Nancy Fraser: voorbij de grenzen van het kapitalisme
🖋 Jan Overwijk


Onze economische groei teert op een eindige planeet, met alle gevolgen voor klimaat en natuur van dien. Jan Overwijk bespreekt het werk van Nancy Fraser, die benadrukt dat we ons begrip van het ‘milieu’ van de economie nog veel breder moeten trekken. Zo komt zij tot een maatschappijkritiek waarmee zij ervoor pleit emancipatie en geborgenheid samen te brengen.


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Nancy Fraser & Rahel Jaeggi, Capitalism: A Conversation in Critical Theory (Polity 2018), 224 blz.

Wie vandaag naar het politieke speelveld kijkt ziet overal strijd. Terwijl in Frankrijk de gele hesjes met felle protesten reageren op Macrons afschaffing van de vermogensbelasting, komt hier in Nederland een steeds groter deel van de publieke sector in actie tegen jarenlange bezuinigingen. Antiracismebewegingen, feministen en LHBTQ-activisten hebben de emancipatie van minderheden opnieuw op de kaart gezet en scholieren staken met tienduizenden tegelijk om regeringen erop te wijzen dat we op een regelrechte klimaatcatastrofe afstevenen. Op het eerste gezicht lijken dit allemaal verschillende strijdperken, maar Nancy Fraser, hoogleraar in de kritische theorie aan de New Yorkse New School, ziet dat anders. Zij identificeert één gemeenschappelijk probleem: het kapitalisme.

Fraser is een sociaal filosoof die vooral bekend is geworden met haar werk over rechtvaardigheid, die volgens haar twee hoofdbestanddelen heeft: verdeling en erkenning. Haar wetenschappelijke oriëntatie is marxistisch-feministisch, zoals ook de titel van het recente pamflet Feminism for the 99% duidelijk maakt. Volgens haar leven we momenteel in vloeibare tijden, een zogenaamd ‘interregnum’ waarin een oude orde op sterven na dood is maar een nieuwe nog niet is ontstaan. ‘Ik heb het gevoel dat er iets aan het veranderen is, alsof er iets in de lucht hangt. Het is mijn doel om dat scherpte en focus te geven,’ vertelde Fraser me in haar New Yorkse appartement toen ik haar vroeg om haar recente boek Capitalism toe te lichten. Daarin treedt ze in gesprek met de Duitse hoogleraar praktische filosofie Rahel Jaeggi.

Fraser ontwikkelt in Capitalism een radicale systeemkritiek op basis van een hernieuwd marxisme. ‘Marxisten en anderen hebben de voorgrond van het kapitalisme beschreven, maar wij moeten die voorgrond begrijpen tegen wat je zijn achtergronden zou kunnen noemen,’ legt Fraser uit. Anders dan bij de klassieke marxisten moeten we volgens haar niet alleen naar de kapitalistische economie kijken, maar juist ook naar de ogenschijnlijk niet-economische ‘buitenruimtes’ waar die economie van afhankelijk is. Met econoom Karl Polanyi (zie Tom Kayzel in dNBg 2017#5), voor wie de markteconomie altijd in een bredere maatschappelijke orde ingebed moet zijn om te kunnen functioneren, meent Fraser dus dat het belangrijk is om de kapitalistische economie in haar omgeving te beschouwen. Alleen dan wordt de destabiliserende werking van het kapitalisme zichtbaar, want die economie vreet in haar uitbreidingsdrang langzaam maar zeker haar eigen mogelijkheidsvoorwaarden op, met alle crises van dien. Dat klinkt misschien abstract, maar de manier waarop Fraser dit verhaal verder uitwerkt langs de centrale lijnen van ecologie, ‘ras’, gender en de publieke sfeer laat de urgentie ervan duidelijk zien.

De fundamenten van Frasers denken zijn niet alleen gelegd door Karl Polanyi, maar ook door die andere Karl; Marx. Net als Polanyi analyseerde Marx meer dan alleen de markt waar de arbeider zijn of haar arbeidskracht ruilt tegen een gelijke waarde in loon. Hij richt zich daarnaast op het zogeheten ‘verborgen oord van de productie’, waar geen eerlijke ruil plaatsvindt, maar de exploitatie van arbeidskracht. De arbeider produceert namelijk meer waarde dan hij of zij in loon ontvangt en creëert daarmee ‘meerwaarde’ voor de kapitaalbezitter. Marx zag in de herinvestering van deze meerwaarde een belangrijk kenmerk van het kapitalisme: de eindeloze kapitaalvermeerdering ten koste van de factor arbeid.

