Emancipatie en manumissie in koloniaal Suriname
🖋 Rosa de Jong


De geschiedschrijving van Suriname kent nog vele leemtes en blinde vlekken, niet in de laatste plaats wat de geschiedenissen van niet-witte vrij(gemaakt)en betreft, en de rol die zij gespeeld hebben in het ontstaan van het moderne Suriname. Rosa de Jong bespreekt Karwan Fatah-Blacks Eigendomsstrijd. De geschiedenis van slavernij en emancipatie in Suriname, dat een belangrijk begin maakt met het dichten van die lacune.


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Karwan Fatah-Black, Eigendomsstrijd. De geschiedenis van slavernij en emancipatie in Suriname (Ambo|Anthos 2018), 223 blz.

‘Geen enkele slavensamenleving in de menselijke geschiedenis kon bestaan zonder een vorm van manumissie (vrijlating uit de slavernij).’ De routes die in de koloniale Surinaamse slavensamenleving naar de vrijheid leidden worden door historicus Karwan Fatah-Black in zijn boek Eigendomsstrijd beschreven. Vanaf ongeveer 1760 tot de afschaffing van de slavernij, een eeuw later, leefde in Paramaribo een steeds grotere groep vrije niet-witte mensen. Fatah-Black beschrijft hoe zij tegen de stroom in hun wegen naar de vrijheid vonden en laat zien hoe daar, in de coulissen van de geschiedenis, het moderne Suriname ontstond.

Meteen valt op dat het boek voornamelijk geografisch is ingedeeld, met het stadsplan van Paramaribo als model, en hoofdstuktitels als ‘Waterkant’ of ‘De plantages’. De Waterkant was de haven van Paramaribo, een rommelige plek waar vrijen niet gemakkelijk waren te onderscheiden van onvrijen en waar hun werelden bijeenkwamen. Hier kwamen slaafgemaakten en vrije niet-witten met elkaar in contact, en soms deden zij hetzelfde werk. Bovendien hielden zich in de haven veel vrije zwarte zeelieden op, die vooral belangrijk waren voor de regionale vaart tussen Noord-Amerika en Suriname. Deze zeelieden stonden in schril contrast met de slaafgemaakten die in dezelfde haven uit de schepen werden gehaald om per opbod te worden verkocht. Zo werd de Waterkant een plek waar de vrijheid bijna tastbaar was. Het koloniale bestuur had moeite met deze rommelige plekken, en probeerde met allerlei regels de illegale kroegen en de chaos van de informele economie zo veel mogelijk in te dammen.

De meeste vrije niet-witten woonden op het stuk land tussen de stad en de eerste plantages dat de naam Frimangron kreeg, vrij vertaald ‘land van de vrije mensen’. Frimangron was een van de twee wijken voor vrijen die tussen 1769 en 1772 op initiatief van gouverneur Jan Nepveu werden aangelegd. Daarmee poogde hij de nieuwe, moeilijk definieerbare groep – zwart en vrij – buiten de geordende stad houden. De Saramaccastraat (het vierde hoofdstuk) verbond de Waterkant met de Frimangron; een verbinding tussen de vrije zwarte bevolking en het economische centrum van de kolonie. Het straatbeeld werd bepaald door ‘smokkelkroegen, winkels, een theater en de huizen van de vrije [zwarte] bevolking’. Grond verkrijgen was voor de vrijgemaakten geen probleem: in de wijken van Nepveu gold dat als iemand binnen een jaar en een dag een huis had gebouwd, hij of zij het stuk grond mocht houden.

Dikwijls doorkruisten vriendschappelijke en familiale relaties de grens tussen vrij en niet-vrij. De eerste niet-witte vrijen waren de kinderen van de concubines van de plantagehouders. Een andere grote groep verkreeg de vrijheid door voor het koloniale bestuur te strijden tegen de ‘marrons’, weggelopen slaven die een bestaan in het oerwoud op hadden gebouwd. Deze Redi Musu werden later vaak weggezet als collaborateurs, een term die zoals Fatah-Black terecht opmerkt niet bijdraagt aan een begrip van hun overwegingen en situatie. In de stad ontstond vervolgens het systeem van kettingmanumissie: vrijen die hun familieleden, geliefden of vrienden vrij- of overkochten.

