Foeteraar in de vrolijke tram: over het oeuvre van Arie Storm
🖋 Herman Stevens


Arie Storm mag dan bekend (en berucht) zijn vanwege zijn vaak genadeloze recensies van Nederlandse romans, in eerste instantie is hij zelf romanschrijver. In zijn nieuwste boek, een essaybundel getiteld Het horrortheater van de Nederlandse literatuur, krijgt een aantal medeauteurs er weer flink van langs. Toch is collega’s affakkelen niet de hoofdmoot van dat boek, aldus Herman Stevens. Stevens leest Horrortheater in het verlengde van Storms romans en legt verrassende verbanden, die ons doen inzien wat voor een (tijdsgeest)gevoelig romancier Storm is.


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Sinds de eeuwwisseling heeft de literaire kritiek veel macht verloren. Voor het publiek dat nog dag- of weekbladen leest, vervult de goed beargumenteerde boekbespreking geen belangrijke functie meer, want de lezers willen alleen weten of ze een boek moeten kopen of niet. Een opgetogen boekhandelaar die op tv een boek in de lucht steekt, is dan veel overtuigender. Iedereen wordt meegesleept in dit nieuwe winner takes all-klimaat. Recensenten gaan simpele juichrecensies schrijven, en schrijvers eisen gejuich. Zo schreef Tommy Wieringa een woedende column in NRC omdat die krant Jan Siebelinks boekenweekgeschenk had afgekraakt. Hoe was dat mogelijk? In diezelfde column vertelde Wieringa onverholen dat hij na een negatieve bespreking van een roman van hemzelf de criticus ‘een knieschot’ had willen geven. Alsof de literatuur een soort oorlog is.

Arie Storm, De ongeborene (Prometheus 2001), 205 blz.
Arie Storm, Luisteren hoe huizen ademen (Prometheus 2013), 224 blz.

In de jaren dat Arie Storm recensent was voor Het Parool, van 2000 tot 2018, vercommercialiseerde de literatuur om hem heen en trivialiseerde de kritiek. Er ontstond een markt voor middlebrowschrijvers als Arthur Japin en Jessica Durlacher, en critici moesten hun boeken, die wel emoties opriepen maar nooit verontrustten, met respect bespreken en inlijven bij de echte literatuur. Storm deed daar niet aan mee. Hij maakte zulke auteurs belachelijk, met hun mix van dweperij en zelfpromotie.

Storm, romanschrijver van huis uit, besprak boeken vanuit een technische voorsprong. Een schrijver ziet ook de onderkant van het tapijt, waar je kunt zien hoe een boek in elkaar zit. Schrijvers scheppen vaak op over de hoeveelheid werk die het kost om een goed boek te schrijven. Maar een schrijver die een beetje om zich heen kijkt, weet dat al dat geploeter niets uitmaakt. De meeste succesvolle romans hebben met kunst weinig van doen en vaak is achteloos proza een voorwaarde voor succes, want daar voelt het grote publiek zich prettig bij. Dit inzicht kan leiden tot cynisme of verbeten schoonschrijverij. Maar Arie Storm koos voor humor: zo verzon hij in zijn derde, bijzonder geestige roman De ongeborene (2001) de Cursus Enquist-proza.

Arie Storm, Een diadeem van dauw (Prometheus 2017), 143 blz.
Arie Storm, Het horrortheater van de Nederlandse literatuur (Prometheus 2019), 192 blz.

Persiflage van een verschijnsel
De hoofdpersoon van De ongeborene, een schrijver die sprekend lijkt op Storm zelf en de alter ego’s in zijn andere romans, heeft het advies gekregen ‘een commercieel interessant’ boek te schrijven, eventueel in een collectief met een paar anderen. Hij stelt dan wat regels op voor het schrijven van een roman zoals Anna Enquist in die jaren met groot succes schreef. Humor komt niet op dit lijstje voor, maar wel een voorkeur voor onbegrijpelijke beeldspraak (zoals een piano die als ‘een geblakerde karbonade’ een huis in wordt getakeld), een chaotische omgang met vertelperspectief, flashbacks, hoogoplopende emoties en een verwarrende hoeveelheid personages.

