Tot Nederlander gemaakt worden: de urgentie van de neerlandistiek

Het aantal studenten dat zich jaarlijks aan een studie Nederlands waagt is teruggelopen, zelfs zo erg dat de studie aan sommige universiteiten op het punt van opheffing staat. En dat terwijl er in de huidige Nederlandse samenleving de nodige problemen spelen die juist door de neerlandistiek het hoofd geboden kunnen worden. In een reeks essays over de urgentie van de neerlandistiek identificeren verschillende specialisten die problemen en de koers die het vakgebied zou moeten varen om ze te adresseren. De discussie werd geopend door Frans-Willem Korsten en wordt nu vervolgd door Saskia Pieterse, docent Nederlands aan de Universiteit Utrecht. Zij stelt voor dat neerlandici het voortouw zullen nemen in sociologisch onderzoek naar de processen die iemand tot Nederlander maken.


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *

Essay uit dNBg 2019#1

Willem Schinkel, Imagined Societies: A Critique of Immigrant Integration in Western Europe (Cambridge University Press 2017), 277 blz.
Simone de Beauvoir, De tweede sekse: Feiten, mythen en geleefde werkelijkheid (Uitgeverij Bijleveld 2018), 887 blz.

De Nederlandse identiteit is een onuitputtelijk onderwerp voor maatschappelijk debat. Bestaat die identiteit wel, en zo ja, wat komen we dan tegen als we de doos openmaken waarop ‘typisch Nederlands’ staat geschreven? De dominee en de koopman? Of hoeft er maar naar die doos gewezen te worden om het onverwerkte trauma van het koloniale verleden en de daaropvolgende dekolonisatie er als een duveltje uit te laten springen? Of ligt de kern veeleer in gewoontes en gebruiken, zoals op een verjaardag in een kring zitten zodat iedereen elkaar kan zien – wat je het Hollandse gezelligheidspanopticum zou kunnen noemen?

Ondertussen is ook de vraag naar de toekomst van de Nederlandse taal in het middelbaar en hoger onderwijs, en in de slipstream daarvan de neerlandistiek als universitaire studie, onderdeel geworden van dergelijke zorgen over de toekomst van het land. Op de vraag hoe het verder moet met de studie Nederlands zijn al uiteenlopende antwoorden gegeven. Er waren de interventies van onder meer Gaston Franssen van de Universiteit van Amsterdam en Lotte Jensen van de Universiteit Nijmegen in de Volkskrant. [1] En van de Groningse hoogleraar Matthijs Sanders in NRC Handelsblad. [2] Hun stukken gingen in op de maatschappelijke waarde van de neerlandistiek. Als ik naar mijn directe Utrechtse collega’s van de afdeling moderne Nederlandse letterkunde kijk, dan denk ik aan het pleidooi dat Geert Buelens onlangs hield voor een vergelijkende neerlandistiek. [3] Hij pleitte voor een systematische bestudering van de diversiteit van de Nederlandse taal en cultuur: ‘Er is immers bovenal diversiteit – talige, poëticale, sociale, culturele & politieke diversiteit. En die hebben we natuurlijk deels wel bestudeerd (…) maar niet systematisch en, vooral, niet principieel genoeg.’ In het recentste nummer van het tijdschrift Ons Erfdeel komt weer een andere collega, Sven Vitse, tot de kernachtige diagnose dat de neerlandistiek klem zit in ‘twee goed in elkaar klikkende armen van een notenkraker’, te weten: ‘neoliberale globalisering en identitair nationalisme’.

Joep Leerssen, Encyclopedia of Romantic Nationalism in Europe (Amsterdam University Press 2018), 1490 blz.
Tamar de Waal, Conditional Belonging: A Legal-Philosophical Inquiry into Integration Requirements for Immigrants in Europe (Academisch proefschrift), 206 blz.