Belangrijk is dat deze goocheltruc zich onttrekt aan het zicht van de markt en plaatsvindt in de heimelijke buitenruimte van de productie. Frasers onderzoek is een poging om dit klassieke marxistische verhaal uit te breiden door te zoeken naar de andere verborgen zones waar de kapitalistische economie heimelijk op draait. In navolging van de ecomarxistische historisch geograaf Jason Moore richt zij zich op de letterlijke omgeving van de economie: het milieu. Net als het ecomarxisme begint Fraser vanuit de constatering dat de moderne mens geneigd is om de natuur voor te stellen als de radicale ander van de menselijke geschiedenis. Het gevolg is dat de natuur een speeltuin voor de mens is geworden, een onuitputtelijk reservoir aan grondstoffen die goedkoop in het productieproces geplugd kunnen worden. Na afloop wordt afval net zo goedkoop weer in de bossen en oceanen gedumpt. Doordat milieukosten niet volledig in de boeken verschijnen onttrekt het kapitaal een ‘ecologisch surplus’ aan het milieu. Dat systematische proces noemt Fraser onteigening. Cruciaal daarbij is dat de natuur zichzelf daardoor niet kan reproduceren: ‘Het kapitaal neemt gewoon aan dat de natuur zichzelf wel weer herstelt, maar ontneemt haar juist die mogelijkheid.’ Het leidt tot de contradictie tussen een oneindige kapitaalaccumulatie en een eindige planeet.

De destabiliserende onteigening van de natuur is bij Fraser een metafoor om de aard van het kapitalisme te doorgronden. Zo ligt er volgens haar ook een proces van onteigening (expropriation) ten grondslag aan de uitbuiting (exploitation) van arbeid – een tweede verborgen oord achter het eerste verborgen oord van de productie. Weer haakt Fraser aan bij Marx, ditmaal bij diens beschrijving van de ontstaansgeschiedenis van het kapitalisme, wat hij ‘oorspronkelijke accumulatie’ noemt. Dat was volgens Marx bepaald geen vredig proces, maar een gewelddadige onteigening die zelfvoorzienende boeren dwong hun arbeidskracht op de markt aan te bieden. In navolging van marxistische wetenschappers als David Harvey en Michael Perelman beweert Fraser dat die gewelddadige onteigening niet, zoals Marx dacht, alleen aan de wieg van het kapitalisme staat, maar tot op de dag van vandaag een voorwaarde voor de uitbuiting van formeel vrije arbeid vormt. Daarbij vult ze Marx aan door geografisch uit te zoomen en zo de plunderingen en zwarte slavenarbeid in de Europese koloniën in beeld te krijgen. Volgens Fraser werd het onderscheid tussen de onteigening van onvrije arbeid en de exploitatie van vrije arbeid lange tijd goeddeels georganiseerd op basis van ‘ras’. De goedkope arbeid van onvrije mensen van kleur produceerde de goedkope levensmiddelen die de lonen van witte, vrije arbeiders in industrieel Europa laag hielden – en daarmee de winsten hoog. ‘Behind Manchester stands Mississippi,’ Fraser haalt Jason Moore aan: zonder onteigening geen uitbuiting.

