Zwampgas en godenpekel: geweld en vrijheid in Over de gekte van een vrouw
🖋 Persis Bekkering


‘Schrijvers over schrijvers’, de titel van een reeks waarin Nederlandse literair auteurs schrijven over een volgens hen Heel Goed Nederlands Boek. Persis Bekkering bespreekt Astrid Roemers Over de gekte van een vrouw, waar ze als tiener niet veel van begreep. Niet vreemd, vindt ze nu: de roman is niet alleen experimenteel, maar heeft ook een intersectionele lezing nodig.


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Essay uit dNBg 2019#5

Wat is de beste seksscène in de literatuur? Zo’n vraag voor krantenrubrieken en huisfeestjes met culturele mensen; het antwoord verraadt altijd net iets te veel over iemands voorkeuren. Iemand vroeg het me laatst toen ik er niet op voorbereid was, we stonden in een nachtclub. Kennelijk aarzelde ik te lang, want de vraagsteller draaide zich alweer naar anderen toe. Ik had willen vertellen over de eerste keer dat Noenka met haar beste vriendin Gabrielle naar bed gaat, in Over de gekte van een vrouw van Astrid Roemer. In mijn herinnering een erg opwindende scène, een grote ontlading na jaren van haren vlechten, wijn drinken, en bij elkaar in bed liggen.

De vraagsteller kwam weer bij me terug en begon over films, over die beroemde lange seksscène in Nicolas Roegs Don’t Look Now, met shots uit verschillende hoeken en via spiegels. O, dacht ik, dus zo bedoel je die vraag. Het ging hem kennelijk meer om techniek en esthetiek, de knapste seksscène, dan om wat me werkelijk opwarmde.

Astrid Roemer, Over de gekte van een vrouw (Prometheus 2016 [1982]), 221 blz. blz.
Thuis bladerde ik door de roman. De scène die ik in mijn hoofd had, die in de douche, bleek niet de eerste maar de tweede keer dat de personages met elkaar naar bed gingen, en bovendien is de beschrijving van de daad erg kort. Terwijl Gabrielle en Noenka elkaars lichaam inzepen discussiëren ze een aantal pagina’s over de vraag of ze van hun mannen willen scheiden. ‘Ik weet ook dat je zijn vrouw niet wilt zijn. Maar wat heb je goddelijke billen!’ De uiteindelijke daad wordt in één zin afgedaan. ‘Ik ging op mijn knieën staan, spreidde haar benen en vond bevestiging.’

Was dat het nou? Waarom kwam juist deze scène als eerste in me op? Literatuur is wat erotiek betreft zoveel interessanter dan film, besefte ik maar weer eens, want de lezer bedenkt er van alles omheen dat er niet staat. Films moeten trucjes uithalen om te versluieren, ze hebben spiegels en artsy camerahoeken nodig.

Geïntrigeerd begon ik weer van voor af aan. Het was precies het juiste moment om de roman weer eens te lezen: ik was veel vergeten, en wat ik er nog van wist veranderde van betekenis. Over de gekte van een vrouw is een complex, diepzinnig boek, dat bij elke lezing anders, rijker is.

Dit keer leek de hele roman één lange voorbereiding op die scène in de douche. Zelfs de meest alledaagse voorwerpen lijken in Roemers proza te trillen van spanning:

‘Appelen. Niets dan appelen, zachtroze met blanke achterwerken die alleen gedipt in zout meer deden dan dorst lessen, dieprode die aan woedende pruilmonden van oude ontevreden tantes deden denken maar des te zoeter smaakten en de kleurloze die zo lekker waren dat colonnes zwarte mieren de eindeloze weg van hun nesten naar de hoge takken aflegden om zich in hun plooi te verdringen.

De appels waren opeens allemaal rijp. Bij honderden lagen ze ’s ochtends op het donkere achtererf en ze bleven vallen, de hele dag door. Het was midden mei…’

De comeback van Astrid Roemer
Dat Astrid Roemer (1947, Paramaribo) een van de grootste Nederlandse schrijvers is werd in 2016 bevestigd door de toekenning van de P.C. Hoofdprijs. Na jaren van rondzwerven over de aarde (een opgejaagd rondzwerven, blijkt uit haar memoires) en afwezigheid uit de Nederlandse letterenarena, zorgde de prijs voor Roemers comeback. Een aantal van haar boeken zijn door uitgeverij Prometheus opnieuw uitgegeven, waaronder Over de gekte van een vrouw. Eerder dit jaar verscheen een nieuwe, grootse roman, Gebroken wit.

