‘Stories are great!’, of: de eeuwige ontdekking van Rome

In discussies over toerisme wordt vaak een onderscheid gemaakt tussen de reiziger, die andere plekken op de wereld bezoekt ter lering, en de consumptietoerist, die dat louter doet ter vermaak. Historicus Aimée Plukker neemt, naar aanleiding van een aantal recente boeken over Rome, het toerisme naar de stad door de eeuwen heen onder de loep, en laat zien dat educatief en zuiptoerisme altijd al verweven waren.


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Nathasja van Luijn, Mark Oldenhave, Christoph Pieper (red.) De vereeuwigde stad. Een literaire reisgids door het antieke Rome (AUP 2018), 192 blz.
Maarten Asscher, De ontdekking van Rome (Athenaeum 2018), 48 blz.
Arthur Weststeijn, Nederlanders in Rome (Prometheus 2017), 224 blz.

‘Stories are great!’, roept de Amerikaanse naast me tegen de medewerker van de hop-on-hop-off-bus in Rome. Dit als antwoord op de vraag of ze behoefte heeft aan meer verhalen – naast de onophoudelijke stroom aan informatie die we al krijgen via onze oortelefoontjes, afgewisseld met Italiaanse accordeonhitjes en fragmenten uit Verdi’s ‘La donna è mobile’, ook bekend uit de opera Rigoletto of een zekere diepvriespizzareclame. Het is juni, snikheet op het dak van de hop-on-hop-off en ik vraag me af welke, en vooral hoeveel stories er nog voorbij gaan komen in deze busrit door de Eeuwige Stad.

Het begon eigenlijk als een grap, deze hop-on-hop-off-operatie. Om even te ontsnappen aan erudiete collegae en de vele intellectuele discussies tijdens een masterclass aan het Koninklijk Nederlands Instituut Rome, besloot ik met een andere deelnemer een middagje ‘ordinaire toeristen’ te observeren en voor een opdracht een ‘ander’ Rome te bekijken. Het entertainende Rome, het Rome van de massatoerist, de zuiptoerist, de overtourist, zo u wilt. Als Rome-enthousiasteling en historicus stond ik hier natuurlijk ver boven, mezelf beschouwend als kenner, of desnoods als reiziger – de toerist, dat was de ander. Na een selfie met de kaartverkoper die ons verleidde met de woorden: ‘Gladiator! History! Fights! Thousand people cheer!’, stapten we jolig en toch enigszins beschroomd in de bus, onszelf voorhoudend dat de rit gerechtvaardigd werd door onze wetenschappelijke intenties.

Mijn wat arrogante houding tegenover de Rome-toerist is typisch voor het actuele toerismedebat, of dat nu gaat over de eeuwige stad of Amsterdam. De toerist is een vijand, die dankzij goedkope vliegtickets een hapklare stedentrip consumeert en vervolgens zonder enige vorm van verheffing huiswaarts keert. En zij, de toeristen en de gehele toerisme-industrie, zijn kilometers verwijderd van ons, bewoners en meer ‘bewuste’ reizigers. Maar zo eenvoudig ligt het natuurlijk niet, zoals ook ik me na de tour realiseerde. De toerist is een gelaagd en ambigu fenomeen, zeker in historisch perspectief. De mate waarin juist Rome de verschillende vormen en facetten van toerisme verenigt, maakt de stad dan ook bij uitstek geschikt om een nieuw licht op het huidige toerismedebat te werpen.

