‘Talking shit in skinny columns’, een gesprek met Eileen Myles
🖋 Dagmar Bosma en Tessel Veneboer


Eileen Myles zou als queer dichter uit een arbeidersgezin nooit als ‘echte’ Amerikaan worden gezien. Reden genoeg om zich in 1991 bij wijze van performance kandidaat te stellen voor het presidentschap. Inmiddels is Myles zo beroemd dat er een personage uit de populaire HBO-serie Transparent op hen werd gebaseerd. Dagmar Bosma en Tessel Veneboer spraken met de experimentele schrijver over de poëzie van het alledaagse, proza dat zich aan alle conventies onttrekt en over de politiek die daarin nooit ver weg is.


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Eileen Myles, Afterglow (a Dog Memoir) (Grove Press 2017), 224 blz.
Eileen Myles, Evolution: Poems (Grove Press 2018), 222 blz.

Niet slecht voor een dichter: een hardcover dichtbundel van tweehonderd pagina’s (Evolution, 2018), vier Lambda Awards (uitgereikt aan literaire werken rondom LHBT-thema’s), een personage in de populaire HBO-serie Transparent en ruim 25,000 volgers op Instagram. Eileen Myles (1949) – dichter, romanschrijver, performancekunstenaar – is populairder dan ooit. Hen – Eileen is non-binair en gebruikt de voornaamwoorden hen of hun – verwierf lokale bekendheid in de New Yorkse poëziewereld, maar wordt tegenwoordig gerekend tot het handjevol dichters dat zichzelf – ook internationaal – beroemd kan noemen.

Afgelopen juni ontmoetten we Eileen tijdens hun eerste bezoek aan Amsterdam ter gelegenheid van de boekpresentatie van Evolution bij Perdu, podium voor poëzie en experiment. We spraken met hen over hun coming-of-age als dichter, de nieuwe bundel en de plaats van poëzie in een publieke en gedigitaliseerde sfeer. Op 14 september is Eileen Myles in Brussel te gast bij internationaal literatuurhuis Passa Porta.

Eileen Myles, Chelsea Girls (Serpent’s Tail  2016), 274 blz.
Eileen Myles, Chelsea Girls (vert. Evi Hoste) (Lebowski 2017), 256 blz.

Poëzie van het alledaagse
De poëzie van Eileen Myles is een verkenning van het poëtische potentieel van alledaagsheid. Ook in hun laatste bundel, Evolution, bekijkt Myles de toevallige ervaringen van alledag met een vergrootglas en verheft ze tot poëzie. Myles richt zich op details als de blik van een medepassagier in de metro, een irritatie over het instellen van lettertypes in Word of juist het comfort van een bepaalde zithouding: ‘my arm rests / on a pillow & / that feels / pretty good.’ In het gedicht ‘Our Happiness’ veroorzaakt een doodgewone kop koffie een haast transcendente ervaring: ‘we sat on a stoop / one day in the / late afternoon / we had very little / money. Enough for / a strong cappuccino / which we shared / sitting there & / suddenly the / city was lit.’ Tegelijkertijd is het lichamelijke altijd aanwezig in Myles’ poëzie: in hun gedichten wordt het schrijfproces naar voren gebracht, inclusief de manier waarop het lichaam dat schrijven mogelijk maakt (of juist dwarszit). Een van Myles’ bekendste gedichten, ‘Peanut Butter’, begint bijvoorbeeld met de volgende stand van zaken: ‘I am always hungry / & wanting to have sex.’ Poëzie lijkt Myles een ruimte te bieden waarin verlangens onbelemmerd tot uiting kunnen komen – waarin er geen onderscheid bestaat tussen het uitdrukken van die verlangens en het schrijven van poëzie. De stijl van Myles’ poëzie is herkenbaar: de gedichten bestaan altijd uit lange maar smalle kolommen met drie of vier woorden per regel. Myles’ poëzie leest daardoor gefragmenteerd en heeft een hoog tempo – het is alsof je als lezer in het voetspoor van de dichter een stadswandeling maakt.