Hoewel Roemer vooral is geroemd om haar postkoloniale romantrilogie van eind jaren negentig, in 2016 gebundeld heruitgegeven als Onmogelijk moederland, bereikte ze het grote publiek met Over de gekte van een vrouw in 1982. Het werd een bestseller, mede dankzij een enthousiast onthaal in de feministische kringen van de tweede golf. Dat het geen gemakkelijk boek is, stond het succes niet in de weg, of misschien hielp het zelfs wel: Noenka werd een icoon van de complexiteit van de vrouwelijke subjectiviteit. Bovendien beschrijft Roemer zeer indringend de constante pogingen van de samenleving de wil van (niet-normatief levende) vrouwen te breken. Hoewel Noenka’s geest inderdaad herhaaldelijk knakt, blijft de schrijver zelf heldhaftig overeind. Zij bevrijdt zich uit benauwende kaders met proza dat vlamt en over de randen heen klotst. Karin Amatmoekrim, jurylid van de P.C. Hooft-prijs, formuleerde het exacter in De Groene Amsterdammer toen ze schreef dat Roemer ‘bijna gewelddadig datgene toe-eigent dat onontbeerlijk is voor het schrijverschap. Namelijk: vrijheid.’

‘Sterke vrouwen’
Via de associatie met de feministische beweging kwam ik met het boek in aanraking. Ik las de roman voor het eerst in de vijfde klas van het vwo, voor ‘de lijst’. Het was de bedoeling dat we een aantal romans rond een zelfgekozen thema lazen, en ik wilde iets met feminisme, wat, bladerend door een vergeelde gids van de schoolbibliotheek, uiteindelijk ‘Sterke vrouwen’ werd (een term die me nu met de ogen doet rollen: is er een speciaal genre nodig waarin vrouwen sterk zijn?). Ik herinner me van alle gelezen titels alleen nog Kristien Hemmerechts’ Veel vrouwen, af en toe een man, en dan vooral dat een van de hoofdpersonen veel masturbeerde, haar handen niet waste en de rest van de dag aan haar vingers rook. En Over de gekte van een vrouw. Niet om de seksscènes, haast ik me te zeggen, maar omdat ik er niet veel van kon maken. Wat mij betreft ging het over een vrouw die waanzinnig werd, wier waanbeelden ik, gezonde, niet kon volgen. Veel meer kon ik er niet over vertellen op het mondelinge examen.

Later, toen ik de roman opnieuw las, vond ik dat ik beter mijn best voor dat examen had moeten doen, maar nu voel ik mildheid voor mijn tienerzelf. Het was een heel eerlijk antwoord. Ik kon niet begrijpen hoe het is om een zwarte vrouw te zijn in een gekoloniseerd land. Ik kon niet zien hoe eeuwen geweld en onderdrukking een vrouw vanzelf kapotmaken.

Over de gekte van een vrouw. Een fragmentarische biografie (zoals de volledige titel luidt) begint wanneer Noenka, een onderwijzeres in Paramaribo, na negen dagen huwelijk wegloopt van haar man Louis. De reden voor haar vlucht kan de lezer pas veel later reconstrueren aan de hand van korte, raadselachtige flashbacks. Zoals de ondertitel al aangeeft is het boek opgetrokken uit fragmenten die associatief of intuïtief geordend lijken, zoals een stream of consciousness. Roemer hanteert drie verschillende schrijfwijzen: gewone letters, kapitalen en cursieve tekst. Het lijkt erop dat de cursieve passages herinneringen zijn, die in kapitalen visioenen, dromen of intense emotionele uitroepen. Maar helemaal zeker weet ik dit niet, want de teksten lijken deze logica niet altijd te volgen. Een academische lezing van Roemer zal altijd ergens vastlopen. Gewelddadig eigent Roemer zich de vrijheid toe.

Noem het gewelddadigheid, maar de vrijheid van het boek is ook een expressie van puur taalplezier. In een interview in NRC Handelsblad zei Roemer eens dat ze zoveel van woorden houdt, dat ze die het meest zou missen in de dood. Over de gekte van een vrouw is dan ook niet alleen een confronterend en duister boek, maar ook een verrukkelijke onderdompeling in een compleet eigenzinnige woordenwereld: zwampgas, zure-orange, godenpekel. Misschien is het wel deze taalverliefdheid die bijna elke zin in Over de gekte van een vrouw zo broeierig maakt, of het nu over appels, vervelende tantes of vrouwenbillen gaat.

Kort na haar vlucht komt de schoolleiding Noenka opzoeken. Haar werkgevers hebben lucht gekregen van haar gefaalde huwelijk; in de kleine gemeenschap is geen geheim veilig. Ze plaatsen haar voor de keuze: terug naar haar man, of overplaatsing naar Nickerie, wat in die tijd een dagreis van Paramaribo vandaan was. Hoewel Noenka het liefst zo dicht mogelijk bij haar innig geliefde moeder wil blijven – de woorden waarmee Noenka haar moederliefde beschrijft, grenzen aan het erotische –, kiest ze voor Nickerie. Alles liever dan terugkeren naar de gewelddadige Louis, wiens sadistische neigingen ze vreest.

