Morrelen aan de macht: een recht tegen onrecht
Persis Bekkering


Waar David Rijser betoogt dat onze beschaving gebaat zou zijn bij iets meer kalmte en vertrouwen in evoluerende instituties, betoogt Persis Bekkering dat het falen van die instituties in de bestrijding en berechting van intimidatie en machtsmisbruik geen nevenschade is, maar fundamenteel; de evolutie niet alleen te traag, maar ook langs de verkeerde weg. In plaats van bezwerend tot kalmte te manen, zegt Bekkering, moeten we onder ogen zien dat instituties als onze rechtspraak fundamenteel onrechtvaardig zijn en structureel falen waar het gaat om de bescherming van diegenen die het meeste bescherming nodig hebben. Toch ziet ook Bekkering, net als Rijser, een sleutelrol weggelegd voor het recht, zij het van een heel ander soort.


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Essay uit dNBg 2018#6

Wat is #MeToo nou eigenlijk, zijn we daar al over uit? Een revolutie in een hashtag. Twee woorden die aan elkaar zijn gegroeid tot één, een schild waarachter je eindelijk vrijuit kunt vertellen over die keer dat je ongewenst bent betast, vernederd, verkracht. Een wraakactie, een heksenjacht. Een vrijbrief alle gebruikelijke journalistieke eisen te laten varen, die de media spannen voor het karretje van wie er ook maar wil profiteren van de val van een machtig persoon. Maakt het van vrouwen passieve slachtoffers, of geeft het ze hun zelfbeschikking terug? Gaat het over machtsmisbruik, of over lust? Betekent het de val van de man?

De gewezen hoofdredacteur van The New York Review of Books Ian Buruma omschrijft #MeToo in het veelbesproken interview met Slate als ‘een noodzakelijke correctie op mannelijk gedrag’. Het NYRB-dossier ‘The Fall of Men’ wilde dan ook ‘slecht mannelijk gedrag begrijpen’. Door #MeToo-mikpunt avant la lettre Jian Ghomeshi een stem te geven, wilde hij licht werpen op een in zijn ogen onderbelichte kant van de #MeToobeweging: het lot van de beschuldigde man.

De rest is geschiedenis. ‘Reflections from a Hashtag’ is op zijn best een verslag van de vernietigende en corrigerende impact van de media. Het essay van Ghomeshi vertelt ons in elk geval niets nieuws over ‘slecht mannelijk gedrag’. De auteur balanceert in al zijn wonderlijke saaiheid op de grens van wat de progressieve gemeenschap wil horen, met een feilloze toe-eigening van feministisch discours (‘I began to see my own actions as part of a systemic culture of unhealthy masculinity’), en wat Buruma wil horen, het verhaal van het individu als middelpunt van massahysterie.

Omdat Ghomeshi aard en aantal van de beschuldigingen aan zijn adres afzwakt of verzwijgt, blijft een man zonder eigenschappen over. Zijn reflecties ontstijgen de banaliteit nauwelijks: ‘I ought to have been more respectful and responsive with the women in my life. To them I say, you deserved much better from me.’

Misschien mislukte Buruma’s poging om de achterkant van #MeToo in beeld te brengen simpelweg omdat hij de voorkant niet genoeg kent. Zeker, de beweging heeft de aandacht gevestigd op het feit dat mannen zich ‘slecht gedragen’, maar niet alleen mannen zijn daders. De affaire rondom Avital Ronell, een professor aan de New York University die de emotionele en fysieke grenzen van ten minste één PhD-student heeft overschreden, liet andermaal zien dat ook vrouwen het in zich hebben. En in die zaak waren het niet (alleen) witte mannen die haar de hand boven het hoofd hielden toen er een onafhankelijk onderzoek werd gestart. Het waren vijftig invloedrijke academici, onder wie helden van genderstudies en postkolonialisme zoals Gayatri Spivak, Judith Butler en Jack Halberstam, die ons juist leerden machtsongelijkheid te herkennen. In een gezamenlijke brief riepen zij de NYU op om Ronell, vanwege haar uitzonderlijke verdiensten, in dienst te houden. De aanklacht wegens misbruik die haar PhD-student Nimrod Reitman had ingediend noemden zij een ‘kwaadaardige campagne’.