[DB & TV] De titel van je laatste bundel is Evolution. Over jouw eigen evolutie als dichter schrijf je op je website dat je in 1974 van Boston naar New York vertrok met het doel dichter te worden. Wat maakte New York tot de uitverkoren plek om je dichterschap te ontwikkelen?

[EM] Toen ik opgroeide in het parochiale en onbeduidende Boston leek het alsof de echte wereld zich in New York bevond: alles wat ik op televisie zag was daar. In de wereld zijn betekende in New York zijn. Wat je ook bezighield, in New York was er een overvloed aan. Toen ik net van college kwam heerste de overtuiging dat je naar graduate school moest om vooruit te komen, maar omdat er op dat moment zo ontzettend veel in New York gebeurde kon ik voor mijn gevoel beter van dat gebaande pad afwijken om dichter te kunnen worden. Dat doel had ik heel duidelijk voor ogen, al had ik eigenlijk pas net ontdekt dat wat ik deed poëzie was – dat de dingen die ik stiekem tijdens kantooruren op mijn werk schreef goede gedichten waren.

[DB & TV] Hoe was het om als jonge dichter de New Yorkse poëzie-scene te betreden?

[EM] Toen ik als jonge twintiger in New York aankwam kon je op de achterzijde van The Village Voice, een alternatieve tabloidkrant die wekelijks verscheen, een overzicht vinden van alle poëzie-evenementen in de stad. De scene was zo opgezet dat je als beginnende dichter een rondgang moest maken langs allerlei merkwaardige open podia om voordrachten te geven. Ik begreep al gauw dat ik met rare types op moest trekken om dichter te kunnen worden. Rond mijn tweede jaar in New York begon ik me rond St. Mark’s Church te bewegen, waar een van de meest experimentele poëziekringen gevestigd was. Het binnentreden van die scene was nogal een warholeske ervaring, bijna alsof je een filmset opkwam. Het was geweldig hoe snel je mensen daar kon leren kennen, simpelweg door samen rond te hangen en naar voordrachten te gaan: binnen een mum van tijd was ik uitgenodigd voor een feestje in het appartement van Allen Ginsberg. Op een gegeven moment erkenden de oudere en gevestigde dichters binnen de scene me en hebben zij mij een beetje op weg geholpen. Niet zo erg als ze gedaan zouden hebben als ik een jonge man was geweest natuurlijk, dan waren het bundels geweest, niet een gepubliceerd gedicht hier en daar.

Small notebooks, babe
Eileen Myles kwam in New York – naar eigen zeggen – in één keer uit de kast als lesbienne en als dichter. Hen werd deel van een informele groep van dichters en kunstenaars: de New York School. Met haar toegankelijke poëzie zette deze groep zich af tegen het idee dat poëzie abstract moet zijn of een universele ervaring moet overbrengen. In plaats daarvan legden de dichters van de New York School zich toe op het lichamelijke en het banale: roddels, gesprekken met vrienden en geliefden, observaties van het dagelijkse leven in de stad, vormden de materie van hun poëzie. Hun stijl was conversationeel, humoristisch en spontaan. De New York School bestond voornamelijk uit mannelijke dichters en kunstenaars – Frank O’Hara, James Schuyler en John Ashbery vormden de kern. Myles, die zich als twintiger aansloot bij dit groepje mannen van in de vijftig, vormde hierop als jonge vrouw een uitzondering.

[DB & TV] Je betrad de New Yorkse scene niet alleen als jonge dichter, maar natuurlijk ook als een jonge vrouw die haar niet-normatieve seksualiteit aan het ontdekken was.

[EM] Ja, maar de dichters die mij in die beginperiode onder hun hoede namen waren allemaal mannen. Ze adviseerden me een veilige afstand te houden van feministische en lesbische schrijvers vanwege hun ‘agenda’ – wat zij schreven zou geen ‘echte’ poëzie zijn. Er werd in die tijd, zeker ook binnen die progressieve kringen, nog heel veel vrouwelijke en queer content weggefilterd. Zo werd ronduit ontkend dat Gertrude Steins werk Tender Buttons lesbische thema’s bevatte, en zaten ook veel mannelijke kunstenaars en dichters zoals John Cage en John Ashbery nog diep in de kast.

