Advertentie
ad

De muren van België: Filip De Pillecyn en de grenzen van het betamelijke

De recent heruitgegeven gevangenisdagboeken van collaborateur Filip De Pillecyn vormen een belangrijke getuigenis in de Vlaamse naoorlogse geschiedenis. Dat zijn collaboratie en antisemitisme in de heruitgave niet kritisch gekaderd en zelfs vergoelijkt worden getuigt volgens Wim Verbaal van iets heel anders: het huidige politiek klimaat in Vlaanderen waarin de grenzen van het betamelijke steeds verder worden opgerekt.

Besproken boeken

‘De grens tussen goed en kwaad loopt door het hart van een mens.’ In deze sterk vereenvoudigde vorm bleef een passage uit Solzjenitsyns Goelag Archipel in mijn geheugen hangen. Ik was een adolescent toen ik mij gefascineerd door beide delen heen worstelde. Van perestrojka of het einde van de Sovjet-Unie was nog geen sprake. De grens tussen goed en kwaad liep dwars door Europa en ik bevond mij aan de goede kant. Maar hier klonk de stem van een slachtoffer langs de andere kant die mij wilde leren dat de grens door mijzelf liep en niet tussen mij en anderen.

Niet veel later las ik in de krant de beroemde anekdote over Tomás Borge, minister in de toen nog onbesproken sandinistische regering van Nicaragua. In een gevangenis kwam hij oog in oog te staan met de beul die hem vroeger had gefolterd. Hij stak zijn hand uit als teken voor zijn poging de grens tussen hen te doorbreken en de ander te vergeven. Jong als ik was begreep ik de moed en geesteskracht die nodig waren om te komen tot Solzjenitsyns inzicht en Borges uitgestoken hand.

Filip De Pillecyn

Op 25 maart jongstleden werd op de Antwerpse campus van de KU Leuven de heruitgave van het ‘ongecensureerde gevangenisdagboek’ voorgesteld van de Vlaamse schrijver Filip De Pillecyn (1891-1962). Op een enkele uitzondering na werd deze uitgave goed ontvangen in de Vlaamse media en na amper een maand bleek al een tweede druk nodig. Een vriend had mij enkele maanden daarvoor de eerste uitgave uit 1979 in handen gegeven. Hij kende mijn verlangen om uit hun eigen woorden te begrijpen wat mensen uit alle lagen van de maatschappij er in de jaren dertig en veertig toe bracht hun medewerking te verlenen aan een regime waarvan velen ook toen al de gevaarlijke ambities aan de kaak stelden. Als geboren Nederlander die intussen het grootste deel van zijn leven in België woont, was ik minder vertrouwd met de impact in Vlaanderen van de collaboratie en haar vervolging na de oorlog. Deze herinneringen aan de repressie van een actieve collaborateur leken een geschikte manier om hier kennis mee te maken (onder ‘repressie’ begrijpt men in Vlaanderen het optreden van het naoorlogse gerecht in België). Ik las het boek met stijgende verbazing en begon wat meer op te zoeken over de auteur die voor mij tot dan een onbekende was.

Filip De Pillecyn oogstte in het interbellum succes met romans als Monsieur Hawarden (1935) en De soldaat Johan (1939). Als student aan de Katholieke Universiteit Leuven en vervolgens als vrijwilliger in de loopgraven van de Grote Oorlog werd hij geconfronteerd met de pijnlijke toestanden waaronder Vlamingen te lijden hadden en ontwikkelde hij zich tot een actief en vurig voorvechter van de Vlaamse zaak. Uiteindelijk zou dit hem ertoe brengen zich na de Duitse inval in 1940 aan te sluiten bij de Vlaamsgezinde bewegingen die hoopten onder het Duitse bewind hun streven naar een onafhankelijk en Vlaams Vlaanderen te kunnen verwerkelijken: het Vlaams Nationaal Verbond (VNV) en de Deutsch-Vlämische Arbeitsgemeinschaft (DeVlag). Hij werd lid van de door de Duitsers gesteunde Vlaamse Cultuurraad en in 1941 benoemd tot directeur-generaal van het middelbaar onderwijs, een functie die hij bekleedde tot de bevrijding in 1944. Na kort ondergedoken te zijn, gaf hij zichzelf aan en belandde hij in de cel. In 1947 kwam hij voor de krijgsraad die hem wegens actieve culturele collaboratie tot tien jaar gevangenisstraf veroordeelde, maar al in 1949 volgde zijn vrijlating. Het gevangenisdagboek behandelt deze periode van vijf jaren.

