Het gedicht. Behoudend maar briljant.
🖋 Piet Gerbrandy


Piet Gerbrandy leest The Poem, het levenswerk van dichter en criticus Don Paterson, dat een tegelijk conservatieve en duizelingwekkend rijke visie biedt op wat poëzie vermag.


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Als je altijd al hebt willen weten wat een gedicht is, hoe het gemaakt wordt en hoe het gelezen kan worden, is The Poem van Don Paterson een interessante, geestige en bij vlagen meeslepende gids. Gespecialiseerde voorkennis is niet vereist, uithoudingsvermogen des te meer, want het vuistdikke boek laat zich niet als naslagwerk raadplegen: de enige manier om het te lezen is van kaft tot kaft. De in Schotland gewortelde Paterson (1963) heeft enig recht van spreken. Als dichter sleepte hij prestigieuze prijzen in de wacht, hij doceert poëzie aan de universiteit van St. Andrews en werkt als redacteur bij Picador Macmillan, en daarnaast is hij ook nog jazzmuzikant en componist. The Poem vormt de neerslag van decennia ervaring in het maken, interpreteren en beoordelen van poëzie, bij iemand voor wie muziek een levensbehoefte vervult. Nooit eerder las ik een boek dat zo grondig laat zien wat poëzie is – of liever: zou kunnen zijn.

Don Paterson, The Poem: Lyric, Sign, Metre (Faber & Faber 2018), 723 blz.

Het boek is ingedeeld in wat Paterson drie essays noemt. Het eerste gaat over de werking van klank, waarbij de connectie tussen enerzijds klinkers en medeklinkers en anderzijds woordbetekenis wordt blootgelegd. In het tweede essay legt Paterson uit hoe gedichten betekenis genereren door middel van tropen als metafoor, metoniem en symbool, terwijl hij ook aandacht besteedt aan intertekstualiteit en de verstandhouding tussen dichter en lezer. Het derde deel, dat aan metrum en ritme is gewijd, beslaat meer dan driehonderd pagina’s en verdrinkt enigszins in detailanalyses van gewaardeerde of mislukte voorbeelden; Patersons favorieten zijn de Noord-Ierse dichters Seamus Heaney en Paul Muldoon. Het boek wordt afgesloten met achttien appendices, waarin de auteur alles heeft gestopt wat hij niet meer kwijt kon in de overladen, hier en daar hilarische voetnoten. Het geheel wekt daardoor de indruk een levenswerk te zijn, een summa van Patersons opvattingen over poëzie, muziek, de samenleving en de menselijke existentie. Ik hoop dat hij de energie opbrengt om nog eens een uitgeklede versie van dit boek te maken, want er staat veel, te veel, behartenswaardigs in.

Laat ik meteen aangeven dat er, los van Patersons onvermogen zichzelf een halt toe te roepen, twee ernstige bezwaren tegen het boek zijn in te brengen. Het eerste komt voort uit een bewuste keuze, namelijk uitsluitend Engelstalige poëzie te willen behandelen. Dat beperkt de reikwijdte van Patersons betoog aanzienlijk, maar ook zijn geloofwaardigheid, want hij verkondigt tal van universele waarheden over de werking van taal, en die blijken niet altijd gemakkelijk toepasbaar op andere talen, met name wanneer het gaat om metrum en ritme: bij naaste verwanten als het Nederlands en Duits kom je een heel eind, maar voor het Frans, Italiaans, Latijn of Grieks gaan veel beweringen niet op, en dan hebben we het nog niet over niet-Indo-Europese talen.

Het tweede bezwaar betreft Patersons behoudende smaak, of opvatting van wat echte poëzie is. In zijn optiek kent een goed gedicht een regelmatige metrische structuur die het mogelijk maakt met de verwachtingspatronen van de lezer te spelen en geeft de dichter in zijn beeldtaal voldoende houvast om tot een aannemelijke reconstructie van zijn stemming, coördinaten van plaats en tijd, en intenties te komen, ook al stelt Paterson terecht dat het de lezer is die bepaalt wat het gedicht betekent, en niet de dichter. Een goed gedicht is mooi en betekenisvol, heeft één thema en maakt het de lezer niet onnodig moeilijk. De consequentie van deze visie is dat veel (post)modernistische poëzie afvalt. Zo koestert Paterson een uitgesproken weerzin tegen Ezra Pound, William Carlos Williams, John Ashbery en de zogenaamde ‘L=A=N=G=U=A=G=E poets’ (zou het toeval zijn dat dit allemaal Amerikanen zijn?), wat uiteraard zijn goed recht is, maar jammer voor ruimhartiger lezers. Wat dit betreft had hij veel kunnen leren van Theory of the Lyric (2015) van Jonathan Culler, die niet alleen de zojuist genoemden in zijn betoog incorporeert, maar ook uitvoerig naar andere taalgebieden kijkt.