[DB & TV] Hoe heeft de New York School jouw poëzie gevormd en beïnvloed?

[EM] In de jaren vijftig en zestig was de toonaangevende bloemlezing The New American Poetry Anthology, waarin veel werk van dichters van de New York School samengebracht werd. De bloemlezing onderzocht de poëtische kwaliteit van Amerikaans-Engels en opende deuren naar het gebruik van spreektaal en improvisatie. Amerika begon eindelijk door te krijgen dat de oorspronkelijke Amerikaanse kunstenaar zwart en jazz is. We zitten nog steeds midden in dit bewustwordingsproces en beginnen langzaamaan te erkennen hoezeer de Amerikaanse kunst en cultuur gevormd zijn door blackness. In zekere zin maakten de New York School, het Black Mountain College en de Beat Generation, al die vroege Amerikaanse scholen, allemaal datzelfde punt: poëtische taal staat niet op zichzelf, ze is verbonden met verschillende disciplines en kan geuit worden in verschillende vormen. Ik vond een thuis in die wereld, waarin vooropstond dat schrijven niet thuishoort in de academie, maar een gemeenschappelijke praktijk is die bestaat in verwevenheid met andere kunsten en cultuur.

[DB & TV] Je poëzie wordt door de schrijver Dennis Cooper omschreven als ‘talking shit in skinny columns’. Hoe heb je deze schrijfstijl – het snelle tempo, de minimale interpunctie en de smalle kolommen – ontwikkeld? Ontstond die stijl op natuurlijke wijze?

[EM] Een groot deel van die stijlelementen komt voort uit praktische overwegingen; zo draag ik altijd kleine notitieboekjes bij me waarin slechts ruimte is voor dichtregels van twee of drie woorden. Ik heb deze gewoonte overgenomen van James Schuyler, een bevriende dichter en kunstrecensent die ik destijds assisteerde. ‘Small notebooks, babe,’ was de verklaring die hij gaf toen ik hem vroeg waarom zijn gedichten er zo uitzagen als ze deden. Ik lees mijn gedichten zelf in een persoonlijk ritme dat verbonden is met de inhoud, maar de smalle kolommen zijn een visuele manier om ervoor te zorgen dat de tekst met een bepaalde snelheid wordt opgenomen. In traditionele poëzie wordt de tekst een ritme opgelegd dat heel anders is dan de manier waarop we spreken – elk woord wordt benadrukt alsof het heel gewichtig is. Ik denk dat dit verklaart waarom poëzie bij velen in eerste instantie afgunst opwekt: hoe kan iets van belang in godsnaam overgebracht worden in een stijl die dicteert dat we braaf moeten luisteren, moeten stoppen met denken, moeten stoppen met het hebben van een lichaam, moeten stoppen met ademen?

Spreektaal en de working class
[DB & TV] Naast praktische overwegingen is je schrijven dus ook gevormd door de overtuiging dat poëzie toegankelijk moet zijn. Je identificeert jezelf als een working class-dichter, op welke manier heeft deze achtergrond je verhouding tot spreektaal gevormd?