De laatste fase van de oorlog en de eerste maanden van de bevrijding kenmerkten zich in België door een toenemende chaos en gewelddadigheid, zelfs in die mate dat sommige historici ronduit over een burgeroorlog spreken. Wederzijdse represailles van het gewapend verzet en Duitsgezinde troepen volgden elkaar in hoog tempo op en maakten veel slachtoffers, vooral in Wallonië. Na de definitieve aftocht van de Duitse troepen in september 1944 werden velen die van collaboratie verdacht of beschuldigd werden het doelwit van straatgeweld, zoals dit overal in het bevrijde Europa losbarstte. Na mei 1945, bij de officiële capitulatie, herhaalde zich deze volkswoede, al werd ze nu sterker ingetoomd door het intussen enigszins herstelde centraal gezag.

De Pillecyn heeft beide wraakacties vooral op afstand doorgemaakt. Tijdens de septemberdagen werd zijn huis geplunderd en zijn rijke bibliotheek verwoest. Dat beeld van zijn uiteengerukte en verwoeste bibliotheek blijft hem achtervolgen. Zijn dagboek concentreert zich verder op de moeilijke leefomstandigheden in de gevangenissen. Gezien de chaotische bestuurssituatie tijdens het eerste jaar lijken de misstanden die hij beschrijft niet helemaal onbegrijpelijk, ook al zijn ze daarmee niet verontschuldigd.

Zelfmedelijden

Maar dit was niet wat mijn verbijstering bij de lectuur opriep. Het dagboek bestaat uit korte notities die verschillende facetten van het gevangenisleven en van de heersende chaos willen belichten. De teneur daarbij is dat de muren van de gevangenis niet alleen een begrenzing van de vrijheid vormen, maar dat zij een grens afbakenen tussen goed en kwaad en dat de goede kant die in de cel is.

Wij hebben gedurende jaren tijd gehad, ver van het gewoel der mensen, de levenswaarden af te wegen en het met ons zelf eens te worden. En elk onderzoek drijft ons verder weg van de mensen, drijft ons terug naar onszelf. Uit zo’n maatschappij uitgestoten zijn is niet erg. Hun praktijken van recht, hun opvatting over burgerzin, de beperking van de menselijke verplichtingen tot hun eigen kaste, brengen ons bijeen, want hun wereld is de onze niet en onze eer is anders dan de hunne. Waar wij uit het begrip ‘evennaaste’ zijn uitgesloten, wordt het terrein van onze eigen naastenliefde tot de eigen lotgenoten beperkt.

Niemand wordt beter met in de gevangenis te zitten. Niettegenstaande de bitterheid die in ons is, zijn wij beter dan degenen die ons hier hebben ingestoken, wij zijn beter geworden voor elkaar. (205-206; in cursief staan de passages die in de uitgave van 1979 geschrapt waren, hetzij door de schrijver zelf, hetzij door de uitgever – WV)

Geen moment komt in de auteur de vraag op waarom hem wordt voorgehouden dat hij fout was, dat het niet om een eenvoudige vergissing kan gaan, dat hij zich heeft laten gebruiken door een bezetter die inspeelde op zijn Vlaamse idealen. Nee,

waar ik geen spijt gevoel kan ik ook geen berouw bekennen. Wat ik gedaan heb, deed ik omdat ik het als mijn plicht beschouwde en het plichtbesef verschilt van mens tot mens. Wij hebben goed werk geleverd, er is een inspanning geweest naar het geestelijke zoals wij er voor of er na geen hebben gezien. Daarover spijt hebben? (183)

In de Nuremberg Interviews, opgetekend door de Amerikaanse psychiater Leon Goldensohn en in 2004 gepubliceerd, kom je bij de Duitse kopstukken soms meer zelfbevraging tegen. Zo ook in het ijzingwekkende verslag van zijn eigen leven door Rudolf Höß, kampcommandant van Auschwitz. Goldensohn maakt melding van deze memoires, die voor hem in het Engels samengevat en geparafraseerd werden. Op zijn vraag aan Höß of deze zich schuldig voelde of dacht enkel gehandeld te hebben als een soldaat die zijn plicht deed, antwoordde Höß:

Up until the capitulation of Germany I believed I carried out orders correctly and acted in the right manner. But after the capitulation, when I read newspapers reports of the trials, et cetera, I came to the conclusion that the necessity for extermination of the Jews was not as they told me – now I am guilty, as are all of the others, and I have to take the consequences.