Fraser benadert deze dynamiek niet als een interessante geschiedenisles, maar ziet er een maatschappelijke logica in die ook onze eigen tijd informeert. Wat zou er bijvoorbeeld overblijven van onze op ICT gebaseerde ‘kenniseconomieën’ zonder de gewelddadige onteigening en uitbuiting van arbeiders in de lithiummijnen in Congo? Dat de raciale grens tussen onteigening en uitbuiting aan het vervagen is komt volgens Fraser enerzijds door de verplaatsing van industrie naar landen als China, Brazilië en India, maar ook door de vorming van een westers ‘precariaat’ (een portmanteau van ‘precair’ en ‘proletariaat’), een kwetsbare groep met beperkte bestaanszekerheid. Dat precariaat wordt niet alleen uitgebuit: volgens Fraser is er in politiek en economisch opzicht veeleer sprake van onteigening. Politiek gezien gaat onteigening gepaard met vormen van overheersing, zoals in dit geval de afbraak van of het gebrek aan arbeidsrechten. Economisch gezien wordt exploitatie onteigening wanneer arbeid iemand niet genoeg verdient om te kunnen overleven. Precies dat is het geval bij het precariaat: op dit moment telt ons land volgens het SCP zo’n 320.000 ‘werkende armen’ die zichzelf ondanks hun baan niet kunnen onderhouden. Bovendien heeft ruim veertig procent van de beroepsbevolking inmiddels een flexcontract of zzp-werk, waarvan een toenemend deel onvrijwillig. Gezien de omvang van het precariaat loopt de grens tussen onteigening en uitbuiting niet meer zo eenduidig langs raciale scheidslijnen. Maar, benadrukt Fraser, ‘mensen van kleur zijn vaak meer geclusterd aan de kant van onteigening terwijl witte mensen vaker aan de kant van de exploitatie zitten.’

Op deze manier weet Fraser de strijd van antiracismebewegingen te verbinden met de contestatie van de logica van het kapitaal. En hetzelfde geldt voor het feminisme. In tegenstelling tot klassieke marxisten is seksisme voor Fraser geen cultureel randfenomeen, maar ‘minstens zo structureel als de exploitatie van loonarbeid. Sterker nog: ze zijn structureel met elkaar verbonden.’ Wederom moeten we haar punt begrijpen met behulp van een cruciaal onderscheid, ditmaal tussen economische productie en sociale reproductie. Economische productie werkt tegen de achtergrond van onbetaalde reproductie: de beroepsbevolking moet immers ook worden opgevoed en verzorgd voordat die meerwaarde kan produceren. Tweedegolffeministen merkten in de jaren zeventig al op dat de grens tussen productie en reproductie sterk gegenderd is. Zij stelden dat (huis)vrouwen gratis de basis leggen voor economische productie. Meerwaarde ontstaat dus ook bij gratie van de ongeregistreerde arbeid van vrouwen. Fraser deelt deze analyse en trekt die verder door. Sociale reproductie omvat volgens haar ook alle praktijken en instituties die arbeid vormen tot wat zij is, zoals culturele instituties, vrijwilligersorganisaties en buurthuizen.

Zo belandt Fraser bij de publieke sector, die in het kapitalisme tegenover het private domein van de economie wordt geplaatst. ‘Het kapitaal profiteert van publieke goederen en diensten die het tegelijkertijd uitput omdat het weigert zorg te dragen voor het aan- en bijvullen van die goederen,’ diagnosticeert Fraser. We zouden hier kunnen denken aan Shell, dat zijn pijlen richtte op de afschaffing van de dividendbelasting (omdat het betaalt in Nederland geen cent winstbelasting). En dat terwijl Shell wel profiteert van al die publieke goederen en diensten die smoel geven aan Neerlands zo beminde vestigingsklimaat, zoals een goede infrastructuur, een betrouwbare rechtstaat en een hoogopgeleide beroepsbevolking. Investeringen in de publieke zaak blijven zo achter bij de economische groei, waardoor bedrijven als Shell uiteindelijk ook hun eigen voedingsbodem vergiftigen.

Ecologie: letterlijk en figuurlijk
Het is de crux van Frasers kapitalismekritiek: de economie vreet haar eigen mogelijkheidsvoorwaarden op en stort zichzelf zo in allerlei crises. Frasers kritische theorie breekt met denkers die het kapitalisme als een totalitair systeem beschouwden, zoals haar voorgangers binnen de Frankfurter Schule. Door de aandacht naar de omgeving of het milieu van de kapitalistische economie te verleggen kan zij de noodzakelijke maar complexe verhoudingen tussen beide domeinen onderzoeken. Economie moet dus worden aangevuld met ecologie – letterlijk en figuurlijk. We zouden Frasers denken daarom een ecologische analyse van het kapitalisme kunnen noemen.