Het imaginaire Rome
De populariteit van Rome als toeristische bestemming is al eeuwen ongeëvenaard. Geen andere stad is zo vaak door haar bezoekers beschreven, met als meest tot de verbeelding sprekende voorbeeld de welgestelde jongemannen die aan het begin van de zeventiende eeuw een ‘Grand Tour’ ondernamen. Grand Tourders als Goethe lieten niet alleen hun sporen na in de stad zelf, maar droegen met hun beschrijvingen ook bij aan het ontstaan van een imaginair Rome. Dat Rome sprak dusdanig tot de verbeelding dat de stad een belangrijke bestemming werd voor zowel religieuze als seculiere bedevaart. Deze dynamiek van steeds herontdekken en beschrijven voedt de aantrekkingskracht van Rome tot op de dag van vandaag. Als André Aciman in de roman Call Me By Your Name (2007) Oliver en Elio tijdens een fantastische avond het beroemde Caffè Sant’Eustachio (de plek waar volgens alle contemporaine reisgidsen nog steeds de beste ‘authentieke’ koffie van de stad wordt geschonken) laat aandoen, draagt hij daarmee een zoveelste steen bij aan het topos van Rome als romantische stad.

De kracht van Rome als imaginaire stad en populaire reisbestemming maakt dat geen enkele ontdekker van Rome niet (impliciet) verwijst naar een voorganger, zoals ook een van de beroemdste Rome-citaten illustreert: ‘While stands the Coliseum, Rome shall stand/ When falls the Coliseum, Rome shall fall; And when Rome falls – the World.’ Weliswaar kennen we het vooral uit Lord Byrons Childe Harold’s Pilgrimage (1812), maar Byron nam de woorden letterlijk over uit handschriften die zijn toegeschreven aan de Engelse monnik Beda Venerabilis (begin achtste eeuw). En dan is Byron nog een vroeg voorbeeld van de verwevenheid van de blik van Rome-reizigers met die van hun voorgangers. Zoals filosoof Ruud Welten het mooi omschrijft in Het ware leven is elders (2013): ‘de collectiviteit van de moderne toeristische blik gaat altijd al vooraf aan de individuele blik’.

Enkele recente Nederlandse publicaties hebben precies die verwevenheid van blikken op Rome als thema. De afgelopen tijd verschenen naast de (antieke) literaire reisgids De vereeuwigde stad ook De ontdekking van Rome van Maarten Asscher en Nederlanders in Rome van Arthur Weststeijn. Juist omdat de auteurs van de boeken zich zo duidelijk verhouden tot verschillende Rome-reistradities, van de intellectuele reistraditie tot de zuiptoerismetraditie, illustreren ze op hun beurt hoe verweven en niet-onderscheidbaar die tradities ook onderling weer zijn.

Het ‘intellectuele’ Rome-bezoek?
De ontdekking van Rome, de tekst van de Homeruslezing waarmee Maarten Asscher de Week van de Klassieken in 2018 opende, plaatst zich als persoonlijke ontdekking van Rome duidelijk in de ‘intellectuele’ reistraditie van de Grand Tourders. Asscher volgt eerst drie beroemde Romereizigers, Montaigne, Goethe en Freud – en vraagt zich vervolgens af wat de stad Rome hemzelf heeft geleerd, daarbij terugblikkend op zijn eerste kennismaking met de stad. Steeds benadrukt hij dat kennis opdoen de belangrijkste drijfveer is achter een Romereis: Rome ontdekken is ‘het langzaam uit elkaar proberen te trekken van al die aangeslibde tijdlagen’ en Latijn is ‘een levende sleutel om de talloze deuren naar ons eigen Europese culturele verleden te openen’. Lopend door Rome kun je volgens de auteur onderwijs en kennis ‘inductief’ toepassen, want interpretatie van geschiedenis en kunstgeschiedenis is noodzakelijk om de achtergrond en esthetiek van alle pauselijke paleizen, kerken en andere monumenten te begrijpen.

