Gas en land: van kolenmijn tot windmolen
🖋 Wytske Versteeg


‘Wind- en zonne-energie klinken bedrieglijk onschuldig, totdat die windturbines vlak naast je achtertuin worden gezet, of de zonneweide in een ooit idyllisch weiland.’ Wytske Versteeg bespreekt Gasland. Nederland wordt wakker geschud van Louis Stiller en Staatsmijn Beatrix: gemiste kans of zegen? van Luc Wolters. Het aardgas dat stilletjes onder de Groningers werd weggetapt, besliste het lot van de Limburge kolenmijnen en de dorpen eromheen. Nu de gaswinning tot aardbevingen leidt, blijkt dat de Groningers zich lang niet zo verbonden voelen met het gas als de Limburgers ooit met hun kolenmijnen. Welke lessen kunnen we uit ons gas- en kolenverleden trekken voor de aanstaande energietransitie?


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Louis Stiller, Gasland. Nederland wordt wakker geschud (De Geus 2018), 272 blz.
Luc Wolters, Staatsmijn Beatrix: gemiste kans of zegen? (Vantilt 2018), 198 blz.

‘Waarom heeft niemand ons gewaarschuwd?’, vraagt Louis Stiller zich af. Hij kocht zijn Groningse huis in het begin van 2007, net na de aardbeving van Westeremden, maar voor die van Huizinge in 2012. De beving van Huizinge, met een kracht van 3,6 op de schaal van Richter, was een wake-upcall voor veel Groningers. En voor de rest van Nederland, dat zich doorgaans niet bijzonder interesseert voor gebeurtenissen in het noorden. Hoewel, wake-upcall. Wat Stiller beschrijft is eerder een voortdurende nachtmerrie, waarin burgers van het kastje naar de muur worden gestuurd, dwalend door een Gasgebouw waarvan de begane grond geen deur heeft.

Het Gasgebouw: de gemiddelde Nederlander zal het woord niet eens kennen. We denken sowieso zelden over energie, zoals in het oude verhaal van de vis die het water niet ziet waarin hij zwemt. Gas is cruciaal voor de vervulling van onze basale behoeften – het houdt ons warm, is noodzakelijk om te koken – maar het was lange tijd te vanzelfsprekend om nog op te merken. Die vanzelfsprekendheid geldt vermoedelijk voor alle plekken met centrale verwarming, warme douches en gasfornuizen, maar des te meer voor Nederland. In de afgelopen halve eeuw zijn we immers gewend, misschien zelfs verslaafd geraakt aan de gigantische voorraad aardgas in eigen bodem. ‘Gasland’, noemt Stiller het. De grote kracht van zijn boek is dat hij de contouren van dat Gasland volgt van verleden tot toekomst, van de huiskamers van getraumatiseerde Groningers tot de ondoorzichtige beslissingsstructuren van de overheid en de NAM.

‘Wanneer dringt tot je door dat een kleine reeks incidenten het begin is van iets groots? (…) Wanneer zie je dat vele kleine gebeurtenissen geschiedenis beginnen te vormen?’ Wie als buitenstaander door Groningen rijdt, ziet amper iets van de bevingen die hier hebben plaatsgevonden. Verwoesting verbergt zich achter keurig geknipte heggen en netjes bijgehouden huizen. Wat duidelijk kapot was, is gesloopt, verdwenen zonder een spoor achter te laten, tenzij je meerekent wat er niet meer is, de leegte waar ooit werd gewoond. Alleen online wordt bijgehouden welke panden zijn verdwenen. Voor zover er in de dorpen iets te zien valt, moet je weten waar te kijken: naar de schoorstenen bijvoorbeeld, die nu lichtgewicht en daarmee aardbevingsbestendig zijn. Maar waar weinig te zien valt, is des te meer te horen; wie er naar vraagt, hoort van iedereen wel een verhaal over scheuren en schade. Bewoners hebben last van wat de Loppersumse psychologe Janneke Hollander het ‘post-traumatisch verbitteringssyndroom’ noemt. De term, gemunt voor de ervaringen van de Oost-Duitsers na de eenwording, beschrijft de klachten van mensen die zo bitter zijn geworden dat ze nauwelijks meer kunnen functioneren. Die verbittering ontstaat door de schending van basale verwachtingen. Of, zoals een Groninger het verwoordt in Stillers boek: je hoort zulke dingen wel eens over Nigeria of Rusland, maar hier bij ons?