Aan de hand van talloze kleine voorbeelden schetst Fatah-Black een kleurrijk beeld van het leven van de niet-witte vrijen in Paramaribo. Hij beschrijft aan de hand van testamenten en rechtszaken het leven van vele individuen en slaagt erin om door middel van al deze kleine anekdoten te tonen hoe het deze groep verging en hoe zij zich in de marge van de plantage-economie kon ontwikkelen. Tegelijkertijd is deze mozaïekachtige stijl niet alleen een keus; door het gebrek aan bronnen heeft de auteur weinig andere mogelijkheden. Hoewel Fatah-Black dit kort noemt in het voorwoord had het – ook voor het grotere publiek – veel toegevoegd als hij inzicht had verschaft in hoe hij deze subalterne stemmen uit de bronnen naar voren haalt. Welke afwegingen maakte hij bij het centraal stellen van de levens van mensen die zelf nauwelijks geschriften nalieten? Welk effect heeft het, dat de fragmenten die er over hen zijn meestal werden opgetekend door klerken van de koloniale elites?

In het hoofdstuk ‘Verder lezen’ geeft Fatah-Black een overzicht van de publicaties die in de afgelopen dertig jaar over slavernij in Suriname zijn verschenen. Hij stelt, erg voorzichtig: ‘Dat de integratie van het slavernijverleden in het historisch bewustzijn misschien achterblijft kan niet liggen aan het aantal studies dat over het onderwerp is verschenen.’ Hij eindigt het overzicht met het aanstaande boek van de gezaghebbende historicus Natalie Zemon Davis, over een klein aantal Surinaamse vrouwen in slavernij. Davis is vermaard om haar microgeschiedenissen, waarin zij ook aandacht besteedt aan de problemen en onmogelijkheden van het vertellen over levens die in hun eigen tijd nauwelijks beschreven werden, of alleen ‘van bovenaf’.

Fatah-Black sluit zijn boek af met een epiloog over de Pontenwerfstraat – de ontknoping van zijn geografische aanpak. De Pontenwerfstraat was de hoofdstraat van de Frimangron, en de plek waar in 1898, vijfendertig jaar na het afschaffen van de slavernij, Cornelis Gerardus Anton de Kom werd geboren. Fatah-Blacks geografische aanpak stelt hem in staat een rechte lijn te trekken tussen de vrijen die voor 1863 in Frimangron woonden en de belangrijkste intellectueel en vrijheidsstrijder die Suriname heeft voortgebracht. De Koms overgrootmoeder was in 1841 gemanumitteerd, en via zijn moederlijke lijn verwierf hij een stuk grond aan de Pontenwerfstraat. Het is jammer dat Fatah-Black op dit punt eigenlijk geen dieper inzicht biedt in hoe de niet-witte vrijen in de marge van de plantage-economie de latere stedelijke Afro-Surinaamse gemeenschap blijvend vormgaven. Toch: lopend van de Waterkant via de Saramaccastraat naar de huidige Anton de Komstraat begint Fatah-Black al schetsend een lacune in de koloniale geschiedenis van Suriname te dichten.

Dit boek is een belangrijke bijdrage aan een gelaagdere geschiedschrijving over zwarten in Suriname, die afwijkt van de traditionele focus op het plantagebestaan. Deze ontwikkeling is pas vrij recent ingezet: zie bijvoorbeeld het proefschrift van Ellen Neslo, Een ongekende elite. De opkomst van een gekleurde elite in koloniaal Suriname (2016), en de vorig jaar verschenen boeken Grijs verleden? Over zwarte milities en redimoesoegedrag van Jeroen Dewulf en Dichter in de jungle. John Gabriel Stedman 1744-1794 van Roelof van Gelder. Toch doet Fatah-Blacks boek aan als een voorstudie: ideeën blijven onuitgewerkt, veel zinsneden of delen van alinea’s worden herhaald, en het taalgebruik, de verwijzingen en literatuurlijst zijn wat slordig. Hopelijk vormt dit boek, samen met de andere publicaties, het begin van een breder onderzoek naar de manieren waarop deze onderbelichte groep de geschiedenis van Suriname blijvend heeft vormgegeven.