–What do you think your punishment should be?

To be hanged.

Voor De Pillecyn daarentegen zitten er in de gevangenis enkel slachtoffers en daarbuiten loopt het grootste schorriemorrie rond dat men zich maar kan indenken. Je hebt soms de indruk een verslag uit de Duitse kampen te lezen. De berichten daarover bereiken de auteur ook, maar ze geven blijkbaar enkel aanleiding tot meer zelfmedelijden. De Pillecyn lijkt de ernst van de gruwel niet in te zien.

En al de akeligheden die in de concentratiekampen gebeurd zijn en waar, voor een deel althans, belhamels uit die kampen zelf voor verantwoordelijk zijn, en de gruwelen die uzelf doen verachten omdat u een mens zijt [de gruwelen die tot het fabelachtige behoren], dat alles hebben wij gedaan. (120)

Onkritische heruitgave

De heruitgave wordt door Laurens Verrelst op de nieuwssite van de uitgever zelf toegejuicht als de ‘broodnodige context’ en ‘een belangrijke stem’ die bovendien ‘wordt bijgetreden door objectief wetenschappelijk onderzoek’. Zonder meer gaat het bij een dergelijk egodocument om een belangrijke getuigenis, die echter ook om een correcte inkadering vraagt. Dit moet zeker het geval zijn wanneer het een periode uit de eigen geschiedenis betreft die nog altijd aanzienlijke actualiteitswaarde heeft. Terecht wordt in heel wat recente literatuur opgemerkt dat de repressie in Vlaanderen meer aandacht krijgt dan het probleem van de collaboratie zelf. Ook blijkt het verzet veel minder gekend en geëerd te zijn met straatnamen of andere openbare plaatsen dan de collaborateurs die als slachtoffer bestempeld worden van de repressie.

Een historisch kritische uitgave was dus zeker gewenst. De kritische editie van Mein Kampf had hiertoe goed als voorbeeld kunnen dienen, maar een dergelijke editie, die de tekst kritisch in zijn tijd plaatst, was blijkbaar niet het doel van de uitgevers. Het boek uit 1979 heeft om te beginnen een nieuwe titel gekregen. De oorspronkelijke Franse titel Face au mur diende mede als aanklacht tegen de idee van een Vlaamse onderdrukking door de Franstaligheid, zoals deze in het Vlaamse geheugen gemeengoed geworden is en nog steeds in elke politieke campagne door de Vlaamsgezinde partijen wordt uitgebuit. De keuze voor de andere titel motiveert de uitgever met ‘de dreigende atmosfeer waarin De Pillecyn in de jaren na de oorlog zat’ (9). Inderdaad lijkt hij nu voortdurend met de rug tegen de muur te staan, in plaats van met de neus, en dat heeft een heel andere associatie die de oorspronkelijke titel niet had: Face au mur verwijst naar het toekennen van een straf waarbij de gestrafte met het gezicht naar de muur moet staan. Met de rug ‘tegen de muur’ roept zeker in deze context de terechtstellingen en executies van collaborateurs op. Het verraadt een politiek achter de heruitgave die minder onschuldig en wetenschappelijk gefundeerd is dan een ‘objectieve’, kritische editie veronderstelt.

Het inleidende hoofdstuk door Jean-Pierre Rondas laat weinig twijfels: de heruitgave kwam er als een document dat het onrecht wil aantonen waaronder Vlamingen tijdens de repressie geleden zouden hebben. Daartoe nemen de uitgevers zonder enige reserve de visie van De Pillecyn over: het verzet zal een vieze zaak blijven (32), het verzet heeft nooit de lijn getrokken tussen enerzijds moordenaars, bandieten, voetbranders en dieven, en anderzijds de mannen die met hun vrijheid en leven instonden voor hun ideeën (33). Volgens Rondas gaat het bij het dagboek om een tekst met een sterk ‘journalistiek aspect’, zonder bitterheid: ‘ik zie slechts realisme met wijd open ogen’. De uitgevers lijken het dus nodig te vinden om de mythe van de Vlaamse slachtofferrol van een meedogenloze repressie, die intussen in recent onderzoek sterk genuanceerd of helemaal weerlegd is, aan te houden en zelfs nieuw leven in te blazen. Vooral Koen Aerts heeft in recent werk [1] laten zien hoe Vlaanderen in vele opzichten minder geleden heeft onder een juridische ‘repressie’ dan het Franstalige landsgedeelte. Zijn boeken en de documentaires waaraan hij meewerkte hebben tegelijkertijd ook aangetoond hoe de ‘mythe’ in Vlaanderen levend blijft en meehelpt het politiek klimaat te bepalen. Zijn werk geeft de noodzakelijke aanvullende informatie bij de situatie van Vlaanderen in en na de oorlog. Het hoeft niet gezegd dat hem dit door velen niet in dank wordt afgenomen.

