Afscheid van het lezen: over Harold Bloom (1930-2019)
🖋 Lodewijk Verduin


14 oktober jongstleden overleed literatuurwetenschapper Harold Bloom, een bevlogen pleitbezorger van de letteren voor de een, een reactionaire verdediger van ‘de westerse canon’ voor de ander. Aan de hand van zijn laatste, elegische boek Possessed by Memory weegt Lodewijk Verduin Blooms literaire nalatenschap.


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


In een essay uit haar bundel Critics, Monsters, Fanatics, and Other Literary Essays (2016), buigt de Amerikaanse schrijver Cynthia Ozick zich over de zorgwekkende staat van de hedendaagse literatuur. De aard van de problemen kennen we inmiddels allemaal – kelderende boekverkoop, ernstige ontlezing, slinkende literatuurkaternen, de afgenomen achting voor literatuur – maar het blijft moeilijk om een specifieke oorzaak aan te wijzen. Ozick richt zich tot de polemiserende auteurs Jonathan Franzen en Ben Marcus, die respectievelijk de ontoegankelijkheid van ‘hoge literatuur’ en het lage niveau van publieksliteratuur als boosdoener beschouwen, en stelt dat ze beide ongelijk hebben. Het ligt volgens haar niet aan de schrijvers zelf, aangezien zij nog altijd een grote hoeveelheid hoogstaande boeken voortbrengen, zowel van het experimentele als het conventionele soort. Ook kan de roman niet de hoofdschuldige zijn, omdat de vorm in ieder tijdsgewricht opnieuw uitgevonden kan worden. Nee, verrassend genoeg schrijft Ozick dat we ons vooral zouden moeten bekommeren om de literatuurkritiek:

What is missing is a powerfully persuasive, and pervasive, intuition for how they are connected, what they portend in the aggregate, how they comprise and color an era. (…) What is missing is an undercurrent, or call it, rather (because so much rests on it), an infrastructure, of serious criticism.

Met kritiek bedoelt Ozick overigens niet recensies in kranten en tijdschriften of de door haar gehekelde boekbeoordelingen die mensen achterlaten op websites als Amazon en Goodreads, maar echt diepgravende literatuurbeschouwing:

What separates criticism from reviewing – intrinsically – is that the critic must summon what the reviewer cannot: horizonless freedoms, multiple histories, multiple libraries, multiple metaphysics and intuitions. Reviewers are not merely critics of lesser degree, on the farther end of a spectrum. Critics belong to a wholly distinct phylum.

Harold Bloom, Possessed by Memory: The Inward Light of Criticism  (Knopf 2019), 560 blz.

Het is een bijzonder indrukwekkend betoog dat ook meteen weemoedig stemt. Want wie streeft zulke hoogdravende literatuurkritiek vandaag de dag nog na? Jaap Goedegebuure schreef eerder al dat je in Nederland of een recensent of een academicus bent. Nu het schrijven van boekbesprekingen een weinig lucratieve bijbaan voor romanciers of dichters geworden is, en literatuurwetenschappers zich vrijwel uitsluitend in wetenschappelijke tijdschriften laten gelden, is het moeilijk voor te stellen dat er nog critici van dat oude stempel zullen opstaan. Ik ga er dan ook vanuit dat het voor de inmiddels eenennegentigjarige Ozick zeer bedroevend, en misschien zelfs verontrustend nieuws was dat Harold Bloom, die zij in haar essay opvoerde als een van de laatste beoefenaars van een brede, verheven literatuurkritiek, op 14 oktober jongstleden is overleden.