Enter het Gasgebouw. Van die bestuurlijke constructie vormt de Maatschap Groningen de mysterieuze begane grond: een stille maatschap, dus zonder beursnotering of jaarverslagen. Aangezien die nogal ontoegankelijke Maatschap bestaat uit de NAM (anders dan veel mensen denken geen staatsbedrijf, maar een joint venture tussen Shell en ExxonMobil) en de Staatsmijnen, profiteert de Nederlandse overheid zowel direct als indirect van het Groningse gasveld. Dat is problematisch, zoals we inmiddels maar al te goed weten: diezelfde overheid is immers verantwoordelijk voor het welzijn en de veiligheid van haar burgers. Opeenvolgende regeringen raakten verslaafd aan de mogelijkheid om begrotingsproblemen op te lossen door de gaskraan verder open te draaien. Aardgasbaten zorgden voor een zachte landing als het moeilijk werd: toen er geld nodig was voor de Oosterscheldedam, toen de broekriem moest worden aangetrokken in de jaren 1980, en ja, ook onder Rutte.

En dat terwijl aardgas aanvankelijk niet meer dan bijvangst was, waar de NAM niets aan dacht te kunnen verdienen. Stiller beschrijft dat prille begin van Gasland in zijn boek: de eerste boringen op het moment dat Nederland nog draaide op olie en kolen, en de denkstappen die nodig waren om een massamarkt voor aardgas te vinden. Alle Nederlandse huishoudens waren al sinds 1800 aangesloten op een distributienetwerk voor kolengas, maar er waren Amerikaanse Esso-medewerkers nodig om de denkstap naar centrale verwarming met aardgas te maken. Met kolenkachels was het immers niet de gewoonte om meer dan keuken en woonkamer te verwarmen. Wie eenmaal aan het aardgas was, zou niet snel meer zonder kunnen, en zo – becijferden de Essomannen hoopvol – zou het huishoudelijk gasverbruik kunnen vertienvoudigen!

Hoop op kolen
De overstap naar aardgas zou niet slechts cruciaal blijken voor Groningen, maar had ook invloed op een ander deel van het land: de regio Midden-Limburg, en dan vooral het gebied rondom Herkenbosch/Vlodrop. Daarop richt Luc Wolters zich in Staatsmijn Beatrix: gemiste kans of zegen?, dat de opkomst en ondergang van het plan voor kolenmijn de Beatrix beschrijft. De Roerstreek moest, na Zuid-Limburg, de nieuwe Nederlandse mijnstreek worden. In 1949 leek het cruciaal om op nationaal niveau te kunnen voorzien in energie. Er werden op dat moment veel kolen voor de consumentenmarkt uit het buitenland geïmporteerd, wat kostbare deviezen slurpte. Het idee voor een tweede mijnzetel zong al veel langer rond, maar nu stonden voor het eerst alle neuzen dezelfde kant op. In de Roerstreek – op dat moment nog grotendeels afhankelijk van kleinschalige landbouw – waren de verwachtingen hooggespannen. Gemeentes en middenstand bereidden zich voor op de verwachte toestroom van mijnwerkers en economische activiteit, en er werd zelfs een heel nieuw dorp gepland. Berkenrode moest ‘een echt mijndorp’ worden, en wel ‘het fraaiste mijndorp dat op de aardbodem ligt’.

Maar Berkenrode zou er nooit komen. Toen de diepe, technisch ingewikkelde en uiterst kostbare mijnschachten er eenmaal lagen, werd toch besloten om de mijn niet te openen. Minister de Pous van Economische Zaken, dezelfde minister die in 1962 de Nota inzake het Aardgas uitbracht, schreef de Tweede Kamer op 6 augustus van datzelfde jaar dat de Beatrixmijn niet rendabel zou zijn. Door de kolencrisis – een crisis in het aanbod, en niet in de verkoopprijs van kool – was de regering bang om verdere precedenten te scheppen. De kolengroep had in het verleden bescherming afgedwongen door haar sterke lobby, maar hoe lang kon dat nog blijven duren? Of, in de woorden van de Directie Zware Industrie: ‘Wij moeten voorzichtig zijn met toe te geven aan de gedachte dat alle kool die in de grond gevonden wordt onder alle omstandigheden zonder verlies op de kolenmarkt kan worden afgezet.’ Exact dezelfde boodschap wordt in onze tijd gegeven door de keep it in the ground-beweging. Dit keer komt de waarschuwing niet voort uit angst voor financieel verlies, maar voor de uitstoot van CO2. Ook tegenwoordig heeft de energie-industrie een sterke lobby. Al was het maar door het draaideureffect: het fenomeen waarbij overheidsbestuurders naar grote bedrijven zoals Shell vertrekken, die omgekeerd fungeren als een kweekvijver voor ministers.