Zo’n analyse past bij onze tijd, niet in de laatste plaats omdat een ecologische catastrofe ons land letterlijk dreigt te overspoelen, maar ook omdat het hedendaagse neoliberaal kapitalisme zelf gefascineerd is geraakt met zijn eigen figuurlijke omgevingen. In tegenstelling tot het laissez faireliberalisme erkent het neoliberalisme bijvoorbeeld dat de markt nooit totalitair kan worden, maar altijd moet worden onderhouden en aangejaagd door een ecologische voorwaarde: de staat. De markt kan alleen uitbreiden als zijn bureaucratische milieu ook uitbreidt. Het is een eerste voorbeeld van de relevantie van een bredere, fraseriaanse ecologische analyse.

Daarnaast biedt Frasers analyse ook een verhelderend kader om hedendaagse vormen van werk te begrijpen. Sinds de jaren zeventig is het productieproces namelijk ingrijpend veranderd. Vóór die transformatie was werk doorgaans strak georganiseerd volgens het zogenaamde tayloristische wetenschappelijk management. Daarin werd het arbeidsproces opgeknipt in kleine hiërarchisch georganiseerde taken die gestandaardiseerd werden uitgevoerd. Werkte je in een staalfabriek, dan kreeg je een standaardschep met gedetailleerde instructies om ‘wetenschappelijk te scheppen’. De arbeider werd een radertje in de machine. Het verzet van de arbeidersbeweging daartegen bereikte haar hoogtepunt in mei ’68 en was gericht op het realiseren van meer autonomie, zeggenschap en creativiteit op de werkvloer. De Franse sociologen Luc Boltanski en Eve Chiapello noemden dit protest daarom treffend een ‘artistieke kritiek’. Een fascinerend voorbeeld hiervan is de zogenoemde ‘witte staking’ of stiptheidsactie, waarbij arbeiders hun instructies tot op de letter en de seconde opvolgden. Ironisch genoeg blijkt een organisatie volledig in te storten als iedereen precies doet wat hem of haar wordt opgedragen. Hier dient het ecologische motief van Fraser zich weer aan: het officiële, ‘wetenschappelijke’ arbeidsproces blijkt heimelijk te draaien op allerlei ongeregistreerde factoren zoals de impliciete kennis en het improvisatievermogen van werknemers.

Vanaf de jaren zeventig voelde het bedrijfsleven zich genoodzaakt te reageren op deze protesten en probeerde het tegelijkertijd lessen te trekken uit de witte stakingen. Langzaam maar zeker kwamen de waarden van de artistieke kritiek centraal te staan op de werkvloer. In de hedendaagse managementliteratuur worden bedrijven bijvoorbeeld aangespoord hun werknemers te behandelen als een soort kunstenaars die hun passie, creativiteit en inventiviteit in hun werk kwijt moeten kunnen. Sociaal filosoof en ecomarxist André Gorz vat deze transitie in het kapitalisme daarom zo samen: ‘De totale en volstrekt repressieve overheersing van de persoonlijkheid van de arbeider moest worden vervangen door de totale mobilisatie van die persoonlijkheid.’ Anders gezegd: je persoonlijkheid als verborgen oord van meerwaardecreatie.

Het leidde tot een interessante herijking van managementpraktijken. Want hoe organiseer je creativiteit? Hoe manage je autonomie? Anders gezegd, hoe kan er zo veel mogelijk meerwaarde aan een persoonlijkheid onttrokken worden? Het probleem is dat je de begeerde artistieke deugden teniet doet wanneer je ze in vaste regels probeert te vangen. Wat gestileerd gezegd werd het tayloristische systeem van nauwgezette protocollen daarom vervangen door een simpele slagzin: ‘Wees spontaan!’ In die regel schuilt een paradox, want ben je spontaan, dan volg je slechts de regel; je moet de regel dus juist breken om hem op te kunnen volgen. Het artistieke protest wordt zo in productiviteit en meerwaarde omgezet. Alle bronnen die de witte staking aan het licht bracht worden benut.