Storm presenteert deze regels als een lijstje tips voor schrijvers in spé, een genre dat in die tijd op het internet zo’n vlucht nam dat er weldra meer tips waren dan schrijvers. De Cursus Enquist-proza was een persiflage op dat verschijnsel. Toch zagen boze lezers er een seksistische aanval in van een mandarijn op een vrouwelijke publieksauteur wie de toegang tot de ivoren toren werd ontzegd, zoals Menno ter Braak stelselmatig vrouwelijke auteurs neersabelde. Maar twintig jaar geleden waren ook nog veel mannen – lezers en schrijvers – ongelukkig met het groeiende aandeel vrouwen in onze literatuur. Die ongeruste mannen hadden vast plezier in Storms Enquist-boutade. Misschien ook daarom richtte Storm sindsdien zijn pijlen vooral gericht op mannelijke auteurs die meer succes hadden dan ze in zijn ogen verdienden. Omdat de Enquist-cursus werd voorgepubliceerd in het destijds veelgelezen tijdschrift Bzzlletin hebben meer mensen gehoord van Storms aanval op Enquists werk dan van de roman waarin die is ingebed. Dat is jammer, want De ongeborene is Storms meesterwerk, waarin veel op het spel wordt gezet.

In zijn eerste twee romans vergaloppeerde de schrijver zich soms in zijn enthousiasme voor het literaire wereldje, zoals wanneer een alter ego voor het eerst een verhaal weet te plaatsen in een literair tijdschrift en van de opbrengst meteen een zeiljacht koopt. In De ongeborene ontdekt Storm het meesterschap dat in bijna claustrofobische beperking schuilt. Anders dan bij Enquist zijn de personages in Storms fictie altijd op één hand te tellen: de schrijver, zijn vrouw en dochter, een bemoeizuchtige schoonmoeder, en, ver weg in het Westland, de bejaarde ouders van de verteller. Ook de actieradius is minimaal: het huis waar hij woont, de plek waar hij werkt, en misschien gaat de verteller een keertje naar het café. Met Storm reizen we niet naar verre landen. Het gaat er niet om wat hij meemaakt, maar hoe hij erop reageert.

In De ongeborene raakt het routineuze leven van Storms alter ego in een stroomversnelling wanneer zijn vriendin in verwachting raakt. ‘Stroomversnelling’ suggereert misschien dat er beweging in zijn leven zat, maar eigenlijk zit hij het liefst thuis met een boek of een sciencefictionfilm. In veel opzichten leeft hij in zijn verbeelding in een wereld die afgeleid is van Star Wars en Star Trek (Game of Thrones bestond toentertijd nog niet). ‘Sciencefiction gaat over metamorfoses,’ merkt Storms alter ego op, ter verklaring van zijn hobby. Het gaat over ‘het creëren van je eigen wereld en de gevolgen van het letterlijk nemen van beeldspraak’.

Deze verklaring is tegelijkertijd een programma voor Storms werk met ingang van De ongeborene. Al zijn vertellers kampen met een neiging alles, inclusief zichzelf, letterlijk te nemen, wat ook verklaart waarom zij steeds bezig zijn, vaak met komisch effect, zichzelf te preciseren en verbeteren. Zo stranden de plannen om te trouwen voor de baby komt op de regel dat er bij een huwelijk getuigen moeten zijn, terwijl zij alleen maar met zijn tweetjes willen trouwen, zonder pottenkijkers.

Sciencefiction en familie
Ook in zijn recente romans komen fantasyelementen voor. Zo is Luisteren hoe huizen ademen (2013) een soort spookverhaal, deels geïnspireerd op Vestdijks De kellner en de levenden. De bijzonderheid is dat Storms alter ego, August Voois, zelf een spook is. Wanneer hij in een impuls ontslag neemt bij de universiteit en zijn radiorubriek opzegt omdat hij zijn collega’s niet meer kan aanhoren, steekt er in de stad een loeiend onweer op dat een tunnel vormt tussen zijn huis en het huis waar hij opgroeide.