[EM] Allebei mijn ouders waren kinderen van immigranten: mijn vader had een Ierse en mijn moeder een Poolse achtergrond. Mijn moeder werd geboren in de Verenigde Staten, maar haar eerste taal was Pools. Ze was zich erg bewust van de manier waarop ze Engels sprak, had nooit een taalcursus gevolgd maar sprak toch vloeiend Engels en werkte als secretaresse. Ze gebruikte typisch Amerikaanse uitdrukkingen zoals ‘kiddo’ – van die sexy Amerikaanse slang. Dat was hoe ze haar Amerikaanse identiteit benadrukte, al had ze het accent niet helemaal onder de knie. Ik moet zeggen dat ik niet echt een standaard working classachtergrond heb: mijn familie viel ergens tussen de arbeidersklasse en de lagere middenklasse. We hielden van lezen en bezochten samen tentoonstellingen. Mijn vader was postbode bij Harvard en daardoor bekend met alle musea in de buurt. Je zou kunnen zeggen dat we een gekrenkt intellectueel gezin waren – mijn ouders bestemd voor hogere doelen die ze maar niet konden bereiken. Onze buren daarentegen waren een ‘echt’ arbeidersgezin: ze waren luidruchtig, maakten schreeuwend ruzie op de oprit, hadden een bende blaffende honden. Ondertussen probeerden wij, het ‘beschaafde’ gezin, het alcoholprobleem van mijn vader stil te houden. Van die buren heb ik als puber veel overgenomen. Tegen de tijd dat ik naar de universiteit ging sprak ik zo’n vijf verschillende soorten Engels.

[DB & TV] Je schakelde steeds tussen verschillende uitdrukkingsvormen?

[EM] Ik denk dat we dat eigenlijk allemaal constant doen. Toen ik in New York aankwam begon ik in mijn poëzie te schakelen tussen verschillende uitdrukkingsvormen of codes – ‘code-switching’ heet dat ook wel. Dit heeft de deur naar mijn werk voor velen geopend, maar voor sommigen ook zeker gesloten. De gedragscode voor witheid in de VS is ontzettend middle class. Ik dacht altijd dat ik onmogelijk zo zou kunnen spreken – het zou ongeloofwaardig zijn. Ik besloot dat ik als dichter maar gewoon als mezelf moest klinken. Mijn verkenning van het klasseprobleem in poëzie heeft zich voor een groot deel binnen het domein van de voordracht afgespeeld. Nu zeggen veel mensen tegen me dat ik voor hen de eerste dichter ben die ‘als een persoon’ voordraagt en dat mijn poëzie hen niet vervreemdt. Dan denk ik, waarom zou je in godsnaam willen dat je kunstvorm vervreemdend is?

Hondenproza
Eileen Myles beschouwt zichzelf allereerst als dichter, maar is tevens een scherpe prozaschrijver. Hun prozawerken zijn vaak autobiografisch en onttrekken zich aan genres en romanconventies. Chelsea Girls (2015) bijvoorbeeld wordt gepresenteerd als een roman, maar is in feite een non-fictiewerk: in het boek wordt een samenraapsel van herinneringen zonder enige duiding aan de lezer voorgelegd. Ook Myles’ laatste prozawerk kan niet echt een roman genoemd worden. Afterglow (a Dog Memoir) (2017) is wederom autobiografisch: het boek beschrijft de relatie tussen de schrijver en hun hond, maar de vertelstem in het boek is van de hond Rosie, niet van de schrijver Eileen.

[DB & TV] In je proza schakel je niet alleen tussen verschillende codes maar gebruik je ook verschillende genres. Hoe ben je tot deze hybride prozaïsche stijl gekomen?

[EM] Toen ik eenmaal doorhad dat wat ik schreef poëzie was, was het gemakkelijk deze weg te blijven volgen. Een gedicht maakte ik daadwerkelijk af, maar het lukte me niet om een hele roman uit te denken. Ik schreef op een dag vijf of tien pagina’s waar ik tevreden mee was, maar als ik de volgende dag achter de schrijftafel ging zitten was ik niet meer dezelfde persoon als gisteren. Ik heb op school nooit geleerd hoe je een degelijk essay opstelt en kon simpelweg niks coherents schrijven – maar wat het ook precies was dat ik wel schreef, het werkte. Ik begon mijn schrijven eerder als een soort visueel hulpmiddel te zien waarmee ik momenten kon ‘downloaden’ en vastleggen. De inventarisatie van momenten die zo ontstond, verwerkte ik vervolgens tot een boek. Mijn boeken strekken zich uit in de tijd, als een soort accordeons. Chelsea Girls kostte me bijvoorbeeld veertien jaar om te schrijven, Afterglow tien jaar.