In het neoliberaal kapitalisme word je daarom niet alleen meer aangespoord om je arbeidskracht te verkopen, maar om je hele persoonlijkheid, je human capital te ontwikkelen door middel van een ‘leven lang leren’. Je dient een ‘ondernemer van het zelf’ te worden, de baas van je eigen ‘BV Ik’ die 24/7 aan het werk is. Dat begint al bij je studie, die inmiddels geen onderdeel meer is van de publieke zaak maar een ‘investering in jezelf’. Daarna krijg je een onbetaalde stage voor je ‘eigen ontwikkeling’ of kun je wat klussen als zzp’er. Mocht je in loondienst zijn, dan ziet je leidinggevende graag de assertieve houding van een ‘entreployee’ of ‘intrapreneur’. Het zijn allemaal fenomenen en leuzen die de factor arbeid moeten stimuleren om waarde te creëren buiten het officiële werk.

Deze nadruk op al deze ongeregistreerde en zelfs onzichtbare arbeid zorgt daarmee voor een loskoppeling tussen het arbeidscontract en de exploitatie van arbeid: arbeid is meer dan alleen loonarbeid. Dat is geen stil proces, maar een expliciete zoektocht naar nieuwe ‘verborgen oorden’ van meerwaardecreatie – bijvoorbeeld de oorden van ongecodificeerde spontaniteit en gecultiveerde persoonlijkheid. De exploitatie van arbeid wordt, anders gezegd, uitgesproken ecologisch. Dat is interessant omdat voor Fraser de kapitalistische economie altijd zijn buitenkanten moet ontkennen (disavowal): de goocheltruc moet geheim blijven, het oord verborgen. Het unieke kenmerk van de neoliberale ideologie lijkt nu juist te zijn dat zij haar strategieën op tafel legt, een brutaal soort hiding in public.

Van crisis naar kritiek
Deze ecologische wende in het kapitalisme heeft belangrijke consequenties. Door allerlei nieuwe verborgen oorden in het productieproces aan te spreken kunnen er namelijk nieuwe vormen van gratis arbeid aangewend worden. De feministische analyse van sociale reproductie als onbetaalde arbeid krijgt daarmee een extra hedendaagse relevantie. Want net als de grens tussen exploitatie en onteigening is nu ook die tussen economische productie en sociale reproductie aan het vervagen. Een steeds groter deel van de waardecreatie vindt plaats buiten de officiële werktijd. Dat is een belangrijke ontwikkeling, omdat deze grenzen respectievelijk langs ras en gender lopen en daarmee de beroepsbevolking opdelen in groepen met verschillende belangen. Volgens Fraser biedt deze ontwikkeling dan ook perspectief: ‘Er is nu een kans voor mensen die voorheen tegen elkaar opgezet werden om in te zien dat ze in hetzelfde schuitje zitten.’

Tegelijkertijd wil dat natuurlijk niet zeggen dat ras en gender niet meer ter zake doen in onze samenleving. Racisme en seksisme zijn net zo structureel als klimaatverandering en belastingontduiking omdat ze allemaal een organiserende rol spelen in het mondiaal kapitalisme. En hoewel het van belang is om te beseffen dat die twee vormen van discriminatie ons niet allemaal op dezelfde manier treffen, is het minstens zo belangrijk om te benadrukken dat we allemaal belang hebben bij de bestrijding ervan. Een volledige analyse van het kapitalisme kan niet zonder deze vaststelling – zowel op theoretisch als op praktisch vlak.

Die positie stuit nogal eens op kritiek van klassieker ingestelde politiek economen. Volgens UvA-hoogleraar Ewald Engelen is een antikapitalisme dat zich ook met gender en ‘ras’ bezighoudt een strategische vergissing: het zou de arbeidersklasse alleen maar verder verdelen. ‘Het is klasse, suffie, niet identiteit!,’ werpt hij tegen. In zijn kritieken houdt hijzelf het daarom bij de boekhoudingen van Shell en Unilever en bij ecologische catastrofes en dierenleed. Dat is opmerkelijk, omdat klimaatrampen ook niet iedereen gelijkelijk raken, maar een onevenredige impact hebben op lagere klassen en, jawel, geracialiseerde minderheden. Zoals zijn collega-geograaf David Harvey zegt: ‘There is nothing “natural” about a natural disaster.’ Ook treft de bio-industrie het lot van biggen zwaarder dan dat van mensen, maar dat is voor Engelen juist reden om solidariteit tussen mens en dier aan te wakkeren door te laten zien dat de bio-industrie onderdeel is van een breder proces van milieuvervuiling en kapitalistisch winstbejag. Waarom deze verbredende en verbindende strategie tegen ‘speciësisme’ en dierenleed niet mag worden uitgebreid naar racisme en seksisme is niet duidelijk.

