heden. Dit verklaart ook de aloude behoefte om als martelaar te sterven: dat is geen zelfmoord maar een gouden ticket naar het paradijs!

Enfin, nu ben ik toch weer op het pad geraakt van die betrekkelijk kleine groep naarlingen die het verpesten voor al die braverikken die hun religie louter als zingevend waarderen. Ten opzichte van hen heb ik altijd het liberale standpunt ingenomen van Thomas Jefferson: dat ze vrij moeten zijn om hun geloof te beleven en te belijden, maar dat anderen ook het recht hebben om die kermis bespaard te blijven. Freedom of religion betekende voor hem ook freedom from religion. Of zoals hij schreef in zijn Notes on the State of Virginia: ‘The legitimate powers of government extend to such acts only as are injurious to others. But it does me no injury for my neighbor to say there are twenty gods, or no god. It neither picks my pocket nor breaks my leg.’ Zijn stellingname vormde de basis voor de sterk seculiere grondwetten van zijn staat Virginia en kort erna van de Verenigde Staten. In Nederland hebben we zo’n sterke scheiding van privé en publiek nooit gekend, zodat er nog allerlei uitzonderingen voor religie in de Nederlandse wet terug te vinden zijn. Godsdienstvrijheid is hier meer dan alleen vrijheid van vereniging, vergadering en meningsuiting – het is ook het recht op door de staat betaald religieus onderwijs, bijvoorbeeld, of het recht om met bedekt hoofd in je paspoort te worden afgebeeld. In een deels geseculariseerde samenleving, met bovendien een nieuwe religie die even omvangrijk als veeleisend is, stelt die vage grens tussen privé en publiek de tolerantie wel behoorlijk op de proef. Het lijkt me dan ook tijd om na de afgelopen, turbulente eeuw de Pacificatie eens grondig te evalueren.

Terwijl ik dit schrijf, besef ik dat ik jou alleen maar sterk in je overtuiging dat ik religie als problematisch zie, misschien zelfs dat ik ermee zou willen afrekenen. Wees gerust, dat is niet het geval. Ook ik heb met veel bewondering en verbazing allerlei religieuze rituelen bijgewoond in binnen- en buitenland, net als dat ik grote waardering heb voor Bach of de Stanze van Rafaël. Maar die zijn ook aantrekkelijk omdat religie in hun tijd nog het bepalende referentiekader was op de wereld – en zeker op kunst en schoonheid. In onze tijd en samenleving is religie teruggedrongen tot één kader, naast vele andere, en is vooral beperkt tot zingeving, (wan)hoop, transcendentie en saamhorigheid. Zelfs in de wetenschap, waar jij uitgebreid over schrijft, is religie een bijzaak. Op veel onderzoeksterreinen speelt religie een verklarende noch hinderlijke rol. Als je het pantoffeldiertje of de Melkweg onderzoekt kun je nog behoorlijk ver komen zonder ooit in conflict te raken met je religieuze wereldbeeld. ‘Je doet je werk volgens de regels en methodes van de wetenschappelijke integriteit, en daarnaast geloof je. Een beetje zoals een buschauffeur die op de bus zit en zondags naar de kerk gaat.’

Dat laatste is een citaat van de christelijke historica Beatrice de Graaf, in een interview met AD. Haar geloofsgenoot en collega-historicus James Kennedy zei al eens in een tijdschrift van christen-historici dat hij wel geloofde dat God de geschiedenis leidt, waaraan hij snel toevoegde: ‘Er is een goddelijke werkelijkheid, maar die kun je niet zien.’ Dat maakt het werk van een gelovige historicus dus niet veel anders dan van ongelovige collega’s. Problematischer zou het zijn als een historicus gaat betogen dat Gavrilo Princip werd gezonden door de duivel, of dat God de poorten van de Bastille uit hun ijzers gelicht zou hebben. Wat dat betreft zijn we verder van huis met marxistische historici, die de geschiedenis in hun mal van de klassenstrijd persen. Of hun erfgenamen die de identiteitspolitiek hun kijk op het verleden laten vertroebelen. Bij hen is die mooie ‘harmonieuze, zinvolle, tolerante en gematigde levenshouding’ waarvoor je pleit ver te zoeken. Maar ja, zulke ideologische dogmatiek is dan ook moeilijk te onderscheiden van… religie.

Hartelijks,

Geerten


 [1] Zie onder andere het proefschrift van Coos Huijsen, Nederland en het verhaal van Oranje (Amsterdam: Balans 2012), evenals de boeken die ik met hem maakte voor Elsevier Boeken: Wat is een natie? (2013) en De geboortepapieren van Nederland (2014).


Lees de brief van Rob Hartmans hier.

Lees de hele correspondentie tussen Rob Hartmans en Geerten Waling hier.