[DB & TV] Waarom gebruik je zo’n experimentele en gefragmenteerde methode om over je eigen leven te schrijven?

[EM] Ik kan me geen andere manier voorstellen. De gedachte van een conventionele roman blokkeert me volledig, ik denk gewoon niet in termen van een plot of personages. De personages in mijn leven zijn niet stabiel en ook ikzelf ben dat zeker niet. Ik schrijf een boek in golven van tien of twintig pagina’s. Tussen die golven wacht ik af, terwijl het materiaal langzaam accumuleert. Wanneer ik verder werk aan een tekst vanuit de gedachte ‘wat gebeurt er nu?’ wordt het alleen maar een zooitje. De flow van het schrijven is voor mij nooit narratief of lineair. Het is alsof ik een collage maak van gevonden materiaal, terwijl ik dat materiaal zelf heb gegenereerd. Vaak hadden teksten niet die nadrukkelijke bestemming in een boek te eindigen, maar vonden ze daar toch een plek. Toen ik midden in het schrijfproces van Afterglow zat, stierf mijn hond Rosie, over wie het boek gaat. Ik had ongeveer vijftig pagina’s geschreven en ik wist voorbij dat punt niet hoe ik verder moest. Ik geloof dat je in een schrijverscarrière eigenlijk vaak hetzelfde proces doorloopt als in een schrijfworkshop: je hebt aanzetten nodig om te schrijven en moet jezelf steeds weer nieuwe opdrachten geven. Toen Rosie stierf bleef ik achter met een doos vol spullen (haar halsband, een waterbak), die ik stuk voor stuk ben gaan beschrijven als in een catalogus. Mijn volgende uitdaging is om binnen één jaar een enorm dik boek te schrijven.

A dyke for president
In 1991 stelde Eileen Myles zich kandidaat als president van de Verenigde Staten. Als eerste ‘openly female’-kandidaat kreeg de dichter veel aandacht. Hen tourde door de Verenigde Staten en stelde daarmee de bestaande ideeën over wie president kan zijn ter discussie. Myles’ ambities om president te worden zijn nooit verwezenlijkt, maar hun kandidaatschap verkreeg een belangrijke symbolische waarde en heeft aan relevantie nog steeds niet ingeboet. Met hun verkiezingscampagne inspireerde Myles het op het internet wijdverspreide gedicht ‘I want a dyke for president’ (1992), waarin kunstenaar Zoe Leonard zich een president voorstelt die aids heeft, lesbisch is en voor de verandering een keer niet rijk is. Ook in Evolution gaat Myles het gesprek aan met de Amerikaanse politiek. Hierin is een zogenaamde ‘Acceptance Speech’ opgenomen waarin Myles, ruim vijfentwintig jaar na hun campagne, eindelijk het presidentschap aanneemt. Als president doet Myles gewaagde beloftes: hen zal elke dag een gedicht schrijven voor het volk en belooft het Witte Huis te zullen inzetten als daklozenopvang.

[DB & TV] Het thema van je kandidaatstelling als president van de Verenigde Staten in 1991 komt in je oeuvre vaak terug. Je fantaseert duidelijk graag over het gegeven van de dichter als president, zoals in ‘An American Poem’ uit je vroege bundel Not Me, maar ook in de ‘Acceptance Speech’ in Evolution. Je zou kunnen zeggen dat de dichter, en zeker de queer dichter met een arbeidersachtergrond, een prototypische outsider is. Hoe stel je je de dichter als publiek persoon voor?

[EM] Ik denk dat de outsiderkandidaat altijd belangrijk geweest is in de Amerikaanse politiek. In de tijd dat ik me verkiesbaar stelde was er zoveel gaande, zoals de aidsepidemie. Er was weinig waardering voor kunst en er was absoluut geen sprake van dat een queer persoon als ik toegang zou hebben tot de regering. Mij werd als volwassen staatsburger op zoveel manieren duidelijk gemaakt dat ik geen ‘echte’ Amerikaan zou zijn. Ik was aan het uitvogelen hoe ik politiek in mijn werk naar voren kon laten komen en begon publiekelijk over mijn ervaringen als queer vrouw te spreken. Op een gegeven moment kwam ik erachter dat iedereen zich vanaf vijfendertig jaar of ouder verkiesbaar mag stellen – met mijn veertig jaar kon ik me registreren als presidentskandidaat. Ik startte een performatieve verkiezingscampagne – mijn kandidaatstelling was vooral symbolisch – en tourde met mijn gedichten en speeches door achtentwintig staten. Mijn loopbaan als presidentskandidaat was veel succesvoller dan mijn carrière als dichter!