Asscher schaart zich grotendeels achter de opvattingen van Goethe, die hij ook benoemt in zijn boek. Zo zag de Duitser ‘Rome als ontdekking van de waarde van aanschouwelijke kennis’ en beschouwde hij de dag dat hij Rome betrad als een tweede geboorte. Asschers eigen conclusie is vergelijkbaar: ‘Eerst Rome zien en dan leven.’ In de ogen van Asscher is de reiziger naar Rome iemand die lessen wil trekken uit de eeuwige stad en zijn of haar in de schoolbanken opgedane kennis met eigen ogen te verifiëren, om zo zichzelf, de stad, en dus de wereld beter te leren kennen. Hiermee plaatst Asscher zich duidelijk in de traditie waarin Rome een uitzonderlijke positie krijgt toegedicht, als Caput Mundi, de hoofdstad van de wereld, vaak onder verwijzing naar de vele historische monumenten die duiden op de eeuwigheidswaarde van de stad en haar rol in de ontwikkeling van de ‘Westerse beschaving’.

Hoewel de mythe van Rome als, in de woorden van Italië-professor Peter Bondanella, ‘fundamental psychical entity for Western civilization’ oude wortels heeft, toonde historicus Kenneth J. Pratt in een essay uit 1965 dat het bijbehorende idee van Rome als eeuwige stad met name in de negentiende eeuw pas werd gecultiveerd – mede dankzij de interesse van romantische schrijvers voor de klassieke oudheid. Uit hun nadruk op de eeuwigheid van Rome sprak vooral een enorme bewondering voor het feit dat zoveel visuele en historische elementen van de stad de tand des tijd hadden doorstaan.

Dat Rome een eeuwigheidswaarde zou hebben als bakermat van de ‘Westerse beschaving’ is dus niet zozeer een natuurlijk gegeven als wel een ‘uitvinding’ van negentiende-eeuwse romantici. Vandaar ook dat Rome in de loop der tijd door heel uiteenlopende partijen als bakermat kon worden geclaimd. Ten tijde van Mussolini werd het eeuwige Rome voorgesteld als de belichaming van het fascisme en dus tegelijkertijd als stad van de toekomst. Maar ook de Amerikanen van vlak na de Tweede Wereldoorlog beschouwden Rome als geboorteplaats van hun culturele en politieke tradities. Zij combineerden de mythe van het eeuwige Rome met het idee van de ‘Oude Wereld’: Europa als eenheid en plek waar de culturele erfenis van de Amerikanen werd gewaarborgd. Daarmee gaven ze vorm aan een nieuw idee van ‘Westerse civilisatie’. Zoals Pratt concludeert in zijn essay, impliceert het idee van het eeuwige Rome een (uiteindelijk niet bepaald exclusieve) exclusiviteitsclaim, die levend wordt gehouden door de vele bezoekers en vreemdelingen ‘who sense or know the cultural and human wealth of the city’.

De traditie waartoe de intellectuele Rome-reiziger zich verhoudt, doet dus een beroep op de rol van de stad als plaats waarin onze enige echte beschaving wortelt, waardoor de intellectuele reiziger voor zichzelf ook de status van ‘enige echte’ Rome-toerist claimt – maar tegelijkertijd is de traditie nogal veelvormig en is er dus weinig ‘enigs’ of ‘echts’ aan. Bovendien: wat zijn de gevolgen van deze exclusiviteitsclaim en voor wie is het unieke en eeuwige Rome toegankelijk? Na het lezen van Asschers betoog bleef ik vooral zitten met de vraag: wat als je Rome bezoekt met een zekere interesse in haar geschiedenis, maar zonder het Latijn (of Grieks) te beheersen en te beschikken over een encyclopedisch geheugen aan kennis van (kunst)geschiedenis voor duiding?

De vereeuwigde stad biedt soelaas als reisgids voor geïnteresseerden in het antieke Rome. Centraal staan literaire beschrijvingen, met vertaling, van twintig bekende Romeinse locaties en het boekje geeft zo inzicht in ‘de wijze waarop literatuur het klassieke Rome voor de eeuwigheid bewaart’. Zo wordt de lezer door de beschrijvingen van Sallustius meegenomen naar de Mamertijnse gevangenis vlakbij het Forum Romanum: ‘door de verwaarlozing, de duisternis en de stank ziet het er lelijk en onheilspellend uit’, zegt de auteur en op een nog altijd te bewonderen inscriptie die verwijst naar een opknapbeurt van de gevangenis in de eerste eeuw na Christus. Het antieke Rome komt zo tot leven door literaire passages, afgewisseld met extra wetenswaardigheden en een bijbehorende website.