Storm groeide op in de Haagse Schilderswijk waar zijn vader een groentewinkel had, die hij wegens gebrek aan succes ombouwde tot een illegaal ‘denksportcafé’. Daar werd stevig gedronken, met name door Storms vader, die naast drank nog drie andere passies had: dammen, duiven en de Bijbel. In de handen van een Siebelink of Maarten ’t Hart had vader Storm kunnen uitgroeien tot een monumentaal figuur, met zijn vertwijfelde geloof, zijn homofobie, zijn drankzucht en de neiging zijn zoon er altijd aan te herinneren dat het niets met hem ging worden, want hij kon niet voetballen en niet dammen. Zo’n monster roept ontroering op bij de lezer. Den Haag zou moeten overstromen van de vele fans die zich identificeerden met dat vader-zoonverhaal en tripjes ondernemen om te zien waar vroeger het damcafé stond.

Maar nog afgezien van dat de hele Schilderswijk is gesloopt en herbouwd, schrijft Storm geen boeken die op zulke ontroering mikken. Ook wanneer Voois met zijn vrouw en dochter in de tram door zijn oude wijk rijdt, de tram van toen, is de eerste en voornaamste emotie bevreemding. Hoe is het mogelijk dat het onweer hem heeft teruggebracht naar de Schilderswijk zoals die ooit was, ‘een vesting, een fort, een dorp tussen allerlei andere dorpen die samen Den Haag vormden’? In welke vorm gaat hij dit beschrijven? In zijn oude straat was geen huis hetzelfde, want overal waren stukken aangebouwd, zonder toezicht of vergunning, volgens het aloude principe van de verkrotting. ‘Alles stond op instorten, niets was stevig; de buurt was flexibel, poreus; geen enkel huis leek op een ander huis. Er waren schuurtjes en magazijnen en opslagplaatsen. Donkere kelders. Tuinen en tuintjes. Alles was klein, alles was benauwd.’ Bij de Storms woonde een bejaarde prostituée op zolder die nog klanten ontving, bij zijn beste vriendje een Indische grootmoeder die de hele dag op zolder stond te koken.

Het hoogtepunt van Luisteren hoe huizen ademen komt wanneer Voois zijn vader in de keuken ziet zitten. Die zit te roken, schenkt zichzelf een borrel in en luistert naar de radio. Hij gaat gewoon door wanneer zijn zoon met diens gezin binnenkomt, want zij zijn onzichtbaar. Ze bevinden zich in een andere dimensie, alleen de hond merkt er iets van. Voois wil niet te lang blijven, want straks komt zijn vroegere zelf thuis van school. Die confrontatie kan hij niet aan, alleen al omdat hij dan zou zien hoeveel hij als tienjarige om zijn vader gaf, terwijl zijn hele schrijverschap erop is gebouwd dat hij niets met zijn ouders heeft. Om die spanning draait veel van Storms werk: het conflict tussen de geborgenheid van het gezin dat hij heeft gecreëerd en het gezin dat hem heeft gecreëerd.

Keten van tragische metamorfosen
Storms oeuvre, van het flinterdunne debuut Hémans duik (1994) tot zijn meest recente roman, Een diadeem van dauw (2017), laat een sluipende versombering zien. Weliswaar meldt Voois geregeld dat hij zin heeft om ‘een vrolijke roman’ te schrijven, maar de studentikoze drukte van het vroege werk, met losgeslagen voorbijgangers en twintigers die zomaar Proust kunnen ophoesten, maakt plaats voor een drukkende eenzaamheid die alleen wordt verlicht door de aanwezigheid van vrouw en dochter.

Zoals gezegd staat het internet vol met tips voor beginnende schrijvers, maar niet voor schrijvers die al vijfentwintig jaar meedraaien terwijl de grote doorbraak op zich laat wachten. De enige remedie voor een schrijver op dat punt is diepgang. Al het materiaal is al aangesproken; in de tweede helft van zijn carrière moet een schrijver dat materiaal gaan uitdiepen. Diadeem is een requiemroman. Had Storm in Gevoel (2004) al uitgebreid over de dood van zijn vader geschreven, in Diadeem komt de vader opnieuw te overlijden, en nu definitief. Vervolgens slaat een studievriend de hand aan zichzelf, en het kost weinig moeite in die vriend Joost Zwagerman te herkennen. Daarna pleegt een andere collega en vriend zelfmoord, duidelijk Wim Brands. Bovendien wordt al vroeg de dood aangekondigd van de verteller zelf. Voois. Er is alleen één probleem. Diadeem wordt in de ik-vorm verteld, en dan is een dode verteller geen optie. Dan is er geen boek.