En dan is er deze reeks in De Nederlandse Boekengids, afgetrapt door literatuurwetenschapper Frans-Willem Korsten. Hij neemt een van de door Vitse benoemde klikkende armen onder de loep: die van de neoliberale globalisering. In Korstens diagnose is de neoliberale hegemonie inmiddels onontkoombaar uitgemond in een mondiale heerschappij van kleptocraten. Hij wijst op de noodzaak een effectief politiek antwoord te formuleren op die kleptocratie, en ziet daarbij voor het taalonderwijs een cruciale emancipatoire functie weggelegd. Goede taalbeheersing is een voorwaarde voor participatie aan de samenleving en dus nodig om uitsluitingsmechanismes te bevechten. Anders gezegd: zonder goed taalonderwijs geen democratische meerstemmigheid. In dat kader onderstreept Korsten het politieke belang van literatuur, een medium dat ruimte schept voor conflict, maar wel een productief conflict: het resulteert er niet in dat we elkaar naar het leven staan. Ik onderschrijf die taak van het taal- en literatuuronderwijs volledig en geloof met Korsten dat zo’n emancipatoir programma de enige goede politieke tegenreactie vormt op zowel de neoliberale globalisering als het identitair nationalisme.

Een discussie vol morele gevoeligheden
Niettemin vrees ik dat de neerlandistiek met deze nieuwe taakopvatting nog niet uit de penarie is. Ik zie serieuze obstakels. Zoals Vitse in zijn essay aankaart, is ‘de buffer van een breed, maatschappelijk verankerd sociaaldemocratisch cultuurideaal nog slechts residueel aanwezig’. De vraag is dus hoe we een toekomst bouwen op een emancipatoir cultuurideaal waarvan het anker inderdaad allang gelicht is. Heil zien in een terugkeer naar dat oude ideaal lijkt me naïef. Een radicale herformulering van het ideaal naar de eisen van onze eigen tijd is allicht vruchtbaarder, maar niet zomaar van de grond te tillen. In Korstens voorstel speelt het gedicht ‘Bediendepraatjies’ van Antjie Krog een heroïsche rol: literaire taal zou een nieuwe politieke ruimte kunnen laten ontstaan. Dat is een aanlokkelijk idee over de kracht van literatuur, maar zonder concrete institutionele inbedding van die behoorlijk complexe en studie vergende talige ervaring, zie ik nog niet in hoe literatuur dit allemaal voor elkaar kan krijgen. Kortom: de problemen zijn ten diepste politiek van aard en precies om die reden niet simpelweg met een pragmatisch toekomstprogramma te overwinnen. Maar wanhopig ben ik evenmin, omdat er ondertussen nog voldoende te wrikken valt aan die andere arm van Vitses notenkraker. In wat volgt wil ik daarom morrelen aan de kant van het identitair nationalisme.

Het beladen debat over de Nederlandse nationale identiteit verzandt in krantencolumns al snel in heilloze twistgesprekken over het bijvoeglijk naamwoord ‘nationaal’. De discussie cirkelt rondom de morele laakbaarheid of juist essentiële noodzaak van nationalisme en natiestaat, en versmalt zich, zeker in Nederland, al snel tot de vraag of je ‘voor’ of ‘tegen’ een van deze twee (of allebei tegelijk) bent. De hopeloze patstelling die het begrip identiteit veroorzaakt, komt voort uit haar complexiteit en nauwe verbondenheid met de notie van authenticiteit. Wie een identiteit voor zijn land claimt, wil uiteraard dat die identiteit oorspronkelijk en waarachtig is, voortgekomen uit een diepere en historisch gevormde laag, uit zoiets als een nationale ziel. En omdat er in Nederland nu eenmaal een diepgevoeld verband is tussen authenticiteit en moraliteit, is de ondertoon van de discussie over de Nederlandse identiteit die van een morele strijd.

Bij verdedigers van de Nederlandse identiteit leeft het idee dat onder druk van migratie en globalisering de nationale eigenheid bezig is te verdwijnen en dat er daarmee iets wezenlijks van het land wordt afgenomen, een vitale bron waar het land niet zonder kan. Kritiek op het identiteitsdenken valt in de context van die gepercipieerde malaise bijzonder slecht: in de turboretoriek van de cultuurstrijd heet het dan dat er een boosaardige kosmopolitische academische elite bestaat die op wuft-postmoderne wijze alles tot constructie verklaart, terwijl ondertussen de diepere culturele en mentale bronnen van het vaderland verder opdrogen. Zelf voelt deze elite zich allesbehalve wuft, en wijst ze bezorgd op de geschiedenis van het romantische identiteitsdenken en de uiterst dubieuze politieke karren waar dat denken zich voor heeft laten spannen. Maar ook die zorgen verraden, hoe je het wendt of keert, een door- en doormorele positie. Hoewel ik mezelf reken tot deze laatste groep, is mijn voornaamste vermoeden dat dit debat lucht nodig heeft, en vooral een analyse die niet meteen al die morele gevoeligheden oprakelt.

