Rob Hartmans aan Geerten Waling, 26 november 2018 (brief #19)

Rob Hartmans en Geerten Waling schrijven elkaar over Peter Hitchens’ Opstand tegen God, John Grays Seven Types of Atheism en Tim Cranes The Meaning of Belief: Religion from an Atheist’s Point of View. Waling: ‘Kenmerkend voor dat nieuwe atheïsme is de compromisloosheid: geen water bij de wijn, geen zalvende woorden om een dispuut over religieuze dogma’s te sussen, geen mantel der liefde om de onzin te bedekken die sommige gelovigen uitkramen.’ Hartmans: ‘Wie elke vorm van irrationalisme, massahysterie of politiek fanatisme “religieus” noemt, rekt het begrip ‘religie’ zover op dat het zijn betekenis verliest.’.


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Essay uit dNBg 2018#5

  

Beste Geerten,

De havenarbeider Eric Hoffer uit San Francisco, die tussen 1951 en 1983 elf politiek-filosofische boeken publiceerde, had geen hoge pet op van intellectuelen, omdat deze soort volgens hem ‘cannot operate at room temperature’. ([1]) Hier moest ik aan denken bij het lezen van het onlangs vertaalde boek van Peter Hitchens, Opstand tegen God. Niet dat ik alles wat hij schrijft onzin vind, want de ontdekking dat religieuze kunst ons nog best iets te zeggen heeft, komt me bekend voor, zoals ik samen met hem ook overtuigd ben van de waarde en het samenbindende karakter van tradities. Ook sympathiseer ik met zijn aanval op de felle atheïsten die altijd tekeergaan tegen het bloeddorstige karakter van monotheïstische religies, terwijl het een feit is dat het juist atheïstische bewegingen waren die de meeste slachtoffers hebben gemaakt. Terecht stelt Hitchens dat hun flauwe weerwoord, dat communisme en nazisme in feite ook een soort religies waren, geen hout snijdt.

Dat ik nogal moeite heb met het boek van Hitchens komt niet zozeer doordat dit laatste punt in The Meaning of Belief van Tim Crane veel beter wordt uitgewerkt, maar vooral door het feit dat hij zo’n opgewonden standje is. Dat was hij vroeger al, want in Opstand tegen God beschrijft hij hoe hij als vijftienjarige knaap publiekelijk zijn bijbel verbrandde en zich even later tot het trotskisme bekeerde, een variant van het communisme die absoluut niet minder bloeddorstig was dan het stalinisme. En nadat hij uit de kast was gekomen als conservatief, was hij daarin net zo radicaal als hij daarvoor als marxist was geweest. Zo schreef hij in 1999 een spengleriaanse klaagzang over de teloorgang van Groot-Brittannië, waarvan ik me herinner dat hij de buitengewoon gematigde Labour-politicus Roy Jenkins met Mao Zedong vergeleek, omdat beiden een ‘culturele revolutie’ hadden bewerkstelligd die hun land in het verderf stortte. ([2]) Jenkins had namelijk gepleit voor afschaffing van het verbod op homoseksuele handelingen, de stringente echtscheidingsbepalingen en de doodstraf. Vooral dat laatste was volgens Hitchens desastreus geweest: door het verdwijnen van ‘the shadow of the gallows’ was de Britse samenleving van haar ankers geslagen en dreef zij willoos in de richting van misdaad, chaos en bandeloosheid.

Ik vind het nogal lastig om zo’n auteur serieus te nemen, vooral als hij niet erg geneigd is tot zelfreflectie. Zo gaat hij in dit boek wel heel erg tekeer tegen extreem-links, maar zegt hij niets van enige relevantie over zijn eigen trotskisme. En als hij op blz. 108 en passant opmerkt dat hij enkele jaren geleden ‘nogal ontdaan [was] van een executie van een moordenaar in de gevangenis van Huntsville waarvan ik getuige was geweest’, verwacht ik toch eigenlijk een passage waarin hij nog even terugkomt op zijn eerdere pleidooi voor de doodstraf.

Dit boek is vooral een polemiek met zijn beroemdere broer Christopher, die in tegenstelling tot Peter wel een militante atheïst is gebleven. Maar terwijl ik het herontdekte godsgeloof van Peter nogal schreeuwerig vind, beschouw ik het atheïsme van Christopher vooral als kinderachtig. Bij die boeken van hem, maar ook die van Richard Dawkins, Sam Harris en ten onzent Paul Cliteur en Herman Philipse moet ik vaak denken aan wat T.S. Eliot schreef aan Bertrand Russell, toen de laatste Why I Am Not a Christian had gepubliceerd: ‘All the reasons you advance were familiar to me, I think, at the age of six or eight, and I confess that your pamphlet seems to me a piece of childish folly.’ ([3]) Ik was weliswaar wat ouder dan Eliot, maar de hoge toon waarop de zogenoemde ‘New Atheists’ verkondigen dat alle religie achterlijk, irrationeel en in beginsel bloeddorstig is, doet mij denken aan de puberale hoogmoed waarmee ik me rond mijn veertiende losmaakte van een christelijke opvoeding.