Met een verteller die zijn eigen dood aankondigt, ademt ook Diadeem de sfeer van een spookverhaal. Maar de werkelijke lading van het boek ligt in het andere kenmerk van fantasy dat Storm zich eigen heeft gemaakt: Diadeem is zijn roman over de metamorfosen die wij doormaken als we in de tweede helft van ons leven komen. De helft zonder illusies. Storms vader was een mislukte groenteboer die in zijn achterkamer een illegaal café begon. Zwagerman was een postmoderne wereldveroveraar die eindigde met babbeltjes over kunst op tv. Brands overkwam eenzelfde lot: hij was een dichter, maar iedereen kende hem als de man die op zondagochtend schrijvers interviewde. Knap, maar niet wat hij in gedachten had. Met Voois gaat het dezelfde kant op. Hij is schrijver in hart en nieren, maar voor de meeste lezers is hij de man die boeken bespreekt in de krant of op de radio. Wanneer hij meedoet aan een tv-spelletje komt hij in het team recensenten te zitten, die tegen de schrijvers spelen, terwijl hij ‘net als alle schrijvers een hekel [had] aan literatuurcritici’. In de tweede helft van zijn leven dreigt hij te veranderen in wat hij haat.

Eén zinnetje dat lang in Diadeem blijft doorstuiteren, komt uit de mond van Voois’ zus. ‘Leuk dat je er weer bent,’ zegt ze wanneer Voois en zij samen naar hun dode vader rijden. Het roept bij de verteller de vraag op of hij er wel werkelijk is. Die twijfel heeft deels te maken met zijn neiging om alles letterlijk te nemen, maar ook met zijn gevoel dat hij er niet echt bij is als hij niet kan doen wat een schrijver doet: een stapje terugnemen en kijken of er iets kan worden verbeterd. De woorden van zijn zus brengen hem terug naar zijn studietijd, met oninspirerende docenten, onduidelijke vriendinnen en onvervulde literaire dromen. Op een middag klom hij op het dak met het voornemen er een eind aan te maken. En zoals het in Diadeem wordt verteld, weerhoudt de Voois van later hem van die fatale sprong. De Voois die zijn studie had afgemaakt, die met de juiste vriendin was verdergegaan en een plankje met boeken had geschreven, brengt de jonge Voois van de dakrand terug, zodat zijn zus later kon zeggen dat het leuk was dat hij er weer was. Een diadeem van dauw is een poging om te ontsnappen aan die keten van tragische metamorfosen. Binnen zijn eigen beperkingen wordt Voois een superheld. Een vader en een schrijver.

Foeterende man in de tram
In zijn nieuwe boek, Het horrortheater van de Nederlandse literatuur, zet Storm deze ontsnappingspoging voort. Na achttien jaar vond Het Parool het mooi geweest en kwam Storms leven als criticus ten einde. Horrortheater is Storms afscheid van het vak. In deze stukken, grotendeels oorspronkelijk geschreven voor Propria Cures, schrijft Storm zijn autobiografie als lezer en als schrijver, beginnend bij Bob Evers en Maarten ’t Hart, die hij misschien ook met zoveel sympathie las omdat Storms ouders net als ’t Hart uit het Westland kwamen. Storm vertelt over zijn studiejaren in de jaren tachtig en zijn scriptie over Frans Kellendonk, aan wie hij later een boek zou wijden. Hij studeerde in de jaren dat het postmodernisme opkwam in Nederland en het even leek alsof er in onze literatuur een richtingenstrijd zou losbranden tussen de postmodernisten en de humanisten. Zo doet Storm in Horrortheater een weinig overtuigende poging Maarten ’t Hart en Een vlucht regenwulpen in het postmodernistische kamp te trekken.