Het voorbeeld van de Beatrixmijn roept de vraag op hoeveel we tegenwoordig investeren in energievormen die tot uitsterven gedoemd zijn. Hoewel de regering in 1962 niet inging op ontwikkelingen elders in de energiemarkt, was het voor de Limburgse verliezers duidelijk waar het besluit vandaan kwam. Het communistische dagblad De Waarheid, populair in de Roerstreek, klaagde erover dat er geen enkel bewijs was voor slechte vooruitzichten. De regering zou hebben gekozen voor een ‘handjevol miljonairs van de monopolies’. Eerlijk was die beschrijving niet. Het rommelde al veel langer op de internationale kolenmarkt. Landen als Frankrijk en België subsidieerden hun eigen mijnindustrie, wat de invoer van kolen goedkoper maakte. De oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal verkleinde het belang van nationale energiereserves. Toen in 1959 het gigantische gasveld bij Slochteren werd gevonden, was voor de Beatrixmijn de race wel gelopen.

Wolters is duidelijk over het antwoord op de vraag in zijn ondertitel. Dat de Beatrix nooit werd geopend, bleek uiteindelijk een zegen. Het leed van de latere mijnsluitingen zou de gemeenten in de Roerstreek bespaard blijven, maar ondertussen plukte de regio wel de voordelen van de geplande mijn. In eerste instantie voelde de streek zich verraden: het vooruitzicht van de Beatrixmijn had een rijkdom voorgespiegeld die nooit eerder binnen bereik was geweest. Die kortstondige hoop was nu weer weggenomen, terwijl gemeenten en middenstanders hadden gerekend op de groei. Daar stond echter tegenover dat het Rijk fors geïnvesteerd had in de regio op het gebied van infrastructuur, woningen en voorzieningen. Die Rijksinvesteringen werden gedaan met het oog op de mijn in plaats van op de ontwikkeling van de streek, en kenden nogal wat bureaucratische belemmeringen en vertragingen. Maar de gemeenten zouden er uiteindelijk wel degelijk van profiteren. Doordat de mijn niet kwam, bleef de Roerstreek vrij van zware industrie. Dat bleek gunstig toen recreatie uitgroeide tot een economische factor van belang. De Meinweg is nu een Nationaal Park, dat dankzij het bijzondere terrassenlandschap een grote soortenrijkdom kent. Waar kolen gewonnen hadden moeten worden, leven nu wilde zwijnen, steenmarters, en in Nederland zeldzame soorten reptielen, amfibieën en insecten. En, merkt Wolters op, ook de culturele identiteit van de Roerstreek kon bewaard blijven doordat de streek zich niet in recordtempo hoefde aan te passen aan de komst van een mijn en het bijbehorende leger nieuwe arbeidskrachten.

Energiecultuur
Het voorvoegsel mein- in Meinweg heeft niets te maken met de plannen voor de Beatrixmijn. Het duidde op het feit dat dit gebied lange tijd gemeenschappelijke grond was. Dat brengt ons bij de relatie tussen energie en cultuur, waar de boeken van Wolters en Stiller elkaar op interessante wijze aanvullen. De winning van olie en kolen leidt vaak tot het ontstaan van een gemeenschappelijke identiteit, terwijl dat voor aardgas niet lijkt te gelden. Dat komt niet in de laatste plaats door de aanzienlijke hoeveelheid arbeidskracht die in het verleden noodzakelijk was om een mijn te kunnen exploiteren. De Staatsmijnen investeerden in hun arbeiders, die tenslotte moeilijk en zwaar werk deden. In Zuid-Limburg betaalden de mijnen mee aan onder andere zang-, toneel-, opera- en operettevoorstellingen, bioscopen, bibliotheekwerk, moestuintjes, sportvoorzieningen en kinderfeesten, kortom, aan de opbouw en instandhouding van een gemeenschap. Precies dit maakte de mijnsluitingen in Nederland en elders zo ontwrichtend. Toen dit uiterst ongezonde werk uit de rijkere landen verdween, haalde dat de bodem weg onder de voeten van mensen wiens hele leven en identiteit op de mijn was gebaseerd – zie ook de film Pride, of de prachtige verhalen van Alistair MacLeod. De winning van gas daarentegen vraagt weinig arbeidskrachten: als de boringen eenmaal gedaan zijn, komt het gas min of meer vanzelf. De Beatrix werd groots aangekondigd, het was een evenement voor de streek als geheel. Maar toen het eerste aardgas werd gevonden, wist zelfs boer Boon, op wiens erf dat gebeurde, nauwelijks waar de NAM mee bezig was. En terwijl een kolenmijn een duidelijk verstorende invloed op het landschap heeft, zijn aardgaslocaties klein, eenvoudig te verbergen achter een rijtje bomen. Als er ontwrichting wordt veroorzaakt, zoals nu in Groningen, is dat sluipend en onopvallend, op het blote oog nauwelijks aan de winning gerelateerd. De Beatrix was van de Roerstreek, ook al heeft de mijn geen dag gedraaid. Aardgas daarentegen is na al die jaren nooit van Groningen geworden.