Encyclopedische kennis
Harold Bloom beschouw ik als een van mijn voorbeelden. Niet op basis van zijn opvattingen of de inhoud van zijn publicaties, maar vanwege de manier waarop hij zich als criticus manifesteerde. Bloom studeerde Engels aan Cornell, Yale en Cambridge en werd gevormd door het klassieke, op tekstanalyse gerichte onderwijs van formalisten als M.H. Abrams en William K. Wimsatt. De combinatie van deze opleiding, een uitzonderlijk geheugen en een vroege liefde voor lezen, die hij tot zijn dood behield, zorgde ervoor dat Bloom een onovertroffen, bijna encyclopedische kennis van de Engelstalige literatuur ontwikkelde. Hij publiceerde aanvankelijk veel over de Engelse romantici en stond bekend als een van de grootste interpreten van Shakespeare, maar schreef ook over moderne experimentele dichters als John Ashbery en Wallace Stevens. Daarnaast wijdde Bloom voortreffelijke, relatief onderbelichte essays aan generatiegenoten als Don DeLillo, Cormac McCarthy, Toni Morrison, Philip Roth en Cynthia Ozick.

Het bijzondere aan Bloom is dat hij consequent zijn academische leesvaardigheid en kennis van de literatuurgeschiedenis, en dus niet alleen zijn persoonlijke intuïties, gebruikte om de artistieke ontwikkelingen van het heden te duiden. Hoewel hij zijn leven lang verbonden bleef aan Yale, weigerde hij zich te beperken tot de wetenschappelijke discussie. In plaats daarvan probeerde hij specialistische kennis te vertalen naar grotere culturele debatten, waardoor hij een brug sloeg tussen de academie en het literaire veld.

Ook zijn nadrukkelijk analytische houding sprak mij aan. Bloom liet zijn esthetische oordelen nooit alleen afhangen van intuïtie of persoonlijke voorkeuren, maar betrok in zijn kritieken altijd het grotere netwerk van de literatuur om de originaliteit van hedendaagse werken te staven. Blooms uitdieping van dat perspectief resulteerde ook in zijn bekendste en waarschijnlijk ook zijn meest beklijvende boek, The Anxiety of Influence: A Theory of Poetry (1973). Daarin presenteert hij een eigenzinnige nieuwe kijk op het schrijven van literatuurgeschiedenis: in plaats van een lineaire, op stromingen gerichte zienswijze aan te hangen, stelt hij voor om voortaan te letten op de invloedslijnen die tussen de werken van individuele dichters lopen. Bloom beweert dat alle grote dichters op een gegeven moment geconfronteerd worden met het werk van een voorganger, waarin zij hun eigen visie, vormelijke ambitie of belevingswereld menen te herkennen – hoewel deze sensatie in de praktijk vrijwel altijd op projectie en misverstand berust. Vervolgens moet de dichter een manier zien te vinden om die invloed te verwerken: hij moet de ander aftroeven, een nieuwe vorm introduceren, een andere richting inslaan of een vervolg op het project van zijn voorganger bieden. Aan de hand van gedichten van onder anderen Milton, Wordsworth en Stevens laat hij overtuigend zien hoe literaire invloed als fenomeen zowel in continuïteit als vernieuwing resulteert.

Voor velen was Blooms op conflict en vadermoord gerichte model te freudiaans, dramatisch en masculien – het zal ook niet hebben geholpen dat zijn favoriete voorbeelden consequent heroïsche mannelijke dichters zijn. Zelf ontdekte ik via het boek vooral dat er categorische verschillen tussen lezers bestaan: een schrijver zoekt in teksten naar iets anders dan een niet-schrijvende lezer, en daarom onderhouden ze een andersoortige relatie met de literatuurgeschiedenis. Daarnaast hielp The Anxiety of Influence mij, een beschouwende lezer bij uitstek, om in een schier oneindige reeks geschriften een systematisch, relationeel netwerk van oeuvres en teksten te ontwaren. Die zienswijze bood me nieuwe manieren om in essays en kritieken te schrijven over auteurs, ontwikkelingen en invloedslijnen – opnieuw een bescheiden voorbeeld van Blooms bemiddeling tussen academische theorie en de literaire praktijk.