De zaak was al met al zo verwarrend, dat de #MeToobeweging in verlegenheid leek gebracht. Toch heeft juist die complexiteit veel nieuwe inzichten opgeleverd over de oorzaken van seksueel grensoverschrijdend gedrag.

Academische sterren
In een zorgvuldig essay in de Los Angeles Review of Books, ‘The Apprentice in Theory: Fan, Student, Star’, schetsen onderzoekers Catherine Liu en Devan Bailey een materialistisch en ideologiekritisch perspectief van de academische kringen waarin Ronell van onzekere student tot machtige professor uitgroeide. Met de opkomst van de vage academische discipline ‘theorie’ – een mengvorm van filosofie, literaire kritiek, linguïstiek en antropologie – in het midden van de jaren zestig, raakten met name Amerikaanse universiteiten besmet met celebritycultuur. Academici als Spivak, Roland Barthes, Jacques Lacan en Jacques Derrida, Ronells leermeester, reisden van conferentie naar conferentie, profiterend van de opkomst van goedkoop vliegverkeer, en verzamelden een schare volgelingen om zich heen die je gerust fans zou kunnen noemen. Deze sterren doceerden dat de tekst dood was, en de auteur ook. De enige autoriteit die niemand bevroeg, was die van de theorie-ster zelf, schrijven Liu en Bailey. Ook Ronell werd een generatie later zo’n ster.

De auteurs laten zien hoe dit sterrendom zijn entree maakte in de academische wereld, als een late spinoff van de celebritycultuur die Hollywood begin twintigste eeuw bijzonder winstgevend maakte. Het imago van een filmster bleek lucratief omdat hij of zij een eigen doelgroep van fans aan zich bond, die elke keer weer kwam opdraven bij de kassa van de bioscoop. Dit principe vond vruchtbare grond in de academische wereld, waar neoliberaal beleid en daaruit voortkomende bezuinigingen op onderwijs instituties ertoe noodzaakte op zoek te gaan naar andere bronnen van inkomsten. Door academische sterren aan zich te binden, kon een universiteit aan status winnen, en daarmee haar aanspraak op financiële middelen zoals donaties vergroten. Ronell kon zodoende in onweersproken vrijheid een stijl van doceren ontwikkelen met een soort poststructuralistische esthetiek van subversie en transgressie. In gewone taal: ze liet zich door haar promovendi overdreven vertroetelen. Wie weigerde, werd genadeloos gesaboteerd. Ze ging hierin extreem ver, laat de publicatie van de e-mails en berichtjes tussen Ronell en Reitman zien.

Deze analyse laat zien hoe #MeToo niet zozeer om seks en sekse, maar om macht gaat. Het probleem is machtsongelijkheid; in de discussies in de media wordt het woord ‘asymmetrie’ vaak gebruikt. Dat betekent dat we de #MeToo-problematiek in samenhang moeten zien met het kapitalisme en de rol die macht daarbinnen speelt. Zoals onder anderen Willem Schinkel recentelijk nog betoogde (‘Wat links nu te doen staat’, De Groene Amsterdammer, 14 maart 2018) is machtsongelijkheid geen vervelende bijwerking van kapitalisme, maar een fundamenteel onderdeel van dat systeem. Schinkel beschrijft hoe kapitaal profiteert van de opdeling van de populatie langs lijnen van bijvoorbeeld ras, etniciteit en sekse. Door ongelijkheid tussen en binnen deze groepen wordt arbeid goedkoop, of zelfs gratis: slavernij en de zorg voor het gezin zijn voorbeelden van onbetaalde arbeid. Exploitatie voedt zo niet alleen economische ongelijkheid, maar ook culturele. Volgens Schinkel is er dan ook geen verschil tussen racisme, seksisme en de onderdrukking van de arbeidersklasse, maar zijn deze een gevolg van hetzelfde principe. De onderdrukking van zwakkere groepen was uiteraard niet uniek voor het kapitalisme, maar is er dus wel intrinsiek mee verbonden. Decennia van neoliberaal beleid hebben de ongelijkheid vergroot en scherper in beeld gebracht.