Waar Engelen en Fraser wel op één lijn zitten is in hun beklag over de afwezigheid van een grondige kapitalismekritiek in het publieke debat – al is die in Amerika nu langzaam en voorzichtig aan het terugkeren. De kritiek van de politieke economie staat sinds de neoliberale wende van links in de jaren negentig op een laag pitje. Het is jammer dat de aandacht voor identiteitspolitieke issues als Zwarte Piet en #MeToo de schuld krijgt van het gebrek aan aandacht voor een omvattende en radicale kritiek van de politieke economie. Tegelijkertijd snapt Fraser dit misverstand, aangezien de afwezigheid van kapitalismekritiek en de aanwezigheid van identiteitspolitiek historisch steeds vaker samen zijn gegaan. Op die manier is er volgens Fraser een ‘progressief neoliberalisme’ ontstaan, een nare cocktail van politiek-economische regressie onder de vlag van culturele vooruitgang. Zij duidt dit ontstaan aan de hand van een interessante driehoek van emancipatie, sociale bescherming en marktuitbreiding. Werden in de sociaaldemocratie sociale bescherming en vrije markten verenigd ten koste van emancipatie, zo is in de neoliberale fase de sociale bescherming opgeofferd voor emancipatie en marktwerking.

‘In het neoliberalisme vinden we een perverse alliantie van marktuitbreiding en bepaalde vormen van emancipatie, zoals bijvoorbeeld liberaal feminisme en “groen kapitalisme”-scenario’s,’ stelt Fraser. Een helder voorbeeld daarvan is het lean in-feminisme van Facebook-COO Sheryl Sandberg, dat vrouwen individueel aanspoort om zich zo soepel mogelijk door hun carrières te manoeuvreren in plaats van te focussen op de structurele barrières die hen als groep dwarsbomen. Het individualiseert daarmee collectieve problemen en laat de structurele oorzaken ongemoeid. Diversiteit betekent in dit kader vooral de insluiting van minderheden in de kapitalistische ratrace naar de top van de exploitatieladder. In Nederland vormt D66 de belichaming van dit progressieve neoliberalisme, maar ook de sociaalliberale koers van GroenLinks onder Femke Halsema past in deze traditie. Onder Jesse Klaver, en met name onder Rutger Groot Wassink en Femke Roosma in Amsterdam, ontworstelt GroenLinks zich weer langzaam aan deze ideologie.

Een fascinerende toevoeging van Fraser is dat er een groep bestaat die door de opkomst van het progressief neoliberalisme zowel op cultureel als op economisch vlak aan het kortste eind trekt: de verongelijkte kiezers van radicaal-rechts. Om deze groep weer aan te spreken moeten we daarom volgens Fraser voor ‘de derde optie gaan, die vooralsnog niet geprobeerd is, namelijk de verbinding van emancipatie en sociale geborgenheid tégen marktwerking’. Dat vereist dat het democratische collectief de macht van het kapitaal breekt om de welvaart uit onze arbeid ten bate te laten komen van mens, dier en milieu. Fraser stelt daarom: ‘Wat “socialisme” verder ook moge betekenen, het moet de collectieve, democratische bestemming van het sociale overschot behelzen.’

Een progressieve politiek zal dus een krachtige economische agenda, de emancipatie van minderheden en de bescherming van het milieu met elkaar moeten verbinden. Die verbinding is nu precies wat Fraser verstaat onder kapitalismekritiek. Al deze thema’s wijzen op de verschillende maar verweven verborgen oorden waaraan het kapitaal onvermoeibaar meerwaarde onttrekt. Het is daarom te hopen dat het werkelijke taboe van onze tijd snel definitief wordt geslecht en een grondige kapitalismekritiek zich weer naar het hart van ons publieke debat zal bewegen. Dat brengt, zoals Fraser het bescheiden en open formuleert, ‘misschien geen volledig idee voor een oplossing, maar wel een diagnose van het probleem en een glimp van hoe we moeten nadenken over welke krachten we politiek bij elkaar moeten brengen’.