Socialisatieprocessen centraal
Lucht krijgt de discussie wellicht door een interventie analoog aan die van Simone de Beauvoir in het feminismedebat. Zij stelde niet de vraag naar de vrouwelijke identiteit (in de taal van haar tijd: de vraag naar het ‘wezen’ van de vrouw). De Beauvoir verlegde het debat van genderidentiteit naar gendersocialisatie. In De tweede sekse bracht ze de westerse geschiedenis van die socialisatie tot vrouw in kaart, met inachtneming van de belangrijke rol van klassenverschillen. Ze liet zien dat het ‘tot vrouw gemaakt worden’ altijd politieke en maatschappelijke doeleinden heeft gediend. Zo maakte ze bovendien de weg vrij voor de politieke vraag of er ook andere socialisatievormen denkbaar en realiseerbaar zouden zijn, die niet leiden tot een herbevestiging van de onderdrukking van de vrouw.

Vrij naar De Beauvoir zou je kunnen stellen dat je niet als Nederlander geboren wordt, maar tot Nederlander wordt gemaakt. De vraag naar de inhoud van die socialisatie – uit welke elementen ze is opgebouwd, welke instituties eraan deelnemen en welke belangen ermee gemoeid zijn – is een maatschappelijke en geen morele kwestie. Deze vraag opent bovendien direct de ruimte voor onderzoek naar dwarsverbanden met andere socialisatieprocessen. ‘Tot Nederlander gemaakt worden’ interfereert met het je eigen maken van de gebruiken en opvattingen in een regionale gemeenschap, in een religieuze gemeenschap, gesocialiseerd worden in een bepaalde sociale klasse, al dan niet als ‘allochtoon’ gezien worden, enzovoort. Anders dan een identiteit, die slechts of gedeconstrueerd of bevestigd kan worden, laat de onderkenning van zoiets als een socialisatieproces op nationaal niveau veel ruimte open voor meervoudigheid, voor varianten en verschillen. Ook, overigens, op het niveau van het individu: de een kan zo’n socialisatieproces volledig internaliseren, terwijl de ander er om allerlei redenen ergens halverwege in kan blijven steken.

Hiermee wil ik echter niet betogen dat het onderzoek naar nationale zelfbeelden, nationaal denken en nationale identiteit niet zinvol zou zijn. Integendeel. Zoals het cruciale werk van hoogleraar moderne Europese letteren Joep Leerssen laat zien, is het nationale denken een belangrijke kracht in de Europese cultuurgeschiedenis, een denktraditie die bovendien een breed scala aan nationale stereotypes heeft opgeleverd. Leerssen heeft dat op onnavolgbare wijze in kaart weten te brengen in zijn tweedelige Encyclopedia of Romantic Nationalism in Europe. Identiteitsdenken mag onvruchtbaar zijn in het huidige debat, het is er nu eenmaal, en laat zich als zodanig ook onderzoeken. Maar dat wil niet zeggen dat het analytische werk van Leerssen zou niet goed verrijkt kan worden met een analyse die niet de vraag stelt hoe er gedacht wordt over identiteit, maar die kijkt hoe identiteitsvorming als sociale praktijk werkt.

Wat zou de rol van de neerlandistiek hierin zijn? Dat taal en literatuur onderdeel zijn van het proces van ‘tot Nederlander gemaakt worden’, is evident. Het opent de vraag naar bijvoorbeeld de ideeën over, en de uitvoering van, Nederlandse taalpolitiek in heden en verleden. Hoe zag taalpolitiek er in de koloniën uit, welke politieke doelen werden ermee gediend, en hoe contrasteerde dat met taalpolitiek in Nederland zelf? De literaire canon – ook al zo’n heet hangijzer in het identiteitsdebat – zou niet langer opgevat hoeven worden als of een steunpilaar van de nationale identiteit, of als een te deconstrueren verzameling werken die op problematische wijze een coherente eenheid suggereert en vooral veel buitensluit. Literatuuronderwijs zou geanalyseerd kunnen worden als een socialisatieproces, waarin ook hier de effecten weer sterk kunnen verschillen per klasse, gender, enzovoort.