An American Poem

I was born in Boston in
1949 I never wanted
this fact to be known, in
fact I’ve spent the better
half of my adult life
trying to sweep my early
years under the carpet
and have a life that
was clearly just mine
and independent of
the historic fate of
my family. Can you
imagine what it was
like to be one of them,
to be built like them,
to talk like them
to have the benefits
of being born into such
a wealthy and powerful
American family. I went
to the best schools,
had all kinds of tutors
and trainers, traveled
widely, met the famous,
the controversial, and
the not-so-admirable
and I knew from
a very early age that
if there were ever any
possibility of escaping
the collective fate of this famous
Boston family I would
take that route and
I have. I hopped
on an Amtrak to New
York in the early

began. I thought
Well I’ll be a poet.
What could be more
foolish and obscure.
I became a lesbian.
Every woman in my
family looks like
a dyke but it’s really
stepping off the flag
when you become one.
While holding this ignominious
pose I have seen and
I have learned and
I am beginning to think
there is no escaping
history. A woman I
am currently having
an affair with said
you know you look
like a Kennedy. I felt
the blood rising in my
cheeks. People have
always laughed at
my Boston accent
confusing “large” for
“lodge,” “party”
for “potty.” But
when this unsuspecting
woman invoked for
the first time my
family name
I knew the jig
was up. Yes, I am,
I am a Kennedy.
[…]

Fragment uit ‘An American Poem’ van Eileen Myles, uit de bundel Not Me, Semiotext(e) 1991. Afgedrukt met toestemming van Eileen Myles.

[DB & TV] Waarom schreef je na al die tijd een overwinningstoespraak en nam je die op in Evolution?

[EM] Een paar dagen voor de Amerikaanse verkiezingsuitslag in 2016 werd er een viering van Zoe Leonards gedicht ‘I want a dyke for a president’ georganiseerd, en ze nodigde me uit hier iets mee te doen. Dus besloot ik mijn presidentschap simpelweg te accepteren. De speech is opgenomen in Evolution omdat de bundel door en door politiek van aard is en omdat ik ervan houd het conventionele idee van een poëziebundel te ontwrichten.

Instagramdichter
In Evolution onderzoekt Eileen Myles de ervaring van het alledaagse maar ook de verwevenheid van technologie met onze dagelijkse ervaringen en met het schrijven van poëzie. De bundel kan als een tweeluik gelezen worden met Myles’ ‘Instagramproject’: met hun populaire Instagrampagina probeert Myles lezers poëzie te laten ervaren via een ander medium dan de papieren pagina. Foto’s van langgerekte schaduwen, graffiti en de New Yorkse metro worden hier voorzien van observationele captions en versterken het gevoel als lezer aanwezig te zijn bij Myles’ wandelingen met de hond en andere stedelijke slentertochten. Evolution refereert expliciet naar de Instagrampagina, met als omslag een wazige foto van een onopgemaakt bed en een scheve bathroom selfie als auteursfoto.

[DB & TV] Een andere manier waarop je literaire conventies ontwricht is door het gebruik van Instagram als poëtisch instrument.

[EM] Ik denk dat deze poëtische vormen tegelijkertijd tot uitdrukking kwamen. Ik ben me altijd bewust van de relatie tussen mijn poëzie en de technologie die ik gebruik. Evolution had in principe geïllustreerd kunnen worden met de foto’s in mijn feed. Ik mocht er slechts een paar instoppen, maar die visuele en tekstuele elementen stonden steeds erg met elkaar in verband.