Storms liefde voor het werk van ’t Hart laat ook zien hoe arbitrair zijn voorkeuren zijn. ’t Hart zou immers ruim slagen voor een examen Enquist-proza. In Regenwulpen worden eindeloos tranen van ontroering vergoten. ’t Hart verwijst ook graag naar mooie klassieke muziek, hij heeft dat bijna uitgevonden, en zijn beeldspraak is lang niet altijd vuurvast. Omgekeerd is er technisch weinig aan te merken op het proza van Tommy Wieringa, een van Storms bêtes noires – samen met Ilja Leonard Pfeijffer, Pieter Waterdrinker en Adriaan van Dis. Wieringa’s proza is eerder te netjes, een vorm van burgermanschic, waar Storm hem vooral lijkt te verwijten dat hij bij De Wereld Draait Door (‘een van de verschrikkelijkste programma’s die ik ken’) elke keer wordt onthaald als de redding van onze literatuur. Maar dat kan Wieringa niet helpen.

De zaak-Wieringa laat zien wat er is veranderd in de tijd tussen De ongeborene en nu. Literatuur is een halfproduct geworden. Schrijvers komen op tv. Boekhandelaren ook. Bestsellers worden verpulpt tot toneelstukken voor acteurs die weer bekend zijn van tv, zodat niemand hoeft te schrikken van een onbekend gezicht. Alleen schrijvers die hun schrijverschap voor de camera uitventen, maken kans om in deze pulpcyclus te worden opgenomen. Maar is dit wel echt een nieuwe ontwikkeling? Adriaan van Dis begon zijn talkshow in de jaren tachtig, de tijd die Storm als de gouden jaren van onze literatuur ziet. En een generatie eerder zat Gerard Reve in het satirische Zo is het toevallig ook nog eens een keer. Succesvolle schrijvers zijn altijd succesvolle schmierders geweest. En toch schaadde Storms afkeer hiervan zijn werk als criticus niet. Een criticus hoort een subjectief oordeel te hebben, zolang hij het maar kan opschrijven. E. du Perron, de grote criticus van de jaren dertig (veel naoorlogse critici waren Du Perron-klonen), ging louter op zijn instinct af en schreef om zijn mentale hygiëne te behouden. Arie Storm is de criticus van na 1980 die daar het dichtstbij komt. Hij heeft alleen een beter gevoel voor humor.

Storm zegt met plezier terug te kijken op zijn jaren als criticus, maar dat hij in zijn hart liever helemaal alleen leest, liefst een boek dat niemand anders leest, moet lastig zijn geweest. Daarom haat hij bestsellerauteurs, die van de solitaire leeservaring een kuddebelevenis maken. Maar hoe realistisch is zijn fantasie? Een recensent leest per definitie een boek dat in de belangstelling staat, al was het maar omdat hij of zij erover schrijft. Hij leest het alleen drie weken eerder. Ook in zijn fictie staat Storm graag met zijn rug naar het publiek, en hij citeert met instemming uit Willem Frederik Hermans’ Mandarijnen op zwavelzuur, de bundel polemieken waarmee Hermans veel vijanden maakte (net als Du Perron met zijn Uren met Dirk Coster). ‘Hermans isoleerde zich met dat boek,’ concludeert Storm. ‘Maar dat is precies wat een schrijver wil: alleen zijn.’ Daarom zijn er ook maar weinig boeken van Storm, romans of kritiek, waarin niet tegen een paar zere benen wordt geschopt, te beginnen met die van Anna Enquist. Omdat Storm er niet bij wil horen. Hij is de foeterende man in de vrolijke tram van onze literatuur. Die man heeft alleen wel gelijk.

Horrortheater is een unieke essaybundel met dezelfde toon als Storms romans van dit millennium. Ook de inhoud is eigenlijk hetzelfde, want Storms fictie is altijd intens beschouwelijk. Daarom voelt het boek ook als een afsluiting van alles wat hij sinds De ongeborene heeft geschreven, want een schrijver die zijn credo formuleert, verplicht zich ertoe een andere, nieuwe richting op te zoeken. Anders gaat hij zichzelf herhalen.