Het is bijvoorbeeld opvallend dat er landelijke canon-paniek uitbrak toen Christiaan Weijts een column schreef waarin hij ervoor pleitte dat gymnasiumleerlingen niet langer Max Havelaar hoeven te lezen. [4] Bij De Wereld Draait Door kreeg Herman Pleij een open doekje nadat hij het belang van die roman had onderstreept. Ondertussen krijgen leerlingen op het vmbo en de havo al jarenlang nauwelijks substantieel literatuuronderwijs, laat staan dat ze te maken krijgen met Max Havelaar. Blijkbaar spreken we heel gemakkelijk over de canon als iets van nationaal belang, terwijl slechts een bovenlaag van de samenleving ermee vertrouwd raakt. De zorg kan ook over iets anders gaan: dat er met Multatuli een heel specifiek soort, moreel opgeladen Nederlanderschap verloren zou gaan, een idee over Nederlanderschap dat erkent dat alleen de bovenlaag van de Nederlandse samenleving gesocialiseerd wordt. Ik moet hier denken aan Femke Halsema, die in 2007 in NRC Handelsblad nadrukkelijk een door pragmatiek getemperd moralisme en Max Havelaar aan elkaar knoopte:

Droogstoppel (…) en assistent-resident Havelaar (…) zijn de twee archetypische zielen in de Nederlandse borst. Materialistisch en gericht op het eigen gewin, maar ook moralistisch, idealistisch en doordrongen van de noodzaak om collectief onrecht te bestrijden. Meer dan welk geforceerd naturalisatieritueel ook, vormt het niet-aflatende conflict tussen deze twee zielen de kern van de Nederlandse identiteit. [5]

Of denk aan koning Willem-Alexander, die in zijn televisie-interview met Wilfried de Jong eerst nadrukkelijk liet weten bevriend te zijn geweest met Nelson Mandela, om vervolgens te vertellen hoe hij na weerzin als scholier later in één nacht de gehele Max Havelaar had uitgelezen – wie doet het de koning na? Interessant is dat een boek, dat duidelijk gecodeerd is als behorend tot het repertoire van de bestuurlijke elite, tegelijkertijd in een publieksprogramma als DWDD wordt opgevoerd als een ‘nationaal’ product, behorend tot ons aller erfgoed. Door te analyseren hoe dat komt, lukt het wellicht om de plaats van het moralisme zelf inzichtelijk te krijgen, in plaats van ervan uit te vertrekken.

De (on)zichtbaarheid van socialisatie
Hoe zichtbaar of onzichtbaar socialisatieprocessen zijn, hangt er sterk van af hoe ver ze staan van de geïmpliceerde norm. Het is niet toevallig dat De Beauvoir zich over vrouwen en niet over mannen boog. Vrouwen hadden een gemarginaliseerde positie en waren daarom zichtbaar als een hoegenaamd ‘problematische’ categorie (de vrouw als een probleem om het filosofische hoofd over te breken). Het heeft veel langer geduurd voordat wetenschappers de vraag gingen stellen hoe je tot man gesocialiseerd wordt. Vrouwen hadden een sekse, mannen waren de neutrale norm. In recente onderzoeken naar de socialisatie die iemand tot man maakt, wordt die schijnbare neutraliteit dan ook meegenomen in de analyse: welke mannen hebben onder welke condities toegang tot die schijnbaar neutrale positie, en welke niet?