In Nickerie trekt ze in bij haar jeugdliefde Ramses, een orchideeënkweker met wie ze een gepassioneerde affaire begint. Maar de geruchten komen ook daar al snel op gang, en de schoolleiding bezoekt Noenka opnieuw om haar onder druk te zetten zich naar de norm te gedragen. Ze moet weg bij Ramses en krijgt onderdak bij een collega met twee gehandicapte kinderen: Gabrielle. Een tijdelijk rustpunt voor de opgejaagde Noenka, deze liefdevolle, zorgzame vrouw. Tot ze zwanger raakt van Ramses en heimelijk het kind laat aborteren. Ramses komt erachter, waarna de herinneringen aan zijn eigen familiegeschiedenis vol gebroken beloften en geweld hem buiten zichzelf drijven. Hij pleegt zelfmoord, Noenka krijgt een zenuwinzinking. De dokters bezorgen haar als gebroken schepsel terug bij Louis.

Hoewel de dokter Noenka voortdurend dwingt om medicijnen te slikken en bij haar man te blijven (‘Niks scheiden… gewoon doen, jij!’) lukt het haar na de dood van haar moeder uiteindelijk om te ontsnappen. Ze vlucht weg met Gabrielle, maar de twee verliefde vrouwen worden van hun schuilplaats verstoten door een angstige tante. Het slot is dramatisch: Gabrielle vermoordt Louis en krijgt twintig jaar gevangenisstraf. Noenka wordt medeplichtig geacht en krijgt vier jaar psychiatrische dwangbehandeling. In het laatste jaar begint zij aan haar memoires.

Intersectionaliteit en de feministische strijdwagen
Te stellen dat Over de gekte van een vrouw een feministisch boek is, is niet verkeerd, of althans, de feministische potentie van de roman is overduidelijk. Noenka laat zich niet inbinden door de constante mannelijke druk om zich te voegen naar haar echtgenoot, geliefde, vader, of de heersende zeden van de gemeenschap, hoewel dat haar veel lijden brengt. Het motief van de slang, Noenka’s ‘oerangst’, is vaak geïnterpreteerd als een symbool voor haar angst voor de fallus, die zij uiteindelijk overwint door met Gabrielle te slapen, waarna de slang/fallus, verbeeld door Louis, wordt vermoord.

Twee feministische golven later vraag ik me echter af of het niet een vorm van toe-eigening is om Roemer voor de feministische strijdwagen te spannen. Niet alleen omdat dat dat literatuur reduceert tot zijn politieke waarde, en de roman in het kussen van de symbolische freudiaanse lezing smoort. Al liggen de freudiaanse betekenaars als rijpe puisten in het boek. Zo’n feministisch-psychoanalytische lezing is intellectueel plezierig en zeker interessant, maar zij mist bovenal dat Noenka niet alleen vrouw, maar allereerst een zwarte vrouw is. Een betekenisvol gegeven, waar ik als (witte) vijftienjarige evenmin oog voor had. Dankzij het onmisbare werk van grote denkers en activisten als Kimberlé Crenshaw, Gloria Wekker en bell hooks is de feministische strijd van nu ‘intersectioneel’. Intersectionaliteit is het idee dat sekse, ras, klasse, en andere kenmerken van identiteit in essentie met elkaar verbonden zijn, en dat de strijd tegen seksisme, racisme, et cetera, dan ook gezamenlijk gevoerd moet worden.

Gabrielle, een Hollandse vrouw met Arowakse voorouders, vraagt Noenka: ‘Wie ben je? Weet je wie je bent?’ Zij antwoordt: ‘Ik ben Noenka, wat betekent: Niet Weer. Geboren uit twee tegenstellingen, een vrouw en een man die zelfs mijn dromen opentrekken. Ik ben vrouw, ook al weet ik niet waar het begint en waar het vrouw-zijn ophoudt, en in de ogen van anderen ben ik zwart en iedere keer wacht ik af wat dat betekent.’

De verrukking van feministen in de jaren tachtig over de representatie van de complexe vrouwelijke identiteit kan ik me voorstellen: de weelde aan vrouwelijke perspectieven in de literatuur is slechts een recente ontwikkeling. Toch lijkt mij Noenka’s zoektocht naar identiteit niet de kern van de roman: wat dat vrouw- en zwart-zijn betekent is minder van belang voor Noenka zelf, als wel voor de buitenwereld, zoals ze in dit citaat zegt. Identiteit lijkt in het licht van haar existentiële worsteling om allereerst te overleven bijna een luxe.