Dat er ook meer verstandige en interessante vormen van atheïsme zijn dan wat wordt beleden door bovengenoemde auteurs, zet John Gray uiteen in zijn Seven Types of Atheism. Maar omdat dit heel sterk een historisch overzicht is, wat ik bepaald niet het fort van de filosoof Gray vind, ([4]) wil ik eigenlijk vooral ingaan op het reeds genoemde boekje van Tim Crane. Ook Crane, een Cambridgefilosoof die tegenwoordig aan de Central European University in Boedapest (met dank aan Orbán binnenkort dus Wenen) doceert, gelooft niet in God of andere vormen van ‘het hogere’. Toch is hij van mening dat het buitengewoon kortzichtig is om louter in negatieve en denigrerende termen over godsdienst te spreken, zoals de New Atheists doen – al was het maar omdat ruim tachtig procent van de wereldbevolking zich als religieus beschouwt.

Ik was er al jaren van overtuigd dat atheïstische zeloten als Dawkins, (Christopher) Hitchens, Harris en Cliteur in feite geen idee hebben wat religie is, en Crane verwoordt mijn gut feeling op zeer lucide wijze. Terecht wijst hij erop dat deze auteurs ervan uitgaan dat religie vooral gaat over bepaalde ideeën over de kosmos, terwijl wetenschappelijk bewezen is dat al die opvattingen onzinnig zijn. Daarnaast hameren ze erop dat ook andere religieuze denkbeelden – bijvoorbeeld dat van een almachtige God – doorgaans intellectueel inconsistent zijn, zodat het in hun ogen een uitgemaakte zaak is dat religies ‘niet waar’ zijn.

Volgens Crane gaat het echter niet om de ‘waarheid’ van religies, maar vooral om wat ze voor de aanhangers ervan betekenen. Religies bestaan namelijk niet louter uit kosmologie en moraal, maar ze gaan ook over zingeving en over het verlangen ergens bij te horen. En verder kennen ze rituelen, zodat je niet alleen naar de theorie van een godsdienst moet kijken, maar ook naar de ‘doe-kant’ ervan. Evenals Peter Hitchens verzet Crane zich tegen de neiging van veel atheïsten om alles wat hun niet aanstaat – bijvoorbeeld de totalitaire bewegingen van de twintigste eeuw – uit te maken voor ‘religieus’, zodat ze het niet meer hoeven te hebben over het ongemakkelijke feit dat het moorddadige communisme rabiaat atheïstisch was en ook het nazisme op gespannen voet met het christendom stond.

Wie elke vorm van irrationalisme, massahysterie of politiek fanatisme ‘religieus’ noemt, rekt het begrip ‘religie’ zover op dat het zijn betekenis verliest. Essentieel voor een religie is wat Crane de ‘religieuze impuls’ noemt – het idee dat er een ongeziene, transcendente orde is en dat het de bedoeling is dat men in harmonie met die orde leeft – en ‘identificatie’. Met dat laatste bedoelt hij dat religies sociale instituties zijn, die structuur en richting geven aan een gemeenschap. Hierbij verwijst hij naar Durkheim, die hij in zijn eigen woorden samenvat: ‘one does not just believe in a religion, one belongs to it’ (blz. 11).

Nogmaals: net als ik is Crane niet-gelovig. Maar net als ik weigert hij iedereen die zich wel als religieus beschouwt af te doen als een achterlijke stumper, als iemand die nog niet is verlicht door de even heldere als eenduidige waarheid van ‘de wetenschap’ en dus blijft ronddolen in de duisternis van achterhaalde opvattingen, vooroordelen en hersenschimmen. Een dergelijke arrogantie lijkt immers verdacht veel op de hoogmoed van de religieuze fanaticus, die ook neerkijkt op iedereen die zich nog niet heeft bekeerd tot het ‘ware geloof’. Maar het zou me niet verbazen als jij het op dit punt niet met mij eens bent.

Met hartelijke groet,

Rob


Noten
 [1] Eric Hoffer, First Things, Last Things (New York, 1971), 53.
 [2] Peter Hitchens, The Abolition of Britain: From Lady Chatterley to Tony Blair (Londen, 1999). Rond de millenniumwisseling verschenen tal van boeken over het vermeende uiteenvallen van Groot-Brittannië. Samen met Gerard Bettinger besprak ik er in De Groene Amsterdammer een aantal, waaronder dat van Hitchens: www.groene.nl/artikel/ de-ondergang-der-britten.
 [3] The Letters of T.S. Eliot. Vol. 3: 1926-1927 (Londen, 2012), 568.
 [4] In Al Qaeda and What it Means to be Modern (Londen, 2003) schreef hij na een passage over Jan Hus (verbrand in 1415) dat ‘around the same time’ in Duitsland Thomas Münzer amok maakte, zodat ik daar in de vertaling maar ‘een eeuw later’ van maakte. Al-Qaida en de moderne tijd (Amsterdam, 2003), 28.


Lees het antwoord van Geerten Waling hier.

Lees de hele correspondentie tussen Rob Hartmans en Geerten Waling hier.