Maar hoe veelvormig en omvangrijk het intellectuele Rome-reizen ook is, een groot deel van Rome blijft voor elke intellectuele reiziger hoe dan ook volstrekt verborgen. Terecht wordt in het nawoord bij De vereeuwigde stad gewezen op het andere gezicht van het antieke Rome: je zou haast het leven aan de onderkant van de Romeinse samenleving vergeten, waar nauwelijks naar wordt verwezen in literaire beschrijvingen van Rome. Dit geldt overigens ook voor veel moderne beschrijvingen van de stad, met name van niet-Italianen. Men zou zich kunnen afvragen in hoeverre de claim dat de intellectuele reiziger kennis zou vergaren van Rome en daardoor een beter mens wordt in dit licht eigenlijk standhoudt.

‘Zuiptoerisme’ en consumentisme?
Ook het ‘niet-intellectuele’ Rome-toerisme kent een lange traditie. In Nederlanders in Rome komen een boel reizigers naar Rome voorbij die niet per se het opdoen van kennis als doel hadden. Zoals de titel al doet vermoeden, verwijst Arthur Weststeijn naar indrukken van Nederlandse Romegangers. Zo komt het vermakelijke Wandelingen door Rome (1957) van Godfried Bomans aan bod en het werk van Louis Couperus, die vaak in Rome verbleef. Rome was onder meer de plek waar Couperus’ roman Langs lijnen van geleidelijkheid (1900) zich afspeelt, dat op zijn beurt weer een rode draad vormt in verschillende beschrijvingen van de vele latere Nederlanders in Rome. Terecht stelt Weststeijn aan het begin van zijn boek dat Rome zich niet snel gewonnen geeft, want ondanks alle lofzangen op Rome, is het ook een haast ongrijpbare en chaotische stad, waar verschillende periodes van de geschiedenis dwars door elkaar lopen, ook voor de brave gymnasiast met kennis van het Latijn. De auteur waarschuwt de lezer terecht voor de teleurstelling die Rome kan veroorzaken bij een eerste kennismaking.

Het schoolvoorbeeld van het historisch zuiptoerisme zijn de ‘Bentvueghels’, een vereniging van Nederlandse schilders die elkaar kenden uit de buurt rondom de Spaanse Trappen. Vanaf ongeveer 1620 kwamen de leden van deze bloeiende vereniging samen, voornamelijk om zich te buiten te gaan aan drankgelagen en verkleedpartijen, waarbij ze ongetwijfeld ook overlast veroorzaakten. Als de herbergen gesloten waren, trokken ze naar de Santa Costanza, een kerk buiten de stad, waarvan ze dachten dat het een tombe gewijd aan Bacchus was, misleid door de mozaïeken in de kerk met wijntaferelen. Weststeijn wijst de lezer erop dat de namen van de Bentvueghels nog steeds te zien zijn in het pleister van de kerk – tevens een goede tip voor een kleine historische sensatie als je op pad bent met je eigen Bentvueghels.

De Brabantse priester Wouter Lutkie ging naar Rome met als doel zijn grote idool te ontmoeten: Mussolini. Lutkie bracht enkele portretten mee van de Duce gemaakt door de Nederlandse schilder Jan Toorop en mocht nog vaak terugkomen. Lutkie is lang niet de enige in de bonte verzameling Nederlanders in Rome die de stad aandeed om minder verheven redenen. Weststeijn schotelt de lezer een rijk palet aan ervaringen en ontdekkingen van Rome voor; van zeer bekende tot relatief onbekende Nederlanders, gerangschikt op verschillende thema’s zoals geloof, verleiding en macht. De ‘niet-intellectuele’ toerist blijkt een stuk veelzijdiger dan het huidige toerismedebat vaak suggereert.