Rondas heeft ook een begeleidende tekst geschreven bij een stripverhaal dat nu voor het eerst gepubliceerd wordt. De Pillecyn maakte het samen met zijn broer toen ze allebei vast zaten in het Hechteniskamp Lokeren in 1946. De Pillecyn bedacht het verhaal en schreef de versjes, zijn broer maakte de tekeningen. Het verhaal vertelt hoe gesneuvelde en terechtgestelde collaborateurs in de hemel kwamen. Eerst worden ze er geweigerd, en ook de hel laat hen niet binnen. Dus komen ze in een soort tussenruimte die op de tekening vooral ingenomen wordt door een karikaturale Mozes van Michelangelo met aan zijn voeten een verzameling joden die rechtstreeks uit Der Stürmer lijken te komen. In het vervolg krijgen deze joden de rol die hun in de nazipropaganda het liefst werd toebedeeld: die van de onbetrouwbare en keiharde sjacheraars die hun ‘onschuldige’ slachtoffer, belichaamd door een septemberkindje, verwekt door de verkrachting van vrouwen die gecollaboreerd hadden, het hemd van het lijf roven.

‘Antisemitisch?’ Rondas denkt van niet. Hij bevestigt die mening met een citaat van Karl Marx, die, zelf jood, de joden sjacheraars noemde. Een paar pagina’s daarvoor heeft hij de term antisemitisme al afgewezen. Bij De Pillecyn ‘is er geen sprake van “antisemitisme”, maar eerder van de sjablonen van een ouderwets katholiek antijudaïsme dat in de context van het interbellum en van de jaren veertig geplaatst moet worden’. Hij legt dit in een voetnoot nader uit: ‘In wat volgt, wil ik het christelijke antijudaïsme zeker niet tot het folkloristische element reduceren. Maar de katholieke folklore die we hier aan het werk zien, maakt er wel deel van uit.’

Is dit geschreven in 2019? Mogen we weer vergoelijkend doen over iemand die zich op een dergelijke wijze uitliet over het Joodse volk, en dat op het moment dat de hele wereld nog vol ongeloof de georganiseerde gruwel van de Duitse kampen ontdekt? Misschien mogen we het De Pillecyn niet kwalijk nemen dat hij het niet gelooft. Maar mogen we het dan goedkeuren dat hij zonder zelfbevraging de antisemitische propaganda van ‘de context van het interbellum en van de jaren veertig’ voortzet? En bovendien als directeur-generaal van het middelbaar onderwijs ‘ook betrokken was in de verspreiding (op bevel van de Duitsers) van circulaires en bevelen die vér van democratisch waren, o.m. betreffende het lot van joodse kinderen in Belgische scholen’. Louis De Lentdecker, Vlaamsgezind en lid van het verzet, heeft het proces voor de krijgsraad tegen De Pillecyn bijgewoond en ondanks zijn sympathie op deze pijnlijke actieve collaboratie gewezen. [2] Daarvan is in de heruitgave geen spoor terug te vinden. Blijkbaar gaat het om onschuldige ‘katholieke folklore’.

Voor de duidelijkheid: het gaat hier niet om een initiatief van een obscure extreemrechtse uitgeverij. De uitgave is het werk van Doorbraak, dat als opiniewebsite de opvolger is van een tijdschrift dat door belangrijke Vlaamse politici werd gesticht, velen van hen nog steeds een spreekbuis biedt, en wel vaker vergoelijkend en relativerend spreekt over het problematische Vlaamse verleden tijdens de Tweede Wereldoorlog. De website geniet een groeiende populariteit. De heruitgave is bovendien gepresenteerd op een van de campussen van een gerenommeerde universiteit, in de aanwezigheid van prominente vertegenwoordigers uit de academische wereld. En ten slotte is het boek zoals gezegd al na amper twee maanden aan een herdruk toe.