Een nieuwe energietransitie
Nu we voor een nieuwe energietransitie staan, is de binding tussen energie en gemeenschap niet langer een theoretisch probleem. Wind- en zonne-energie klinken bedrieglijk onschuldig, totdat die windturbines vlak naast je achtertuin worden gezet, of de zonneweide in een ooit idyllisch weiland. Het is eenvoudig om protesten tegen dergelijke initiatieven af te doen als ‘NIMBY’-gedrag (‘Not In My Backyard’), maar dat is onterecht en weinig productief. Onderzoek heeft al jaren geleden uitgewezen dat NIMBY-gedrag over het algemeen niet voortkomt uit egoïstische onwil, maar vooral optreedt wanneer verandering van buiten- of van bovenaf wordt opgelegd.1 Overlast wordt aanzienlijk minder belastend als die windmolen een klein beetje van jou is. Slagschaduw en herrie zijn beter te verdragen als de opbrengsten van die molen deels bestemd zijn voor de voetbalclub of de fanfare van het dorp. Op dit moment is dat vaak niet het geval. Grotere partijen, zoals boeren en energiebedrijven, kunnen beter inspelen op overheidsbeleid en maken daardoor gemakkelijker gebruik van subsidies. Door burgers opgerichte energiecoöperaties zijn aanzienlijk minder snel en werden om die reden lange tijd niet serieus genomen. Althans niet in Nederland, want bij onze oosterburen wekken diezelfde coöperaties inmiddels naar schatting een derde van de energie op.

Groningen en Friesland kennen talloze vernieuwende bottom-up-initiatieven op het gebied van duurzame energie, waar de rest van het land weinig over hoort. Wat wel in het nieuws komt, is de inmiddels hoogoplopende spanning rondom wind- en zonne-energie. Aannemers die zelfs maar indirect betrokken zijn bij de aanleg van grote windmolenparken kregen te maken met bedreigingen: auto’s, huizen en schuren werden in brand gestoken en ook werd asbest verspreid op bouwlocaties. In schril contrast met de controverses rond die parken staan de ‘knuffelmolens’, die Stiller ook beschrijft: lage, traditioneel uitziende molens, met houten wieken en een houten blad. E.A.Z., het bedrijf dat deze molens met veel succes produceert, is opgericht door Groningse boerenzonen. De oprichters spreken de taal van de streek, en hun molens lijken te horen bij het landschap.

Met knuffelmolens zullen we er helaas niet komen. Stiller schetst terecht een angstaanjagend beeld over de mogelijk verwoestende gevolgen van duurzame energievoorziening voor ons landschap. We konden het ons lang veroorloven om het water waarin we zwommen niet te zien, om niet te denken over energie. Die luxe is er nu niet meer. Zoals een bestuurder in de Roerstreek meer dan een halve eeuw geleden zei: ‘de overgang (…) zal een ombuiging van de mentaliteit met zich mee moeten brengen. Het gaat uiteindelijk om de mens, die zich in de nieuwe omstandigheden als persoon en als gemeenschapsmens moet kunnen ontplooien.’ We leven in een tijd van moeilijke keuzes over onze gedeelde grond. Om die te kunnen maken, moeten we een nieuw gedeeld verhaal zoeken. Wie kunnen we worden als Gasland voorbij is?

Noten
1] Patrick Devine-Wright (red.). Renewable Energy and the Public: From NIMBY to Participation. Londen: Earthscan, 2015.