Om de hedendaagse toerist beter te begrijpen, moeten we stilstaan bij de wortels van het beginnende consumptietoerisme in Rome, zoals dat verbeeld wordt door de film Roman Holiday (1953). In de film maken we kennis met prinses Ann (Audrey Hepburn) die voor een dag haar verplichtingen ontduikt en door de Amerikaanse journalist Joe Bradley (Gregory Peck) als toerist door Rome wordt geleid. De film toont een heteronormatief, romantisch en ongedwongen avontuur met Rome als achtergrond. Roman Holiday was niet alleen een populaire film in de jaren ’50; de iconische beelden uit de film zijn nog steeds van invloed op de toeristische ervaring van de stad. In een van de beroemdste scènes uit de film rijden Joe en Ann samen op een Vespa langs het Colosseum, het theater van Marcellus, en eindigen ze bij de ‘Mond van de Waarheid’, waar Joe de prinses wijsmaakt dat wanneer ze haar hand in de mond steekt en liegt, die zal worden afgebeten.

In Roman Holiday zijn entertainment, ontspanning en consumentisme centrale onderdelen van de toeristische ervaring: dansen op een boot op de Tiber, schoenen kopen op de markt, een ijsje eten op de Spaanse trappen – de toeristische ervaring van Rome is er in Roman Holiday overduidelijk een die op consumptie is gericht. Rome wordt in de film ook buiten de verhaallijn gepromoot als toeristische bestemming. Zo spreken alle Romeinen met wie prinses Ann praat goed Engels en licht geen enkele Romeinse verkoper Ann op als blijkt dat ze de Italiaanse munteenheid niet goed begrijpt. De overblijfselen uit de klassieke oudheid en de traditionele toeristische hoogtepunten van Rome verschijnen vooral als achtergronddecor van een romantisch avontuur. Zo worden met name de esthetische kwaliteiten van Rome benadrukt en het Romeinse erfgoed vooral weergegeven als amuserende ervaring, zoals in de scene met de ‘Mond van de Waarheid’. Want uiteraard is de anekdote over het afbijten van handen fictief en deed de Mond eeuwen geleden waarschijnlijk dienst als putdeksel.

De opkomst van consumptie en entertainment als centrale onderdelen van de ontdekking van Rome is vooral te danken aan de Amerikaanse invloed na de Tweede Wereldoorlog. Als onderdeel van het Marshall Plan (1948-1952) werd Amerikaans toerisme naar Europa gestimuleerd, niet in het minst vanwege de vele dollars die de Amerikaanse toeristen met zich meebrachten. De ‘moderne Amerikaanse’ toerist verschilde echter in vele opzichten van de ‘intellectuele Europese’. Een Amerikaanse zakenman schreef bijvoorbeeld in 1949 dat de moderne toerist helemaal geen tijd of zin meer had om alle musea en oude kerken te bezoeken. Nee, hij was vooral op zoek naar ‘relaxation and entertainment’.

Aan de toerismepromotie uit deze periode is terug te zien hoe de ‘intellectuele’ traditie van reizen naar Rome zich begon te mengen met de specifiek naoorlogse toeristische ervaring van consumptie en entertainment. Nu werden ook Italiaanse producten als kleding en de Vespa gepromoot, veelal door ze af te beelden met bekende acteurs – tevens een verwijzing naar de hoogtijdagen van Rome als ‘Hollywood aan de Tiber’. De opkomst van de naoorlogse toerisme-industrie vanuit Amerika had echter niet alleen een economische maar ook een duidelijke politieke lading. In de context van de Koude Oorlog werd Rome door de Amerikanen toegeëigend als belangrijkste centrum van de naoorlogse ‘Westerse civilisatie’. De Amerikanen beschouwden zichzelf als zorgdragers van de Europese cultuur. Ook hun toerismebeleid was gericht op de verspreiding van Amerikaanse ideeën over consumptie, modernisering en democratie.