Hoe revolutionair dit analytische perspectief ook was, het leidde Bloom helaas ook tot zijn meest reactionaire en discutabele werken. Opgestookt door de felle debatten aan Amerikaanse universiteiten en zijn polemische inborst wendde hij zijn relationele, hiërarchische kijk op de literatuurgeschiedenis aan om een definitief overzicht van de beste, belangrijkste boeken van de wereld op te stellen, dat verscheen onder de bombastische, tamelijk belachelijke titel The Western Canon: The Books and School of the Ages (1994). De verschijning zorgde vanzelfsprekend voor enige ophef, die vanzelfsprekend ook weer redelijk snel doofde. Het is geen boek dat de tand des tijds heeft doorstaan, en de ernstige tekortkomingen van het project, zoals onvolledigheid en slordigheid, zijn ook door Bloom zelf meermaals benoemd. Toch is dit het boek dat, afgaande op de necrologieën, zijn postume reputatie het meest heeft getekend: al zijn schrijven over experimentele poëzie en contemporain proza ten spijt gaat Harold Bloom nu de geschiedenis in als de koppige beschermer van ‘de westerse canon’.

Lezer en docent
Begin dit jaar verscheen het boek dat Harold Blooms laatste zou worden: Possessed by Memory: The Inward Light of Criticism. Opnieuw een fors werk, maar de grote greep van weleer is hier afwezig. In plaats daarvan toont hij zich melancholisch, gepreoccupeerd met een naderend afscheid. Onder een motto van Oscar Wilde – ‘That is what the highest criticism really is, the record of one’s own soul’ – beschrijft Bloom zichzelf als een oude man die worstelt met zijn gezondheid, afwisselend herstellend van operaties en valpartijen, en die in zijn vrijwel slapeloze nachten denkt aan het werk en leven van gestorven vrienden. Tussen de regels door reflecteert hij soms zelfs nadrukkelijk op de eenzaamheid die de ouderdom tot gevolg heeft: ‘At seventy-two I had experienced many losses, but at eighty-seven I feel abandoned by virtually everyone I loved in my own generation. They are all gone, perhaps into a world of light, or a final darkness.’

Maar echt autobiografisch is Possessed by Memory niet: het is een boek over het lezen van poëzie. Voor Bloom was de literatuur namelijk van jongs af aan een middel tegen de eenzaamheid: ‘When I was very young, I read poems incessantly because I was lonely and somehow must have believed they could become people for me.’ Om zich te troosten met de eenzaamheid en het naderende einde loopt hij in korte essays nog een laatste keer zijn persoonlijke favoriete gedichten en verzen af. Het gaat dus om de teksten die decennia zijn blijven hangen in het geheugen van Bloom, en die hij soms zo vaak heeft gelezen dat hij ze uit zijn hoofd kent – vandaar ook de titel van deze bundel. Ook de beschouwingen zelf komen direct uit het brein van de schrijver: wegens gezondheidsredenen heeft Bloom een groot deel van dit boek gedicteerd, wat de stukken wat betreft lengte behapbaar en relatief toegankelijk en lichtvoetig van toon heeft gemaakt.

Het boek bestaat uit vier flinke afdelingen, die steeds zijn opgebouwd uit een serie korte beschouwingen, plus een voorwoord en een epiloog. Die hoofdstukken zijn gekoppeld aan vier ‘oerteksten’, waar de behandelde schrijvers, als ze de tekst zelf niet hebben voortgebracht, op een bepaalde manier op reageren – het grondbeginsel van The Anxiety of Influence wordt hier dus ook gehandhaafd. De vier werken in kwestie zijn de Tenach of het Oude Testament, specifiek in de Engelstalige King James Version (1611), de toneelstukken van Shakespeare, de lange gedichten van Milton en Leaves of Grass (1855-1891) van Walt Whitman.