Een kapitaalkritisch perspectief geeft mijns inziens een veel dieper inzicht in #MeToo dan het persoonlijke verhaal van een gevallen ster. Dat laatste is op zichzelf niet laakbaar, maar door Ghomeshi een podium te geven, herhaalt Buruma in feite het mechanisme van de celebritycultuur. Het is weer het verhaal van het beroemde individu dat op de voorgrond staat. Het verbaast daarom nauwelijks dat ‘Reflections from a Hashtag’ niet bevredigt als reflectie op de val van de man.

Himpathy 
In het interview met Slate benadrukt Buruma dat Ghomeshi door de rechter is vrijgesproken. Voor de hoofdredacteur maakt dat alles uit; hij zou een crimineel nooit om een bijdrage vragen. Daarin ziet hij juist de crux, dat voor de samenleving Ghomeshi desondanks een veroordeelde is. Voor Ghomeshi is geen rehabilitatie meer mogelijk, omdat we dankzij het internet nooit meer iets vergeten.

De rechtspraak krijgt in Buruma’s optiek veel gezag. Het oordeel van de rechter lijkt voor hem een objectieve maatstaf, die de schuldigen van de onschuldigen scheidt. De in mijn ogen onderbelichte vraag is echter of het westerse democratische rechtsbestel wel voldoende geoutilleerd is voor het (h)erkennen van en oordelen over seksueel grensoverschrijdend gedrag. In hoeverre is het recht in staat gerechtigheid te bieden aan slachtoffers van aanranding en andere vormen van seksuele vernedering en geweld?

De toepassing van het recht op het gebied van seksuele vergrijpen kent vele problemen. Allereerst worden de slachtoffers opgezadeld met een vaak onredelijke bewijslast. In het schemerige gebied tussen een helder ‘ja’ en een brute verkrachting zit van alles wat een DNAtest niet kan aantonen. In de meeste gevallen zijn er geen getuigen. Zoals een (vermeend) slachtoffer van de Nederlandse barokdirigent Pieter Jan Leusink van haar advocaat te horen kreeg: ‘Het is jouw woord tegen het zijne.’ Uit onderzoeken blijkt dan ook steevast dat slechts een zeer klein deel van de slachtoffers van seksueel geweld uiteindelijk aangifte doet.

Een terugkerend element in de verhalen van slachtoffers is dat zij niet geloofd worden: noch door justitie, noch door hun omgeving. De verantwoordelijkheid wordt omgedraaid: had je maar niet zo’n kort rokje aan moeten doen, had je maar hard ‘nee’ moeten schreeuwen in plaats van te bevriezen. Ook hier speelt het principe van de macht: degene met meer macht krijgt sympathie of het voordeel van de twijfel. In het feministisch discours heet dat himpathy, maar herpathy bestaat natuurlijk ook, getuige het geval van de vijftig academici die Ronell verdedigden.