De Amerikaanse toerist nam de stad over, maar het was uiteindelijk vooral de naoorlogse toerisme-industrie erachter die van invloed bleek op de beeldvorming over Rome. In deze beeldvorming was de toerist geen Grand Tourder meer, geen intellectuele reiziger, maar een consument, uit op entertainment. Denk bijvoorbeeld aan het Rome van La dolce vita (1960), waarin, grappig genoeg, veel Amerikanen het verval van Rome zagen, terwijl de film juist bedoeld was als kritiek op de Amerikaanse invloed in Rome.

Transformatie als gemene deler
Maar wie veronderstelt dat alleen de intellectuele Rome-reiziger op een levensveranderende ervaring uit is, heeft het mis. In Roman Holiday zorgen de toeristische ervaringen er niet alleen voor dat prinses Ann letterlijk haar uiterlijk verandert; ze leiden er ook toe dat ze verliefd wordt op Joe. Transformatie dankzij de consumentistische toeristische ervaring in de stad is een centraal thema in Roman Holiday. Het is dan ook een kernaspect van (modern) toerisme, zoals antropoloog Orvar Löfgren in On Holiday (1999) schrijft is toerisme een van de belangrijkste praktijken waarin individuen zinnelijke ervaringen opdoen en cultiveren. Auteurs als Asscher, die de intellectuele reiservaring beschrijven, stellen hun reis voor als informele ‘rite de passage’. De praktijk van het reizen is in die voorstelling een uitvoeren van specifieke rituelen die de individuele of collectieve sociale status transformeren.

Ziehier de overeenkomst tussen de verschillende ontdekkingen en toeristische ervaringen van Rome: in alle ontdekkingen staat een zekere transformatie door wisselwerking met de stad centraal. Wel is de invulling van deze wisselwerking de afgelopen tweeduizend jaar aan verandering onderhevig geweest. Historicus Matthew Sturgis toont in When in Rome: 2000 years of Roman Sightseeing (2011) dat ideeën over wat de Rome-reiziger dient te bezoeken, te zien en te ervaren per generatie of tijdperk veranderen – zoals ook smaken, interesses en verwachtingen dat doen.

Een historische rondleiding door toeristisch laat zo al snel zien dat een strikte scheiding tussen Rome als plek voor consumptie en entertainment, en Rome als bestemming voor de erudiete reiziger niet te maken valt. In Roman Holiday wordt bijvoorbeeld verwezen naar Shelley: Ann citeert een gedicht over de nimf Arethusa uit de Griekse mythologie, wiens vlucht voor de god Alpheus hier symbool staat voor Anns eigen vrijheidsdrang. Verschillende vormen van toerisme hebben altijd al naast elkaar bestaan en zijn bovendien vaak met elkaar verweven en vermengd. De wisselwerking tussen de verbeelde bestemming en de daadwerkelijke toeristische ervaring blijkt een in de geschiedenis geworteld, complex geheel van representaties en daadwerkelijke ervaringen, waarop ook economische en politieke krachten inwerken. Plannen om toeristen te ‘spreiden’ over de seizoenen werden ook al tijdens het Marshall Plan gemaakt en juist het consumerende aspect van toerisme waar men zich nu tegen lijkt te keren werd ooit institutioneel aangemoedigd.

Waar ik, in de hop-on-hop-off, in al mijn dedain louter hapklaar entertainment verwachtte, kreeg ik tijdens een busrit van drie uur juist zoveel informatie over de stad dat mijn metgezel en ik die niet aankonden. Daarbij bood de gepresenteerde informatie, naast alle trivia en geschiedenissen, ook nog ruimte te bieden voor historisch debat. Bovenal ging ik Rome tijdens de rit letterlijk met andere ogen zien door het uitzicht dat de dubbeldekker bood: de drukte van de stad en het verkeer verdwenen onder de horizon en nieuwe details van gebouwen en monumenten werden zichtbaar. Ik beveel het u van harte aan: laat u ook eens verrassen door een onverwacht perspectief.