Iedereen die enigszins bekend is met het eerdere werk van Bloom zal zeggen: niets nieuws onder de zon. En inderdaad, het zijn precies de werken en auteurs waar hij al veel over gepubliceerd heeft. Daar is hij zich ook bewust van: regelmatig verwijst Bloom door naar andere titels uit zijn oeuvre. Soms kort hij zelfs argumenten in of breekt hij stukken af met de vermelding dat een betere versie van het punt dat hij wil maken elders te vinden is. Dit boek doet daarom eerder aan als een overzicht – een soort Harold Bloom-omnibusdan als een opzichzelfstaand, nieuw intellectueel project. Het eerste hoofdstuk over de Tenach vormt de enige uitzondering hierop. In de openingshoofdstukken bouwt Bloom aan de hand van het werk van theoloog en vriend Gershom Scholem een zeer abstract gnostisch kader op, waaruit hij een ‘esoterische’ poëzieanalyse afleidt die hij in de rest van het boek belooft te gebruiken. Merkwaardig genoeg is daar in concreto zeer weinig van terug te zien, wat doet vermoeden dat deze hoofdstukken in een vroeger stadium zijn geproduceerd en Bloom het geheel niet tot een eenheid heeft herschreven.

Aangezien Possessed by Memory de indruk wekt dat Bloom nog eenmaal zijn eerdere literatuuranalyses doorneemt, en zo meteen ook zijn nalatenschap ordent, laat het zich in de eerste plaats niet lezen als een introductie op zijn oeuvre. Eerder biedt het je de kans om je kennis van zijn bekende werken op te frissen, en je naar eigen voorkeur weer in een deel van zijn enorme productie te verdiepen. Als leek kon ik bijvoorbeeld weinig beginnen met Blooms kabbalistische lezingen van Bijbelboeken, en hoewel het hoofdstuk over Shakespeare een mooi beeld geeft van zijn eerdere beschouwingen over de invloed van de Bard op de ontwikkeling van het menselijk (zelf)bewustzijn, zijn de twee laatste hoofdstukken in mijn ogen het interessantst. In het derde deel beschrijft hij Milton als een ziener, een visionaire dichter die in zijn werk hogere waarheden probeerde te vatten. Romantici als Blake, Shelley, Keats en Tennyson hadden volgens hem een vergelijkbare ambitie. Precies zo positioneert hij Amerikaanse postmoderne dichters als John Ashbery, A.R. Ammons, Amy Clampitt en Wallace Stevens als opvolgers van Walt Whitman in diens zoektocht naar het universele en het sublieme.

Bloom behandelt van deze schrijvers steeds een gedicht per keer, dat hij vlot introduceert, van context voorziet en vervolgens aan de hand van grote blokcitaten gestructureerd doorwerkt. Het zijn geen sluitende interpretaties die hij opdist, maar registraties van zijn leesproces: hij benoemt nadrukkelijk wat hem opvalt, wat het gedicht in hem losmaakt en aan welke andere werken het hem doet denken. De stukken zijn meanderend, soms even persoonlijk, niet te theoretisch of aforistisch, en Bloom probeert ook niet iedere beschouwing geforceerd naar een afgeronde conclusie te sturen. Het is die impressionistische aard van deze essays die je het gevoel geeft over de schouder van een zeer ervaren lezer mee te kijken, alsof je in dezelfde ruimte zit terwijl hij zijn reflecties op een gedicht voor het eerst probeert onder woorden probeert te brengen.

Meer dan de theoreticus krijgen we in Possessed by Memory de verteller in Bloom te zien. Ik zou zelf willen zeggen dat hij zich hier vooral manifesteert als de bevlogen docent die hij levenslang was – slechts vier dagen voor zijn dood gaf hij nog een college aan Yale. Bloom identificeert zich in de tekst ook nadrukkelijk als onderwijzer: ‘(…) I am a reader and a teacher, and not a creator.’ (Overigens bevat het boek ook nog een merkwaardige reflectie op het lesgeven zelf: ‘But what is teaching? Once, I thought that it was a form of Platonic eros, but I was mistaken.’ Het is verleidelijk om dit te interpreteren als een zelfbewuste verwijzing naar de beschuldigingen van aanranding die Bloom nog altijd achtervolgen – in 2004 schreef de feministische auteur Naomi Wolf bijvoorbeeld dat hij tijdens een college in de jaren tachtig ongevraagd zijn hand op haar dij heeft gelegd, maar zelf hield Bloom vol dat hij haar nog nooit heeft ontmoet of in zijn lessen heeft gehad.)