Woord, betekenis, symbool
Niettemin is The Poem in vele opzichten een briljant boek. Dat komt mede doordat de auteur gebruikmaakt van een waaier aan wetenschappelijke benaderingen, waarbij met name inzichten op de terreinen van cognitie en geheugen, taalfilosofie en muziek van belang zijn. Bovendien, en dat is misschien Patersons grootste verdienste, getuigt hij bijna steeds van gezond verstand, gebaseerd op een levenslange ervaring: doe als dichter normaal en stel je niet aan, houd rekening met je lezers, probeer niet het wereldraadsel op te lossen. Ik kan hier niet meer doen dan een paar aspecten uit het rijke boek aanstippen.

Paterson gaat ervan uit dat er tussen lezer en dichter een onuitgesproken contract bestaat, dat erop neerkomt dat de eerste het vertrouwen koestert dat wat als gedicht wordt gepresenteerd, betekenisvol is, zodat het de moeite loont aan alle details aandacht te besteden: ieder woord, ieder aspect van klank en ritme doet ertoe en draagt bij aan een betekenis die ver uitstijgt boven wat in het gedicht zelf te vinden is. In zekere zin, zegt Paterson, is ieder gedicht een vorm van synecdoche (pars pro toto), omdat het deel heeft aan en staat voor de poëzie in het algemeen, het leven en de wereld. De dichter mag dit vertrouwen niet beschamen door, zoals William Carlos Williams doet, te beweren dat een kruiwagen belangrijk is en te weigeren die een symbolische waarde toe te kennen.

Ten aanzien van klank doet Paterson beweringen die taalkundig gezien op het eerste gezicht absurd lijken. Sinds De Saussure, eigenlijk al sinds Augustinus, weten we dat klank en betekenis van een woord los van elkaar staan. De koppeling van taalteken aan datgene waarnaar het verwijst is arbitrair, vandaar dat talen verschillende klanken kunnen gebruiken om één en hetzelfde object aan te duiden. Volgens Paterson bestaan er er echter ‘fonestemen’ (phonesthemes), klankcombinaties die automatisch een bepaald conceptueel veld oproepen. Hij geeft het voorbeeld van Engelse woorden die met gl beginnen en allemaal iets te maken hebben met licht en glans: glisten, glare, glower enzovoorts. In hoeverre deze bewering in taalkundig opzicht hout snijdt, is discutabel, maar het is een verschijnsel dat iedere dichter kent: je zoekt naar een woord met een bepaalde klankwaarde, en wat je vindt is vaak precies wat je inhoudelijk nodig had. Op die manier verklaart Paterson dat goede gedichten de indruk wekken de enige mogelijke uitdrukking van een gedachte te zijn.

Dat het korte geheugen werkt met informatie-eenheden die in spraak nooit langer dan drie seconden duren, is het uitgangspunt voor Patersons beschrijving van metrische patronen. Dichters die rekening houden met dit cognitieve gegeven, zullen de voorkeur geven aan versregels die drie of vier heffingen kennen of, indien ze voor langere regels kiezen, daarin altijd een syntactisch rustpunt aanbrengen. Volgens deze zienswijze is de in het Engels alomtegenwoordige pentameter bij uitstek een vers dat uitnodigt tot verder lezen, omdat het in tijdsduur de drie seconden-regel overtreedt maar niet lang genoeg is om voor twee eenheden te tellen. Hiermee hangt een ander verschijnsel samen, namelijk dat het laatste woord van de versregel het belangrijkste is (vandaar dat het in traditionele poëzie vaak een rijmwoord is). Dit woord markeert de regel immers als informatie-eenheid. Om die reden moeten dichters ook een beetje voorzichtig zijn met enjambement.

Afgezien van een paar hoofdstukken in het derde deel, waar Paterson soms zo doordraaft dat het in onzin ontaardt, is The Poem een monumentale studie die, juist doordat ze weerwoord zal oproepen, serieuze aandacht verdient van dichters, critici en studenten.