Wanneer er wel aangifte wordt gedaan, is dat vaak opnieuw een traumatische ervaring. Er zijn verhalen over agenten die onbehoorlijke vragen stelden of herhaaldelijk doorvroegen, tot aan de pijnlijkste details. Een jong slachtoffer van verkrachting in de regio Limburg werd door zedenrechercheurs gevraagd om na te doen hoe ze dan had moeten pijpen, blijkt uit berichtgeving van de Volkskrant (4 augustus 2018). Het onvermogen van justitiële instellingen om in te spelen op de individuele behoeften van het slachtoffer is het tweede probleem. Afgelopen jaar was er plots de belofte aan slachtoffers te worden gehoord. Maar er lijkt alweer enige maatschappelijke verzadiging op te treden. Waar de eerste onthullingen onder de vlag van #MeToo leidden tot ontslagen en sociale uitsluiting, heeft een aantal recente aantijgingen weinig gevolgen gehad voor de beschuldigde. Dat was bijvoorbeeld het geval voor de dirigenten Daniele Gatti, inmiddels ex-maestro van het Koninklijk Concertgebouworkest, en Pieter Jan Leusink van het Bach Choir & Orchestra of the Netherlands. Gatti werd deze zomer door het KCO ontslagen na een intern onderzoek naar ongewenste intimiteiten, maar hij is alleen in Nederland niet meer welkom. In Duitsland wordt hij onthaald met staande ovaties. Leusink, oprichter en eigenaar van zijn orkest, verkoopt zijn concerten nog altijd uit. Tijdens een bezoek dat ik namens de Volkskrant bracht, vertelden toehoorders dat ze Leusink blijven steunen zolang hij niet gerechtelijk veroordeeld is. De media werden door velen gewantrouwd: alleen de rechter kan de waarheid achterhalen.

Restorative Justice
Feministisch icoon Germaine Greer oppert in haar boek On Rape (Bloomsbury 2018) de oplossing om verkrachting veel lager te bestraffen. Verkrachtingszaken eindigen zelden in een veroordeling, stelt ze, omdat er eindeloos gesteggeld wordt over de vraag of er wel of niet sprake was van consent. Niet elke verkrachting is een brute gewelddaad die sporen op het lichaam achterlaat; het is ook verkrachting wanneer een echtgenoot op zijn onwillige echtgenote kruipt. Het zijn juist deze minder evidente gevallen waarop het strafrecht niet toepasbaar is. In plaats van met bewijzen te komen, moeten slachtoffers daarom op hun woord geloofd kunnen worden, vindt Greer. Consent komt daarmee minder centraal te staan in het proces. Daar staat tegenover dat de overtreder slechts een taakstraf kan verwachten.

Greer pleit voor een aanpassing van het bestaande strafrecht. Maar er zijn ook meer radicale oplossingen denkbaar. In antikapitalistische, zelfgeorganiseerde en activistische gemeenschappen wordt al lange tijd met alternatieve vormen van rechtspraak geëxperimenteerd. Het succesvolste voorbeeld van een alternatief systeem is ‘Restorative Justice’. Dit systeem is een goed voorbeeld, omdat het effectief toepasbaar blijkt in grotere gemeenschappen. Onder andere in Rojava, de autonome Koerdische enclave in Syrië, is een variant hiervan ingevoerd. Zowel in de Verenigde Staten als in Europa wordt ‘RJ’ inmiddels ingezet als aanvulling op het strafrecht.

Het doel van RJ is niet het bestraffen van misdaad, maar de rehabilitatie van de overtreder en het herstel van het slachtoffer en de gemeenschap als geheel. Een vergrijp heeft namelijk niet alleen een mogelijk traumatische uitwerking op het slachtoffer. Het veroorzaakt angst en stress in de gehele gemeenschap, wat kan leiden tot een toename van (seksueel) geweld in de samenleving als geheel.

In traditioneel strafrecht ligt de verantwoordelijkheid voor het bewijzen van schuld bij de staat. De beklaagde is onschuldig tot het tegendeel bewezen is. Een RJ-proces begint met de bereidheid van de beklaagde om schuld te bekennen. Via bemiddeling tussen slachtoffer en beklaagde wordt geprobeerd een dialoog te openen. Dit is uiteraard niet altijd even makkelijk, maar omdat er geen penitentiaire straf tegenover staat, noch een strafblad, is de drempel tot bekennen aanzienlijk lager. De beklaagde is bij een bekentenis niet voor het leven getekend. Daar komt bij dat deze, door in gesprek te gaan met het slachtoffer, de aard en omvang van het vergrijp beter gaat inzien, wat de kans op herhaling verkleint. Centraal staan de behoeften van het slachtoffer, en dat betekent een individuele aanpak. Naast de bekentenis kan van de overtreder geëist worden dat hij of zij in therapie gaat, of naar een verslavingskliniek.