Getuigenis, zeker

Het lijken allemaal tekenen aan de wand. Blijkbaar heerst er intussen in Vlaanderen een klimaat waarin dergelijke publicaties zonder protest kunnen verschijnen en zelfs bewierookt worden. Het doet me denken aan het opzien dat de studentengroep Schild & Vrienden een jaar geleden in Gent baarde. Een documentaire liet zien hoe de leden van deze groep onder elkaar de meest weerzinwekkende racistische moppen lieten rondgaan. Voor het merendeel leek deze groep uit onvolwassen kwajongens te bestaan die zich achter hun stichter en zelfverklaarde leider schaarden. Deze Dries Van Langenhove is intussen verkozen tot Vlaams parlementslid voor het Vlaamse Belang, hoewel er verschillende gerechtelijke procedures tegen hem geopend zijn wegens het aanzetten tot racisme en intimidatie. De smakeloze grappen van de jongeren van Schild & Vrienden zijn natuurlijk niet op een lijn te stellen met de inhoud van De Pilleceyns gevangenisdagboek en het door hem ontworpen stripverhaal. Toch roept de vanzelfsprekendheid waarmee dit alles geaccepteerd wordt de vraag op waarom de media in geen van deze gevallen ingaat op de vraag waarom deze jongeren (of de uitgevers van een dergelijke tekst, of mensen die zich kandidaat stellen voor politieke lijsten met bedenkelijke ideologieën) blijkbaar niet meer het innerlijke gevoel hebben tot waar de grens van het aanvaardbare loopt.

Er is een klimaat ontstaan waarin dergelijke innerlijke grenzen niet meer nodig worden geacht. Hoewel politici als Theo Francken van de N-VA zich haastten afstand te nemen van de racistische uitspraken van de jongeren van Schild & Vrienden, waren zij pijnlijk genoeg ook degenen die eerder van deze jongeren gebruik hadden gemaakt om een cordon op te trekken tussen henzelf en betogende tegenstanders. Politici ook die deel uitmaken van een partij waarvan heel wat kopstukken uit families met een collaboratieachtergrond komen, wat bij hun politieke keuzes vaak de indruk van een revanchesentiment oproept. Nochtans heeft kopman Bart De Wever zelf openlijk afstand genomen van de collaboratie als een zwarte bladzijde in de geschiedenis van de Vlaamse Beweging, wat hem dan weer op veel kwade reacties uit zijn eigen achterban kwam te staan. Die zoeken nu blijkbaar hun heil bij andere politici, zoals Tom Van Grieken van het Vlaams Belang, die beweren zich niet te schamen voor het collaboratieverleden. We zijn terug bij af.

De heruitgave van De Pillecyns ‘ongecensureerde gevangenisdagboek’ is inderdaad een belangrijke getuigenis geworden, niet enkel van het onvermogen van een Vlaamse collaborateur om het eigen verleden en de eigen fouten in een zuiver licht te zien, maar ook van de tijd waarin we nu leven en waarin het opnieuw aanvaardbaar blijkt grenzen tussen jezelf en de anderen te trekken in plaats van in jezelf. Zoals gezegd is voor dat laatste veel moed en geesteskracht nodig, maar alleen dan blijft een samenleving leefbaar en democratisch. Dat vraagt beschaving, zoals Dick Pels in dNBg 2019#2 opmerkt – het vermogen open te zijn naar de ander en jezelf kritisch te evalueren. Het succes van de nieuwe editie van De Pillecyns dagboeken en de begeleidende teksten van zijn heruitgevers doen hiervoor het ergste vrezen. De verkiezingen in mei bevestigden deze vrees.

Verder lezen

  • Koen Aerts, “Repressie zonder maat of einde?” De juridische reïntegratie van collaborateurs in de Belgische staat na de Tweede Wereldoorlog. Academia Press/Lannoo 2014; Koen Aerts, Kinderen van de repressie. Hoe Vlaanderen worstelt met de bestraffing van de collaboratie. Polis 2018.
  • Louis De Lentdecker, Tussen twee vuren. Davidsfonds 1985.