Juist omdat de gedicteerde teksten Blooms spreekstijl zo natuurlijk volgen, geeft deze bundel een prachtig beeld van zijn stijl van lesgeven. Hij presenteert je zijn materiaal spontaan maar altijd uiterst gepassioneerd. Hij vertelt nauwkeurig, brengt helder onder woorden wat hij doet en voelt, en maakt je zo deelgenoot van zijn ervaring. Hij is duidelijk in zijn oordelen en laat zien hoe hij tot zijn eigen opvattingen en principes gekomen is. Maar zoals een goede docent betaamt legt hij je zijn denkbeelden niet op, maar reikt hij je de middelen aan om tot je eigen conclusies te komen. Zo prikkelen deze beschouwingen je om zelf aan de slag te gaan, om verder te lezen en je te verdiepen in deze vier rijke dichterlijke tradities. Wat dat betreft is dit boek, dat het afscheid van een hartstochtelijk lezer en onderwijzer markeert, geen einde maar een nieuw beginpunt.

Onsterfelijkheid
De epiloog van Possessed by Memory vormt nog een laatste hoogtepunt. Het is een essay over À la recherche du temps perdu van Marcel Proust, waarin Bloom specifiek de beschrijving van de werking van het geheugen onder de loep neemt. Beginnend bij Augustinus ontwaart hij een traditie waarin de herinnering als een raadselachtig, subjectief doolhof wordt beschouwd, en de gedesoriënteerde mens soms plotseling een deel van het verleden kan herontdekken. Een dergelijk moment van inzicht, dat binnen de literatuur een epifanie genoemd wordt, is volgens Bloom het belangrijkste fenomeen in de legendarische romancyclus. Tijdens zo’n moment van verhoogd begrip komen we volgens Proust dichter bij de ‘waarheid’ van het verleden en de belevingswereld van ons vroegere zelf. Ook brengt de epifanische herinnering ons in een staat die in zekere zin tijdloos is omdat we dan kortstondig zowel in het heden als het verleden leven. Bloom schrijft dat deze door Proust beschreven ervaring verband houdt met de onsterfelijkheid: wie het verleden herinnert, kan het verstrijken en verdwijnen van de tijd voor even stoppen.

Ten tijde van zijn dood werkte Harold Bloom aan een boek over onsterfelijkheid. De onberekenbare eindigheid heeft verhinderd dat hij dit boek zou afronden, maar ook het slotstuk van Possessed by Memory bevat nog enkele zeer persoonlijke reflecties op datzelfde onderwerp. Oud en broos, eenzaam, voortdurend denkend aan zijn verloren vrienden, schrijft Bloom:

For me, survival is a mode akin to the work of mourning. Our beloved dead live only as long as we absorb them into our daily thoughts and feelings. When we die, our own survival will be the extent to which we have changed the lives of those who come after us.

Het lijkt me passend dat Bloom, die op een bepaalde manier altijd die gretig lezende jongen van weleer is gebleven, en die in gedichten naar de singuliere stemmen van andere mensen zocht, gelezen worden door anderen als een manier van voortleven beschouwt. Nu zijn monumentale loopbaan ten einde is gekomen, zal ik door zo nu dan te denken aan zijn onvergelijkbare kennis van de literatuur, zijn charmante, geaffecteerde toon en zijn tomeloze liefde voor het vak proberen om Harold Bloom voor enige tijd toegang tot de onsterfelijkheid te bieden.