Na twee brieven van Gabrielle en Noenka aan elkaar begint de roman met een ‘Nawoord’. Noenka beschrijft hierin aan ene ‘Astrid’ (de auteur?) het laatste doodvonnis van Suriname, in 1875. Waarom de roman met deze informatie begint, is niet duidelijk. Het is het enige jaartal dat voluit wordt vermeld: alle andere jaartallen zijn verhuld als ‘19…’.

Ineke Phaf opperde dat de moord op Louis in het jaar van de Surinaamse onafhankelijkheid valt, in 1975, dus honderd jaar na het laatste doodvonnis. Een interessante these, waarvoor ik in de roman geen exacte aanwijzingen kon vinden. Tegelijk met het einde van de koloniale overheersing sterft dan ‘de slang’ en wordt Noenka bevrijd van haar angst, en van haar innerlijke gespletenheid. De eenheid met Gabrielle is ‘het moment waarop het beeld en de spiegel één werden’. Maar die bevrijding is louter een innerlijke ervaring, want zij wordt vervolgens opgesloten in een psychiatrische instelling. Gevangenschap en bevrijding zijn geen tegenstellingen, maar zijn aan elkaar verbonden als spiegel en beeld.

Waanzin of intergenerationeel trauma
Herhaaldelijk beschrijft Noenka het intergenerationeel trauma waaraan zij lijdt, het leed van de zwarte voorouders die als tot slaaf gemaakten op de plantages in de koloniën werden uitgebuit, verkracht, vernederd. Dit trauma heeft de verhoudingen in Suriname verziekt, beschrijft zij, waar het geweld tegen vrouwen door zwarte mannen een uiting van is. ‘HOE KUN JE MIJ SLAAN, ZWARTE MAN ?!’ schrijft Noenka nadat Louis naar haar heeft uitgehaald. ‘HOE KUN JE MIJ ZO DIEP KWETSEN? WEET JE NIET DAT DAAR MIJN PIJNLIJKE WOND IS, ZWARTE MAN, DEEL VAN HET GEZWEL DAT GENERATIES OUD IS. (…) IK HEB NIETS TE MAKEN MET DIE AFGRIJSELIJKE POEL, ZWARTE MAN, WAARIN DEZE WITTE-MANNENWERELD JOU WIL DOEN VERDRINKEN.

‘IK BEN EEN MEE-LIJDENDE ZUSTER, ZWARTE MAN.’ Noenka voelt zelfs op het moment van deze diepste vernedering medelijden met de agressor, omdat zij weet dat Louis ook met trauma’s leeft.

In dat kader zouden we ook Noenka’s ‘waanzin’ kunnen begrijpen. De Martinikaanse psychiater, schrijver en revolutionair Frantz Fanon schreef in zijn klassieker De verworpenen der aarde in 1961 al over het verband tussen mentale problemen en koloniale trauma’s. De gekte die ik als tiener niet kon volgen, waar ik mezelf als gezonde buiten plaatste en die mij op afstand van de roman zette, is geen ‘andere wereld’. Zij is een niet te negeren deel van deze wereld, een gevolg van een systeem van geweld en uitbuiting, waarbinnen ik ook leef. Over de gekte van een vrouw dwingt de lezer om toe te kijken hoe kolonialisme geesten verwoest.

Hoewel geen lezer uiteraard gedwongen kan worden. Ik denk opnieuw aan het verschil tussen film en literatuur: beelden dringen zich op als een totaalervaring, woorden vergen een actieve tussenkomst van de lezer, die deze woorden in zijn geest tot leven moet brengen. Je kunt een boek oppakken en weer neerleggen, een film houdt je aandacht gevangen. ‘While one is reading, one’s agency and physical autonomy remain front and center’, schrijft Maggie Nelson in The Art of Cruelty, een essay over geweld in kunst.

Maar in dit geval ligt het complexer. Waarom keerde ik terug naar het boek, na die eerste ontmoedigende ervaring? Omdat Roemer verleidt, door die broeierige taal, de sluimerende erotiek, haar taalvirtuositeit. Ook op dit niveau speelt zij een geraffineerd, fenomenaal spel met vrijheid en gevangenschap, en de uitwisseling daarvan tussen lezer en schrijver. Ik dacht aan die seksscène, en voor ik het wist was ik opnieuw volledig ondergedompeld in de roman.

Sommige critici verweten Roemer dat zij ‘te moeilijk’ deed, dat het boek nodeloos complex is. Maar ik denk dat zij het niet anders had kunnen vertellen. De vorm is noodzakelijk. Op de zinderende stroom van haar woorden reconstrueert de lezer de geschiedenis, en juist die handeling, even actief als onwillekeurig, maakt het een onontkoombare ervaring.