De data die over RJ zijn verzameld tonen spectaculaire resultaten: een afname van geweld en een verkleinde kans op recidive. Zoals de toepassing van RJ door ngo’s als Restorative Justice Council of Centre for Justice & Reconciliation toont, hoeft het systeem overigens geen vervanging te zijn van het traditionele strafrecht. Beide vormen kunnen goed naast elkaar bestaan. RJ is namelijk minder geschikt voor herhaaldelijke overtreders en voor zware misdaad.

Begin januari 2018 beschuldigde Megan Ganz, scenarioschrijver van de (inmiddels gestopte) sitcom Community, haar baas Dan Harmon van seksueel wangedrag. Harmon bood haar zijn verontschuldigingen aan. Een week later nam hij een aflevering op van zijn populaire podcast Harmontown en bekende alles tot in detail, zonder Ganz’ naam te noemen. Hij beschreef dat hij al jaren gek op haar was, hoe zijn flirterig gedrag naarder werd toen zij zijn aandacht niet beantwoordde. Hij werd vervelend, benaderde haar dronken of high, en vernederde haar. ‘En al die tijd schreef ik haar loonstrookjes uit,’ zegt hij, ‘en bepaalde ik of ze mocht blijven of niet.’

Op Twitter reageerde Ganz positief op de uitzending. Ze had niet verwacht dat Harmons gedetailleerde beschrijving voor haar zo’n opluchting zou betekenen, schreef ze. Ze was dus niet gek, het was echt gebeurd. ‘Het is ironisch dat de enige persoon die me daarin kon geruststellen, de persoon was die ik het nooit zou vragen.’ Ze schenkt hem vergiffenis, en zegt dat de zaak alleen overwonnen kan worden door dat in openbaarheid te doen. Dan Harmon is nu een van de weinige ge-#MeToo’de mannen die zijn reputatie heeft weten te redden. Het is dit principe, het tot in detail benoemen wat er is gebeurd (in plaats van het weg te moffelen zoals in het gewraakte NYRB-essay gebeurde), dat mannen en vrouwen die verwikkeld zijn in een #MeToo-affaire uitweg kan bieden. Zowel de slachtoffers als de daders.

Draaikolk 
Zoals #MeToo de rechtspraak met haar tekortkomingen confronteert, zo is ook de journalistiek het afgelopen jaar zichzelf tegengekomen, toont de affaire rond Buruma en Ghomeshi. We zullen bijvoorbeeld moeten erkennen dat journalistieke neutraliteit niet bestaat. Wanneer je, zoals Buruma poogde, een soort weegschaal van stemmen in balans probeert te brengen – ‘we hebben de beschuldigingen gehoord, nu de stem van beklaagde’ – ontstaat er geen evenwicht, maar een draaikolk. Wederhoor is noodzakelijk, maar misschien moet een medium wel altijd helder zijn over zijn eigen vertrekpunt. Die houding is niet alleen van belang bij #MeToo, maar ook wanneer een krant of tv-programma ruimte wil bieden aan een pro-Zwarte Piet-demonstrant of een altright- denker. De media maken deel uit van en hebben zelfs grote invloed op de verdeling van macht: er is geen ‘buitenaf’ of ‘objectiviteit’. Wie inzicht wil verkrijgen in de heersende verhoudingen en de bijbehorende maatschappelijke discussie wil voeren, kan dat dus alleen doen door ook de eigen machtspositie te onderzoeken. Pas dan kan een analyse over een onderwerp als #MeToo ook werkelijk iets opleveren.


Lees ons hele dossier over de affaire Ian Buruma hier.