Over het Nederlanderschap valt iets soortgelijks te zeggen. Voor immigranten ligt er een heel expliciet socialisatieprogramma tot Nederlander klaar, een proces dat dan ‘integratie’ wordt genoemd. In die context zijn ideeën over Nederlanderschap plotsklaps heel zichtbaar. Socioloog Willem Schinkel heeft geanalyseerd hoe er in het discours over integratie een beeld van de Nederlandse samenleving wordt gecreëerd als inherent zuiver en probleemloos. Een soortgelijke kritische inzet heeft de dissertatie van rechtsfilosoof Tamar de Waal, die liet zien hoe juist identiteitsvragen rondom inburgering (‘Wie hoort hier?’) een sterk contraproductief effect hebben. Guno Jones analyseert hoe hedendaagse debatten over integratie teruggaan op politieke burgerschapsopvattingen uit de koloniale tijd. [6] Dergelijke onderzoeken, die zich richten op de discursieve en politieke creatie van een grens tussen binnen- en buitenstaanders, zouden aangevuld kunnen worden met onderzoek naar mensen die zich in het centrum van die Nederlandse samenleving bevinden, naar hen die zogezegd maximaal vrijgesteld van integratie zijn.

Analoog aan gendersocialisatie, zou je kunnen vermoeden dat de mensen die dit socialisatieproces het sterkst hebben geïnternaliseerd niet zozeer diegenen zijn die zich zorgen maken over de teloorgang van de Nederlandse identiteit, maar diegenen voor wie dat proces de status van vanzelfsprekendheid en neutraliteit heeft gekregen. Mijn hypothese is dat de interessantste groep misschien wel bestaat uit hoger opgeleiden die in de overtuiging leven dat Nederlanders niet geneigd zijn tot nationalisme, die Nederland beschouwen als de bakermat van een gematigde redelijkheid, een land waar pragmatisme (vgl. de koopman van Halsema) steevast verkozen wordt boven ideologische strijd. En als de blik niet alleen gericht is op mensen die zich aan de rand van het maatschappelijke machtsveld bevinden, maar ook op de mensen in het centrum, dan zou je dezelfde denkoefening kunnen doen voor het literaire en talige systeem: waar zitten de vanzelfsprekendheden en waar de zichtbare verschillen?

Overigens wil ik hier beslist niet suggereren dat dergelijke denkoefeningen een overkoepelend onderzoeksprogramma voor de gehele neerlandistiek opleveren. Voor lang niet iedereen is aandacht voor socialisatieprocessen en nationalisme relevant – zo bestuderen collega’s die zich richten op Middelnederlandse letterkunde bijvoorbeeld een tijdvak waarin van nationaal denken nog geen sprake is. En lang niet alle vragen over literatuur zijn vragen die raken aan deze kwesties. Ik wil daarom geen pleidooi houden voor een neerlandistiek die heel of half op zou gaan in de sociologie. Wat allicht wel voor iedereen in de neerlandistiek relevant kan zijn: het sociologisch perspectief opent ruimte voor een metaneerlandistiek, die structureel haar eigen rol in de maatschappij kan onderzoeken. Want de neerlandistiek is niet alleen een plaats waar het proces van het ‘tot Nederlander gemaakt worden’ onderzocht kan worden; zij neemt zelf actief deel aan dergelijke socialisatieprocessen, omdat neerlandici onderwijzers opleiden, helpen taalonderwijs te vormen, in canoncommissies plaatsnemen, taalpolitiek bedrijven, enzovoort. Op naar een metaneerlandistiek dus, die zich minder zorgen maakt over wat de identiteit van de studie zou moeten zijn, maar veel meer maatschappelijk kan en wil denken over haar eigen toekomst.


Noten
 [1] Te lezen via https://www.volkskrant.nl/columns-opinie/neerlandici-zijn-epische-taalbazen/ en https://www.volkskrant.nl/columns-opinie/schuif-de-nederlandse-taal-niet-zomaar-terzijde.
 [2] Te lezen via https://www.nrc.nl/nieuws/2018/10/17/nederlands-is-een-avontuur.
 [3] Het betoog is gepubliceerd op Platform Leest: https://www.platformleest.org/lezing/naar-een-vergelijkende-neerlandistiek/.
 [4] Te lezen via https://www.nrc.nl/nieuws/2016/01/18/die-boekenlijst-is-misdadig-fuck-de-canon.
 [5] Te lezen via https://www.nrc.nl/nieuws/2007/02/27/geweten-van-de-natie.
 [6] Te lezen via https://www.tandfonline.com/doi/full/10.1080/07256868.2016.1235025.