[DB & TV] Op welke manier beïnvloedt technologie je schrijven? Heeft het dagelijkse gebruik van Instagram of Twitter een effect op je werk?

[EM] Ik geloof dat het gebruik van de smartphone ons opnieuw poëtiseert: we zijn gereduceerd tot tekst – tekst die kort is en uit een soort strofen bestaat. Afbeeldingen maken vaak onderdeel uit van hetzelfde vluchtige discours. De smartphone heeft dus zeker bijgedragen aan de hernieuwde populariteit van poëzie vandaag de dag. En het is natuurlijk niet voor het eerst dat technologie een impact op (poëtische) taal blijkt te hebben – denk bijvoorbeeld aan Frank O’Hara’s ‘Personism’-essay. Daarin beschrijft O’Hara hoe hij worstelt met een gedicht dat aan iemand geadresseerd is, en zich dan realiseert dat hij ook gewoon de telefoon zou kunnen oppakken om wat hij wil zeggen direct aan de ander mede te delen. Deze vergelijking van een gedicht met een simpel telefoontje veranderde de hele betekenis van poëzie. John Ashbery deed iets vergelijkbaars: hij stelde zich bij het schrijven van gedichten voor dat de lezer zich in dezelfde kamer als hij bevond, waardoor er niet verwezen hoefde te worden naar externe betekenisgevers, maar hij de lezer in plaats daarvan iets direct aan kon wijzen met ‘dat daar’ of ‘dit hier’. Eigenlijk maar een eenvoudige gedachte die toch zorgt voor een bepaalde talige intimiteit: een gedicht als een voortdurend gesprek dat zich niet tot een narratieve ruimte beperkt, maar altijd en overal aanwezig is. Ik ben geïnteresseerd in poëzie die, geschreven vanuit een digitale ruimte of een niet-digitale ruimte, de nadruk legt op het ‘hier-zijn’ van onszelf en de dingen om ons heen.

Outsider in de schijnwerpers
[DB & TV] Er is een oeuvre-overzicht gepubliceerd van je poëzie, I Must Be Living Twice (2015), en sinds de heruitgave van je autobiografische roman Chelsea Girls (2015) – die bij de oorspronkelijke uitgave in 1994 weinig weerklank vond – is er wereldwijd aandacht voor je werk ontstaan. Je bent de laatste jaren steeds beroemder geworden, misschien zelfs uitzonderlijk beroemd voor een schrijver van experimentele poëzie – een relatieve niche. Ben je ondertussen helemaal van je outsiderstatus af?

[EM] Mijn bekendheid overkwam me eigenlijk pas laat in mijn carrière, ik had het daarvoor altijd moeilijk. Als je kijkt naar de grote literaire prijzen in de Verenigde Staten ben ik nog steeds een outsider: ik kom niet eens op een mainstream longlist terecht, ik krijg uitsluitend ‘gay book awards’. Experimentele schrijvers zijn nou eenmaal succesvol op een andere manier: je kunt wel een cultstatus vergaren maar zult nooit heel veel verkopen. Ik heb mijn tijd als beginnende dichter in het New York van de jaren zeventig altijd geïdealiseerd – daar had ik totale vrijheid. Mijn generatie had de wind mee op economisch vlak: we woonden allemaal in kleine maar spotgoedkope appartementen. Ik heb tien jaar de tijd gehad om me te ontwikkelen als dichter: om te drinken, seks te hebben, nachten op te blijven en te lezen, te lezen, te lezen. Dat was de workshop van mijn leven. Toen ik vierentwintig was wilde niemand me en zat ik van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat in mijn appartement te schrijven, dagen achter elkaar. Ik moet mijn schrijfpraktijk nu ik bijna zeventig ben en in de schijnwerpers sta opnieuw leren begrijpen. Het is een geconstrueerde ruimte, anders dan die waarin ik belandde toen ik net in New York aankwam. Maar als ik ‘hier’ eenmaal ben, uit mijn werk voordraag en ermee in contact sta, dan geniet ik.